Vreemdelingenrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar geldt als een verzoek hangende beroep. Verzoek om een…

Rechtbank Den Haag, 20 april 2026

Zaakgegevens

Op 20 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
20 april 2026
Datum publicatie
20 april 2026
Zaaknummer
NL23.23265
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:9482
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar geldt als een verzoek hangende beroep. Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zodat het beroep mag worden afgewacht in Nederland. Het verzoek wordt afgewezen omdat al op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.23265


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], V-nummer: [v-nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. A.C. Pool),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor verlening van uitstel van vertrek vanwege medische redenen op grond van artikel 64 van de Vw. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 augustus 2023 afgewezen.

2. Verzoekster heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

3. Met het bestreden besluit van 4 april 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de afwijzing gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Het verzoek om een voorlopige voorziening geldt daarom als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.

5. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.20069, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

6. Omdat het beroep gegrond is verklaard krijgt verzoekster wel een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt

€ 934,- omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

7. Verzoekster heeft geen griffierecht betaald, omdat zij wegens betalingsonmacht hiervan is vrijgesteld. Daarom hoeft de minister geen griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vreemdelingenwet 2000. Algemene wet bestuursrecht.