Personen- en familierecht

Ambtshalve beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij De kinderrechter stelt vast dat de moeder…

Rechtbank Den Haag, 28 september 2022

Zaakgegevens

Op 28 september 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
28 september 2022
Datum publicatie
1 december 2022
Zaaknummer
C/09/631656
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. M.F Pool te Rotterdam, mr. L. de Groot te Leusden
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:12849
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ambtshalve beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij

De kinderrechter stelt vast dat de moeder [minderjarige] het benodigde opvoedklimaat niet heeft kunnen bieden. Uit het dossier blijkt immers dat het de moeder de afgelopen jaren, ook reeds voorafgaand aan de uithuisplaatsing, vanwege haar eigen problematiek en ontoereikende opvoedcapaciteiten niet is gelukt om voor [minderjarige] te zorgen en aan te sluiten bij zijn ontwikkelingsbehoeften. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij de beschikking van 31 december 2020 reeds overwogen dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken, zoals door de gecertificeerde instelling is bepaald in het opvoedbesluit van oktober 2020. Het gerechtshof heeft bij beschikking van 30 juni 2021 de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.

Gezagsbeëindiging zonder dat voldoende is geïnvesteerd in de terugkeer naar huis is in beginsel in strijd met artikel 8 EVRM. De concrete invulling van de inspanningsverplichting die van een gecertificeerde instelling in dit verband verwacht mag worden, is echter ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Nu [minderjarige] al ruim drie jaar bij het pleeggezin woont, daar inmiddels veilig gehecht is en gelet op zijn bovengemiddelde behoefte aan stabiliteit, continuïteit en duidelijkheid acht de kinderrechter het niet in zijn belang om nog langer te wachten op de resultaten van Basic Trust om de vraag te kunnen beantwoorden of de moeder in de toekomst in staat zal zijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer op zich te nemen. De aanvaardbare termijn waarbinnen deze vraag in het belang van [minderjarige] beantwoord had moeten zijn is immers ruimschoots verstreken. Zelfs indien zou blijken dat de situatie van de moeder en haar opvoedingsvaardigheden nog zouden kunnen verbeteren, is dit voor de beslissing over het gezag niet meer relevant. [minderjarige] weer weghalen bij de pleegouders zou een nieuw trauma voor hem betekenen.

Uitspraak

rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaakgegevens: C/09/631656 /FA RK 22-4225

Datum uitspraak: 28 september 2022

Beschikking van de enkelvoudige kamer

Ambtshalve beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij

in de zaak naar aanleiding van het op 24 juni 2022 ingekomen verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,hierna te noemen: de Raad,

betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ,

hierna ook te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. M.F. Pool te Rotterdam,

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

[pleegvader] en [pleegmoeder]

hierna te noemen: de pleegouders,

advocaat: mr. L. de Groot te Leusden.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift met bijlagen;

  • het verweerschrift van de zijde van de moeder.

Op 26 september 2022 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

  • [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;

  • [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de gecertificeerde instelling;

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat.

Feiten

  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.

  • De kinderrechter heeft bij beschikking d.d. 4 juli 2022 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 6 juli 2022 tot 6 juli 2023, alsmede voor dezelfde duur een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

  • Sinds 22 juli 2019 verblijft [minderjarige] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

