Vreemdelingenrecht
Spoedvovo, overplaatsing VBL, minderjarig kind, autisme, toegewezen.
Rechtbank Den Haag, 17 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20272 · Rechtbank Den Haag · 17 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-20272
Zaakgegevens
Op 17 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Datum publicatie
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.34733
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20272
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Spoedvovo, overplaatsing VBL, minderjarig kind, autisme, toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34733
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. E.A.M. Verstelle),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, hangende het bezwaar tegen het besluit van 22 juni 2026. In dat besluit is de aanvraag van verzoeker om uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.
Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) heeft verzoeker laten weten dat hij op 23 juli 2026 wordt overgeplaatst naar de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel. Verzoeker heeft daarop de rechtbank gevraagd om uitspraak te doen op het verzoek om voorlopige voorziening.
De minister heeft op 15 juli 2026 een verweerschrift ingediend. Hierin verzoekt de minister de voorlopige voorziening af te wijzen, omdat verzoeker geen spoedeisend belang heeft en het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.
Vanwege onverwijlde spoed en omdat partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, heeft de voorzieningenrechter partijen niet uitgenodigd voor een zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter oordeelt dat sprake is van onverwijlde spoed. Verzoeker heeft een bericht overgelegd van DT&V waaruit blijkt dat hij op 23 juli 2026 wordt overgeplaatst naar de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel. Verzoeker heeft namelijk geen recht meer op voorzieningen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005). Bij aankomst zal aan zowel verzoeker, die minderjarig is, als aan zijn moeder een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van de Vw 2000 worden opgelegd.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat door dit bericht voldoende vast dat de Rva-verstrekkingen worden beëindigd, waardoor verzoeker de COa-opvang in Grave moet verlaten en hij, samen met zijn moeder, op 23 juli 2026, wordt overgeplaatst naar de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel. De minister heeft dit niet betwist. Verzoeker vraagt deze rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen dat hij tijdens de bezwaarprocedure wordt behandeld als ware aan hem uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Een toewijzing van de voorlopige voorziening betekent dat verzoeker zijn recht op verstrekkingen behoudt zoals hij die had voordat het besluit van 22 juni 2026 was genomen.
Belangenafweging
4. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van 22 juni 2026, omdat deze spoedprocedure zich daar niet voor leent. De voorzieningenrechter beperkt zich daarom tot een belangenafweging. Deze valt in het voordeel van verzoeker uit.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om te bepalen dat hij in de opvanglocatie van het COa in Grave mag blijven. Overplaatsing naar de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel zal een grote impact op hem hebben. Verzoeker is vijf jaar oud en heeft een ernstige vorm van een autismespectrumstoornis. Uit het advies van het Bureau Medische Advisering van 10 oktober 2025 blijkt onder meer dat bij het uitblijven van behandeling voor de autismespectrumstoornis van verzoeker een medische noodsituatie wordt verwacht, omdat verzoeker dan vanwege zijn stoornis een gevaar kan vormen voor zichzelf of voor de mensen in zijn omgeving. Verzoeker wordt momenteel driemaal per week, zes uur per dag, intensief behandeld in Venray. Gezien de voorgenomen plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel mag worden aangenomen dat deze behandeling niet kan worden voortgezet. Verzoeker wijst er overigens op dat de reisafstand van Ter Apel naar Venray (enkele reis) 4.5 uur bedraagt. Ook gelet op de intensieve behandeling die eiser ondergaat, acht de voorzieningenrechter het niet zonder meer aannemelijk dat verzoeker op korte termijn een vergelijkbare alternatieve behandeling kan krijgen in of vanuit Ter Apel. Een vrijheidsbeperkende locatie is bovendien geen wenselijke plek voor een minderjarige, en dat geldt nog sterker voor verzoeker, gezien zijn medische beperkingen. De minister heeft hier in het verweerschrift geen concrete belangen tegenover gesteld die een afwijzing van het verzoek rechtvaardigen. De voorzieningenrechter begrijpt dat het COa te maken heeft met een tekort aan opvangplaatsen en dat het om die reden wenselijk is dat alleen mensen die binnen de regeling vallen opvang krijgen. In de door verzoeker naar voren gebrachte bijzondere, persoonlijke omstandigheden ziet de voorzieningenrechter echter voldoende reden om te bepalen dat verzoeker voorlopig in de opvanglocatie van het COa in Grave mag blijven, omdat dit belang zwaarder weegt dan het belang van de minister.
De voorzieningenrechter acht het daarbij aangewezen dat verzoeker voor de duur van de bezwaarprocedure de huidige behandeling in Venray kan voortzetten en zal daarom bepalen dat verzoeker gedurende die periode in de opvanglocatie van het COa in Grave mag blijven. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dit betekent dat ook de moeder van verzoeker in de opvanglocatie van het COa in Grave blijft, waardoor verzoeker en zijn moeder bij elkaar blijven.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Verzoeker moet gedurende de bezwaarprocedure worden behandeld als ware aan hem uitstel van vertrek is verleend op basis van artikel 64 van de Vw 2000. Dit betekent dat hij het recht behoudt op de Rva-verstrekkingen en dat hij niet wordt overgeplaatst naar de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel of naar een andere reguliere opvanglocatie van het COa.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister de proceskosten van verzoeker vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 934, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- draagt de minister op verzoeker te behandelen als ware artikel 64 van de Vw 2000 op hem van toepassing is, tot op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat verzoeker tot die tijd in de opvanglocatie van het COa in Grave mag verblijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.