Civiel recht overig

Tussenvonnis absolute bevoegdheid kantonrechter. Kantonrechter acht zich bevoegd. Sprake van duidelijke…

Rechtbank Den Haag, 9 maart 2022

Zaakgegevens

Op 9 maart 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Leiden
Datum uitspraak
9 maart 2022
Datum publicatie
23 mei 2022
Zaaknummer
9272244 \ CV EXPL 21-1846
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:4852
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenvonnis absolute bevoegdheid kantonrechter. Kantonrechter acht zich bevoegd. Sprake van duidelijke aanwijzingen dat de vordering een lagere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00, nu de waarde van de grond tezamen met de gevorderde schade € 3.304,30 bedraagt.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

Ws (B/C)

Rolnr.: 9272244 \ CV EXPL 21-1846

Datum: 9 maart 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser 1] ,

2. [eiser 2]

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisende partijen,

gemachtigde: M.T.M. Fluitman,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2]

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

gemachtigde: mr. G.L. Court (DAS rechtsbijstand).

Partijen worden aangeduid als “ [eisende partij] ” en “ [gedaagde partij] ”.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 4 juni 2021 met producties,

  • de conclusie van antwoord van 11 augustus 2021 met producties,

  • de rolbeslissing van 22 september 2021,

  • de akten van partijen van 20 oktober 2021,

  • het tussenvonnis van 17 november 2021.

1.2.

Op 2 februari 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eisende partij] is daarbij verschenen, vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde partij] is, vergezeld door zijn gemachtigde, ook verschenen. Na de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] nog een akte genomen.

2 Feiten

2.1.

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit.

2.2.

[eisende partij] is eigenaar van de woning aan de [adres eiser] te [woonplaats] . [gedaagde partij] is eigenaar van de woning aan de [adres gedaagde] te [woonplaats] . [gedaagde partij] is ook eigenaar van het tussen beide woningen gelegen perceel grond met kadastraal nummer [nummer] . [eisende partij] heeft recht van overpad op dit tussen beide woningen liggende perceel.

2.3.

[gedaagde partij] heeft jaren geleden tussen de voorzijden van de woningen en over de lengte van het tussenliggende perceel, een hekwerk geplaatst. Dit hekwerk is bevestigd in twee pilaren (“beren”) die aan de zijkanten van beide woningen zijn geplaatst. Beide pilaren staan op het tussenliggende perceel van [gedaagde partij]

2.4.

Bij brief van 30 april 2021 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] onder meer verzocht om het hekwerk te verwijderen. Aan dit verzoek is geen gevolg gegeven.

3 Vordering

3.1.

[eisende partij] vordert, na wijziging van eis, [gedaagde partij] te veroordelen tot verwijdering van het hekwerk en tot het herstellen van de boorgaten in de muur op verbeurte van een dwangsom. Ook vraagt [eisende partij] voor recht te verklaren dat de pilaar aan de linkerzijkant van zijn woning als gevolg van horizontale natrekking in eigendom aan hem toebehoort.

3.2.

[eisende partij] stelt daartoe, samengevat, dat de ondersteuning van het hekwerk is geconstrueerd in de muur van het huis van [eisende partij] en dat [eisende partij] daar geen toestemming voor heeft gegeven. Er is sprake van een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht. Voor de bevestiging van het hekwerk zijn op vier plaatsen enorme bouten in de muur van [eisende partij] geschroefd. Er zitten nog eens 14 gaten op andere plekken in de muur.

4 Verweer

4.1.

[gedaagde partij] stelt dat de pilaren, volgens de kadastrale tekening, op zijn grond staan en daarmee zijn eigendom zijn. Bovendien heeft [eisende partij] ingestemd met de plaatsing en de bevestiging van het hekwerk. [eisende partij] heeft de code ontvangen en ook een afstandsbediening en de sleutels. Uit het veelvuldig gebruik van het hek blijkt de instemming.

5 Beoordeling

5.1.