Verzoek en verweer

De Raad verzoekt de kinderrechter naar aanleiding van een verzoek van de gecertificeerde instelling te beoordelen of beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] noodzakelijk is. De Raad heeft naar voren gebracht dat een gezagsbeëindiging op dit moment niet passend is, omdat de moeder nog onvoldoende gefaciliteerd is als opvoeder. Het is voor de Raad nog niet duidelijk of de moeder binnen een aanvaardbare termijn weer in staat zal zijn om zelf de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Door middel van onderzoek en begeleiding door Basic Trust en NIKA zou hierop meer zicht kunnen komen. De Raad vindt dat er nog meer moet gebeuren voordat het perspectief van [minderjarige] definitief bepaald kan worden. Volgens de Raad is de aanvaardbare termijn nog niet verstreken en is de Raad niet betrokken geweest bij de zitting van 31 december 2020 waarbij de kinderrechter heeft aangegeven dat die termijn toen al was verstreken. Het uitgangspunt is voor de Raad dat het kind opgroeit bij de biologische ouder. Indien het lang duurt voordat duidelijk is of dit kan, levert dit (schadelijke) onzekerheid op voor het kind, maar alle omstandigheden moeten meegewogen worden. Zeker gelet op de recente ontwikkelingen in de toeslagenaffaire moet zorgvuldigheid betracht worden. De hulpverlening is nog niet uitgeput, er zit nu juist beweging aan de kant van de moeder en zij houdt zich aan de afspraken.

De gecertificeerde instelling is van mening dat het gezag van de moeder dient te worden beëindigd en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. De moeder verdient een grote rol in het leven van [minderjarige] , want zij is een lieve en leuke moeder voor hem, zij hebben een goede band en veel plezier tijdens bezoeken. Tegelijkertijd zijn er bij [minderjarige] signalen van een verstoorde hechting en problemen in zijn gedrag. Hij heeft een bovengemiddelde opvoedbehoefte, waaraan de moeder niet kan voldoen. Zij heeft wel stappen gezet en voldoet inmiddels aan twee belangrijke doelen die zij moest behalen (beschikken over eigen woonruimte en financiën op orde hebben), maar zij heeft de gedragsproblemen van [minderjarige] nooit (h)erkend, reden waarom opvoedondersteuning of -begeleiding op dit punt niet mogelijk is. Daarnaast is er bij alle betrokkenen veel behoefte aan duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] en is het schadelijk voor zijn ontwikkeling om hier nog langer onzekerheid over te laten bestaan. Volgens de gecertificeerde instelling ligt het opgroeiperspectief bij de pleegouders en niet bij de moeder en zou hierover duidelijkheid gecreëerd moeten worden, zodat iedereen weet waar naartoe gewerkt dient te worden. Er kan dan vanuit die duidelijkheid ook toegewerkt worden naar overnachtingen bij de moeder, zodra dit volgens de deskundigen in het belang van [minderjarige] haalbaar is. Via spelobservatie of diagnostisch onderzoek zou hier zicht op kunnen komen. De moeder zou hetzelfde traject kunnen volgen als de pleegouders, met Basic Trust.


Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen beëindiging van haar gezag. De moeder is van mening dat nog niet goed onderzocht is of [minderjarige] bij haar zou kunnen opgroeien en dit is wat zij nog steeds het liefste wil. Voordat begeleiding vanuit Ipse de Bruggen werd opgestart, om te kijken hoe leerbaar de moeder is, was het opvoedbesluit al genomen. De contacten met [minderjarige] verlopen goed, bij de moeder laat [minderjarige] geen problematisch gedrag zien en zij is in staat consequent en duidelijk te zijn naar [minderjarige] . Sinds 2020 wordt gesproken over mogelijke hechtingsproblematiek, hetgeen echter nooit echt goed is onderzocht. Pas na een dergelijk onderzoek en nadat naar de opvoedcapaciteiten van de moeder is gekeken, zou een opvoedbesluit moeten worden genomen. De moeder heeft nu zeer beperkte omgang, zodat zij niet de kans heeft gekregen te laten zien dat zij wel in staat is [minderjarige] zelf op te voeden. Vanaf het nemen van het opvoedbesluit is er niet meer aan thuisplaatsing gewerkt, dus zelfs als zij geen enkele progressie zou hebben laten zien dan kan dat haar niet verweten worden. De moeder zou graag alsnog de kans krijgen zich te bewijzen.


