Vreemdelingenrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zodat het beroep mag worden afgewacht in Nederland. Het…

Rechtbank Den Haag, 13 april 2026

Zaakgegevens

Op 13 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
13 april 2026
Datum publicatie
17 april 2026
Zaaknummer
AWB 20/3669
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:9387
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zodat het beroep mag worden afgewacht in Nederland. Het verzoek is niet-ontvankelijk verklaard, omdat al op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/3669


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de Minister van Asiel en Migratie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn opvolgende asielaanvraag.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek niet-ontvankelijk is.

1.2.

Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 januari 2020 de opvolgende aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.

1.3.

Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening heeft te gelden als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Algemene wet bestuursrecht. Vreemdelingenwet 2000. Geregistreerd onder zaaknummer AWB 20/3668. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.