Vreemdelingenrecht
vreemdelingenbewaring; artikel 59b Vw 2000; gebrek in het voortraject; grondslag van de maatregel; gronden…
Rechtbank Den Haag, 25 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:28196 · Rechtbank Den Haag · 25 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-28196
Zaakgegevens
Op 25 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 25 september 2026
- Datum publicatie
- 25 september 2026
- Zaaknummer
- NL26.54048
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28196
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vreemdelingenbewaring; artikel 59b Vw 2000; gebrek in het voortraject; grondslag van de maatregel; gronden van de maatregel; lichter middel; ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54048
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 13 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Is er sprake van een gebrek in het voortraject?
3. Eiser betoogt dat sprake is van een gebrek in het voortraject. Volgens eiser blijkt uit het dossier onvoldoende op welke wijze hij voorafgaand aan zijn ophouding in de macht van de Nederlandse autoriteiten is gekomen. De enkele vermelding dat hij na overname van de Duitse autoriteiten is opgehouden, is volgens eiser onvoldoende. Eiser voert aan dat niet controleerbaar is wat de feitelijke gang van zaken is geweest, zoals op welke datum, op welk tijdstip en op welke plaats hij is overgenomen, wie daarbij betrokken waren en op welke grondslag de overdracht heeft plaatsgevonden. Volgens eiser ontbreken de gegevens die noodzakelijk zijn om de rechtmatigheid van het voortraject te kunnen toetsen.
De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat de gang van zaken rondom de overname door de Nederlandse autoriteiten onvoldoende duidelijk uit het dossier blijkt. Uit het dossier blijkt niet op welke wijze eiser door de Nederlandse autoriteiten is overgenomen van de Duitse autoriteiten. De enkele vermelding dat eiser is overgenomen van de Duitse autoriteiten is daarvoor onvoldoende. Ook de toelichting van de minister op de zitting dat eiser bij een aanvullende grenscontrole in De Lutte is geweigerd en dat daarvan geen documenten worden opgemaakt, maar dat dit telefonisch wordt afgedaan, maakt dit niet anders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een gebrek in het voortraject.
Een gebrek in het voortraject leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat de daaropvolgende maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is. Daarvoor moet een belangenafweging worden gemaakt tussen enerzijds de belangen die met de vreemdelingenbewaring zijn gediend en anderzijds de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen van eiser. Een gebrek in het voortraject maakt de daarop volgende maatregel van vreemdelingenbewaring slechts onrechtmatig indien de met de vreemdelingenbewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van de minister uitvalt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105A) weliswaar niet blijkt hoe de overname precies heeft plaatsgevonden, maar dat daaruit wel blijkt dat eiser op 13 september 2025 om 08:45 uur door de Duitse autoriteiten is staande gehouden en vervolgens is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor, waar hij om 09:02 uur in Enschede is aangekomen. Verder blijkt uit dat proces-verbaal dat eiser in De Lutte om 08:50 uur op zijn rechten is gewezen. De feitelijke gang van zaken voorafgaand aan de ophouding is daarmee voor een belangrijk deel inzichtelijk gemaakt. Daarnaast weegt de rechtbank zwaar mee dat, zoals hierna wordt overwogen, het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Gelet hierop weegt het belang van de minister bij de inbewaringsstelling zwaarder dan het belang van eiser. Het gebrek in het voortraject leidt daarom niet tot opheffing van de maatregel.
Berust de maatregel op de juiste grondslag?
