Civiel recht overig
Afwijzen verzoek om pleidooi na een akte niet dienen voor het nemen van een conclusie van antwoord. Het recht…
Rechtbank Den Haag, 19 september 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:13139 · Rechtbank Den Haag · 19 september 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbdha-2018-13139
Zaakgegevens
Op 19 september 2018 heeft de Rechtbank Den Haag in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 19 september 2018
- Datum publicatie
- 5 november 2018
- Zaaknummer
- C-09-552985-HA ZA 18-543
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. F.R.A Schaaf, mr. L.C. Blok
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2018:13139
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzen verzoek om pleidooi na een akte niet dienen voor het nemen van een conclusie van antwoord. Het recht om voor antwoord te concluderen is ingevolge artikel 133 lid 4 Rv vervallen en het recht verweer te voeren is op grond van artikel 128 lid 3 Rv vervallen, nu niet ten principale is geantwoord. Gedaagde beoogt volgens zijn toelichting het nalaten tijdig voor antwoord te concluderen te ‘repareren’. Ingeval van toewijzing van dit verzoek wordt de in artikel 128 lid 3 Rv neergelegde regel van verval van recht van een gedaagde om zich tegen een vordering te verweren indien niet tijdig voor antwoord wordt geconcludeerd, feitelijk ter zijde gesteld.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 19 september 2018deze uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2018:13139
Gerechtshof Den Haag · 13 oktober 2020
ECLI:NL:GHDHA:2020:2002Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 24 maart 2023
ECLI:NL:PHR:2023:443Hoge Raad · 9 juni 2023
ECLI:NL:HR:2023:892Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/552985 / HA ZA 18-543
Vonnis van 19 september 2018
in de zaak van
de stichting
STICHTING SCHADEREGELINGSKANTOOR VOOR RECHTSBIJSTANDVERZEKERING,
gevestigd te Zoetermeer,
eiseres,
advocaat: mr. F.R.A. Schaaf,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. L.C. Blok.
1 Het verzoek en de beoordeling daarvan
Namens gedaagde is op 15 augustus 2018 pleidooi gevraagd. Dit verzoek is onderbouwd door te wijzen op de omvang van de dagvaarding en niet nader geduide persoonlijke omstandigheden van gedaagde, die eraan in de weg zouden hebben gestaan om voor antwoord te concluderen. Het verzoek vermeldt voorts “belang van cliënt is echter zo groot dat, nu de wederpartij niet om een uitstel accoord gaat, pleidooi gevraagd moet worden.” Eiseres maakte bezwaar tegen toewijzing van dit verzoek.
Voordat de rechter over de zaak beslist, wordt aan partijen desverlangd gelegenheid geboden voor pleidooien (art. 134 Rv). Het recht om het standpunt mondeling te bepleiten vloeit ook voort uit artikel 6 EVRM. Dit een en ander brengt met zich mee dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag worden afgewezen. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Verg. onder meer HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254 en meer recent HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151.
Op de rol van 1 augustus 2018 is aan gedaagde een akte van niet-dienen verleend, omdat hij niet op de daarvoor bepaalde roldatum voor antwoord heeft geconcludeerd. Omdat gedaagde niet tijdig voor antwoord heeft geconcludeerd, is zijn recht om deze proceshandeling te verrichten ingevolge artikel 133 lid 4 Rv vervallen. Uit de toelichting van gedaagde op zijn verzoek om pleidooi blijkt dat hij zich alsnog mondeling tegen de vorderingen wenst te verweren. Op grond van artikel 128 lid 3 Rv was zijn recht daartoe echter reeds voordat hij om pleidooi vroeg vervallen, nu hij niet ten principale heeft geantwoord. Het verzoek om pleidooi strekt kennelijk ertoe om de akte van niet-dienen voor het nemen van de conclusie van antwoord te ‘repareren’. Ingeval van toewijzing van dit verzoek wordt de in artikel 128 lid 3 Rv neergelegde regel van verval van recht van een gedaagde om zich tegen een vordering te verweren indien niet tijdig voor antwoord wordt geconcludeerd, echter feitelijk ter zijde gesteld. Dat is in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
2 De beslissing
De rolrechter
- wijst het namens gedaagde gedane verzoek om pleidooi af;
- verwijst de zaak naar de rol van 31 oktober 2018 voor het wijzen van vonnis.
Dit vonnis is gewezen door mr. L Alwin en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.