Door en namens de pleegouders is aangegeven dat er een noodzaak is tot beëindiging van het gezag van de moeder. Zij achten het in het belang van [minderjarige] dat het gezag van de moeder beëindigd wordt, omdat zij merken dat hij last heeft van de huidige onduidelijkheid. Hij verblijft al jarenlang bij de pleegouders en is inmiddels gezond gehecht in het pleeggezin, waar hem een stabiele en veilige basis wordt geboden. De aanvaardbare termijn waarbinnen voor hem duidelijkheid moet zijn over waar hij zal opgroeien is verstreken. [minderjarige] zit op speciaal onderwijs, is erg prikkelgevoelig en heeft veel rust en structuur nodig. Het zou dan ook zeer schadelijk voor hem zijn om de continuïteit en stabiliteit in de opvoeding nu te doorbreken. Hoewel de pleegouders de wens van de moeder kunnen begrijpen, menen zij dat zij niet in staat is het bovengemiddelde opvoedklimaat te creëren, dat [minderjarige] gelet op zijn hechtings- en gedragsproblematiek nodig heeft.

Beoordeling

Op grond van artikel 1:267, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de gecertificeerde instelling, indien zij de mededeling van de Raad heeft ontvangen dat hij de rechtbank niet om gezagsbeëindiging zal verzoeken, de Raad vervolgens verzoeken het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag noodzakelijk is. In dat geval kan de rechtbank de gezagsbeëindiging ambtshalve uitspreken.

De kinderrechter overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

De kinderrechter is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan.

[minderjarige] is een inmiddels zevenjarige jongen die kort na zijn vierde verjaardag bij zijn huidige pleeggezin is komen wonen. In het verleden is bij [minderjarige] hechtingsproblematiek ontstaan, waardoor hij gedragsproblemen laat zien die maken dat hij een bovengemiddeld opvoedklimaat nodig heeft om zich adequaat te kunnen ontwikkelen. De constante en consequente aandacht, beschikbaarheid en voorspelbaarheid die hij nodig heeft worden hem geboden door de huidige pleegouders, die hiervoor intensieve (opvoed)ondersteuning en tips hebben gekregen.

De kinderrechter stelt vast dat de moeder [minderjarige] het benodigde opvoedklimaat niet heeft kunnen bieden. Uit het dossier blijkt immers dat het de moeder de afgelopen jaren, ook reeds voorafgaand aan de uithuisplaatsing, vanwege haar eigen problematiek en ontoereikende opvoedcapaciteiten niet is gelukt om voor [minderjarige] te zorgen en aan te sluiten bij zijn ontwikkelingsbehoeften.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij de beschikking van 31 december 2020 reeds overwogen dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken, zoals door de gecertificeerde instelling is bepaald in het opvoedbesluit van oktober 2020. Het gerechtshof heeft bij beschikking van 30 juni 2021 de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.

De kinderrechter stelt verder vast dat - zoals het Gerechtshof Den Haag bij voormelde uitspraak eveneens reeds in zijn overweging heeft meegenomen - dat de moeder inmiddels over eigen woonruimte beschikt en dat zij haar financiële zaken op orde heeft.

Hoewel de wens van de moeder om alsnog te mogen laten zien dat zij inmiddels in staat is aan te sluiten bij de opvoedbehoefte van [minderjarige] begrijpelijk is, zal de kinderrechter haar daarin echter niet volgen. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.

Gezagsbeëindiging zonder dat voldoende is geïnvesteerd in de terugkeer naar huis is in beginsel in strijd met artikel 8 EVRM. De concrete invulling van de inspanningsverplichting die van een gecertificeerde instelling in dit verband verwacht mag worden, is echter ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval was de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] reeds in december 2020 verstreken. [minderjarige] verbleef toen al anderhalf jaar in het huidige pleeggezin. Vanaf dat moment heeft de gecertificeerde instelling dan ook de nadruk gelegd op individuele hulpverlening voor [minderjarige] en ondersteuning van de pleegouders bij de opvoeding in de thuissituatie. Ook werd er ingezet op een goede omgangsregeling met de moeder; eerst begeleid en daarna onbegeleid. De onbegeleide omgang van [minderjarige] met de moeder heeft in de zomer van 2021 voor een ernstige verslechtering in zijn gedrag gezorgd, onder meer omdat zij onrust bij hem veroorzaakte door met hem over logeren te praten. De omgang werd daarna (en is tot op heden) weer begeleid en voor de moeder is hulp vanuit Ipse de Bruggen opgestart. De keuze van de gecertificeerde instelling om onder dergelijke omstandigheden niet toe te werken aan een terugkeer van [minderjarige] naar huis bij de moeder acht de kinderrechter dan ook te rechtvaardigen.