4. Eiser betoogt dat hij op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld. Daartoe voert hij aan dat concrete aanknopingspunten bestaan dat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser voert aan dat hij in Portugal een reguliere verblijfsvergunning heeft aangevraagd en dat hij op zijn telefoon foto’s heeft van de daarop betrekking hebbende stukken. Volgens eiser vormen deze documenten concrete aanknopingspunten voor zijn eerdere verblijf in Portugal. Eiser voert aan dat de minister de foto’s van deze documenten ten onrechte niet heeft onderzocht. Dat eiser deze foto’s niet heeft overgelegd kan hem niet worden tegengeworpen, omdat zijn telefoon in beslag is genomen. Eiser betoogt daarom dat hij op grond van artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring had moeten worden gesteld. Eiser wijst daarbij op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Daar komt volgens eiser bij dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de juiste grondslag zou moeten zijn. Eiser voert aan dat de minister niet duidelijk heeft gemaakt welke gegevens nog moeten worden vastgesteld of verkregen voor de beoordeling van zijn asielaanvraag en waarom die gegevens niet kunnen worden verkregen wanneer eiser in de reguliere asielopvang verblijft.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring mocht stellen. De minister stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat op het moment van de inbewaringstelling geen concrete aanknopingspunten bestonden dat Portugal verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De enkele verklaring van eiser dat hij op zijn telefoon foto’s heeft staan van documenten die betrekking hebben op een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Portugal biedt, zonder nadere onderbouwing, onvoldoende aanknopingspunt dat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiser heeft verklaard dat hij in Portugal een aanvraag voor een reguliere vergunning heeft gedaan, maar dat hij de daarvoor verschuldigde leges niet heeft betaald en dat daarom de aanvraag niet is voortgezet. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 van toepassing is. De asielaanvraag van eiser is namelijk nog in behandeling en, zoals hierna vanaf 5.3 overwogen, bestaat een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekking. De minister heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is in het kader van de beoordeling van de asielaanvraag.
Kunnen de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen?
5. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft de minister overwogen dat deze maatregel noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van zijn asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de grond h op de zitting laten vallen. Deze ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van vreemdelingenbewaring.
Eiser betwist van de overgebleven gronden de gronden p, r en s. Ten aanzien van grond p voert eiser aan dat hij wel beschikt over een paspoort, wat de minister ook in de maatregel heeft vermeld. De omstandigheid dat hij geen visum of inreisstempel heeft, verklaart volgens eiser niet zonder meer welke verplichting van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 hij heeft geschonden. Voor zover artikel 4.39 van het Vb 2000 wordt tegengeworpen, voert eiser aan dat de minister niet heeft vermeld wanneer hij in Nederland verbleef zonder rechtmatig verblijf, hoe lang dat heeft geduurd en vanaf welk moment hij daadwerkelijk de mogelijkheid had om zich bij de korpschef te melden.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de grond p terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd, omdat deze feitelijk juist is en heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom daar een onttrekkingsrisico uit volgt. Niet is gebleken dat eiser beschikt over een document zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000. Dat eiser wel over een paspoort beschikt, maakt dit niet anders. Een geldig reisdocument is niet zonder meer een document zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000. In het geval van eiser bevat zijn paspoort geen visum of inreisstempel. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat, door niet te voldoen aan deze verplichting, het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrekt. Grond p is daarmee feitelijk juist en voldoende gemotiveerd.
Omdat grond p feitelijk juist is en voldoende is gemotiveerd, is deze grond, samen met de onbetwiste grond a, voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de gronden r en s kan daaraan niet afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Volgens eiser heeft de minister geen concrete beoordeling gemaakt van de beschikbare alternatieven, zoals een meldplicht. De enkele verwachting dat hij zich niet aan zijn meldplicht zal houden is volgens eiser onvoldoende, omdat hij na zijn asielaanvraag nog geen gelegenheid heeft gehad om te laten zien dat hij zich niet aan dergelijke verplichtingen houdt. Daarnaast voert eiser aan dat hij beschikt over een paspoort, waarmee zijn terugkeer na een eventuele afwijzing van zijn asielaanvraag is gewaarborgd.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet met een lichter middel kon worden volstaan. Uit de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring en de motivering daarvan volgt dat het risico groot is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat eiser niet eerder in de gelegenheid is geweest om zich aan een meldplicht te houden, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat eiser in het bezig is van een paspoort, leidt niet tot een ander oordeel. Het bezit van een paspoort neemt het hiervoor vastgestelde risico op onttrekking aan het toezicht niet weg.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond.
Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Als gevolg van het geconstateerde gebrek onder rechtsoverweging 3.1 veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.