Artikel 5:20, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt:

De eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt:

a. de bovengrond;

b. de daaronder zich bevindende aardlagen;

c. het grondwater dat door een bron, put of pomp aan de oppervlakte is gekomen;

d. het water dat zich op de grond bevindt en niet in open gemeenschap met water op eens anders erf staat;

e. gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak;

f. met de grond verenigde beplantingen.

5.2.

De pilaar aan de woning van [eisende partij] is duurzaam met de grond verenigd zodat deze via verticale natrekking tot de eigendom van grondeigenaar ( [gedaagde partij] ) zou behoren. Maar deze pilaar is echter ook bestanddeel van de woning van [eisende partij] ; de pilaar is dusdanig met de woning van [eisende partij] verbonden dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt aangebracht aan een der zaken (artikel 3:4, tweede lid, van het BW). Dit betekent dat de pilaar een bestanddeel is van de woning van [eisende partij] en dus niet in eigendom toebehoort aan de grondeigenaar. Kortgezegd betekent dit dat de horizontale natrekking voor de verticale natrekking gaat.

5.3.

Op grond van artikel 6:162, tweede lid, van het BW levert een inbreuk op een recht van een ander zonder meer een onrechtmatige daad op, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Het bevestigen van een hekwerk aan een anders eigendom levert een inbreuk op een anders recht op. [eisende partij] hoeven een dergelijke inbreuk niet te dulden tenzij zij hebben ingestemd met de plaatsing van het hekwerk. Daarbij geldt dat het geven van toestemming vormvrij is en dat ook een stilzwijgende toestemming mogelijk is. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan ook uit gedragingen (of stilzitten) van de naburige eigenaar een toestemming worden afgeleid. Dit geldt temeer als [eisende partij] bij [gedaagde partij] de gerechtvaardigde indruk hebben gewekt dat wat hij deed hem vrijstond.

5.4.

[gedaagde partij] heeft gesteld dat de plaatsing van het hekwerk op voorstel van [eisende partij] is gebeurd. Deze stelling is niet, dan wel onvoldoende, door [eisende partij] betwist. Verder is van belang dat vaststaat dat [eisende partij] de code voor de bediening van het hekwerk heeft gekregen en dat [eisende partij] het hekwerk ook al jaren gebruikt. Volgens [gedaagde partij] heeft [eisende partij] ook een afstandsbediening voor het hekwerk ontvangen en wordt daarvan ook gebruik gemaakt. Hoewel dit laatste door [eisende partij] wordt betwist, volgt uit de overgelegde verklaringen van buren dat [eisende partij] wel beschikken over een afstandsbediening en die ook gebruiken. Verder is van belang dat [eisende partij] eerst bezwaar tegen de bevestiging van het hekwerk is gaan maken nadat [gedaagde partij] [eisende partij] had gesommeerd tot verwijdering van een kabel in het tussenliggende perceel.

5.5.

De kantonrechter oordeelt dat uit de gedragingen (en het stilzitten) van [eisende partij] toestemming voor de voortdurende bevestiging van het hekwerk kan worden afgeleid. Door de toestemming is er geen sprake van een onrechtmatige inbreuk en zal de vordering tot verwijdering van het hekwerk en het herstel van de boorgaten worden afgewezen.

5.6.

De verklaring voor recht zal wel worden afgegeven omdat de pilaar in eigendom toebehoort aan [eisende partij]

5.7.

Omdat partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

Beslissing

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat de pilaar gelegen te ( [postcode] [woonplaats] aan het adres [adres gedaagde] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie A, nummer [nummer] , welke pilaar aan de linkerzijde (vanaf de voorkant van de woning bezien) is bevestigd aan de woning van [eisende partij] , wonende te ( [postcode] [woonplaats] aan het adres [adres eiser] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie A, nummer [nummer 2] , wegens horizontale natrekking in eigendom toebehoort aan [eisende partij] ;

- compenseert de proceskosten, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. W.A. Swildens en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 maart 2022.