Vervolgens, zo blijkt uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 juli 2022, was verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing recentelijk nog steeds noodzakelijk, gelet op de negatieve verandering in het gedrag van [minderjarige] . Hij bleek zowel bij de pleegouders als op school opstandiger en moeilijker te corrigeren. Bovendien dient de moeder nog steeds gecoacht te worden tijdens de bezoeken en is er een verschil in bejegening tussen de pleegouders en de moeder richting [minderjarige] . Uit laatstgenoemde beschikking blijkt eveneens dat [minderjarige] is aangemeld voor PMT die op korte termijn zal starten, evenals Basic Trust voor de moeder en [minderjarige] samen.

De conclusie van het onderzoek van de Raad om nog geen verzoek tot gezagsbeëindiging bij de rechtbank in te dienen waardoor er nog langer voor alle partijen onduidelijkheid blijft bestaan over het toekomstperspectief van [minderjarige] heeft intussen een negatieve invloed gehad op de verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders. Uit de beschikking van 30 juni 2021 van het Gerechtshof Den Haag blijkt dat de Raad in zijn adviserende en/of toetsende taak in die procedure is gekend. Het had op de weg van de Raad gelegen om op dat moment zijn andersluidende standpunt naar voren te brengen om door het hof te laten toetsen.

Nu [minderjarige] al ruim drie jaar bij het pleeggezin woont, daar inmiddels veilig gehecht is en gelet op zijn bovengemiddelde behoefte aan stabiliteit, continuïteit en duidelijkheid acht de kinderrechter het niet in zijn belang om nog langer te wachten op de resultaten van Basic Trust om de vraag te kunnen beantwoorden of de moeder in de toekomst in staat zal zijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer op zich te nemen. De aanvaardbare termijn waarbinnen deze vraag in het belang van [minderjarige] beantwoord had moeten zijn is immers ruimschoots verstreken. Zelfs indien zou blijken dat de situatie van de moeder en haar opvoedingsvaardigheden nog zouden kunnen verbeteren, is dit voor de beslissing over het gezag niet meer relevant. [minderjarige] weer weghalen bij de pleegouders zou een nieuw trauma voor hem betekenen. Naar het oordeel van de kinderrechter is het voor [minderjarige] noodzakelijk dat hij nu duidelijkheid krijgt over zijn opgroeiperspectief. Het gezag van de moeder zal dan ook worden beëindigd.

Ten overvloede overweegt de kinderrechter nog dat deze beslissing er geenszins aan in de weg staat dat voortvarend gestart gaat worden met het reeds geplande traject bij Basic Trust, om zo de kwaliteit van de contacten van [minderjarige] met zijn moeder te waarborgen en de band tussen hen stevig te houden. Zij blijft immers voor altijd zijn moeder, die een belangrijke rol in zijn leven hoort te hebben.

Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de kinderrechter op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem te benoemen. In dat verband overweegt de kinderrechter als volgt. De gecertificeerde instelling heeft zich ter zitting bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden en uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken concludeert de kinderrechter dat ten behoeve van de verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders een neutrale derde als voogd het meest in het belang van [minderjarige] is. De kinderrechter zal dan ook de gecertificeerde instelling tot voogdes benoemen.

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder:

- [de vrouw] , geboren op [geboortedag 2] 1996 te [geboorteplaats 2] ,

over de minderjarige:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ,

benoemt tot voogdes over voormelde minderjarige:

- Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;

gelast de griffier deze beslissing te laten aantekenen in het gezagsregister;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koole, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2022.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 18 oktober 2022.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.