Strafrecht overig
Ontnemingsprocedure op grond van artikel 6:4:18, eerste lid, Wetboek van Strafvordering van rechtswege…
Rechtbank Den Haag, 12 september 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:9059 · Rechtbank Den Haag · 12 september 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2022-9059
Zaakgegevens
Op 12 september 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 september 2022
- Datum publicatie
- 8 september 2022
- Zaaknummer
- 09-807088-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:9059
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontnemingsprocedure op grond van artikel 6:4:18, eerste lid, Wetboek van Strafvordering van rechtswege geëindigd door nakoming schikking ex artikel 511c Wetboek van Strafvordering.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/807088-19
Datum uitspraak: 12 september 2022
Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Beslissing van de rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[Veroordeelde] ,
geboren te Gouda op [geboortedatum] ,
[adres] .
De vordering
De vordering strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 32.287,50.
Het onderzoek ter zitting
De vordering is op 23 december 2021 bij de rechtbank aangebracht. Het onderzoek is toen voor onbepaalde tijd geschorst, zodat – kort gezegd – de nakoming van een tussen de veroordeelde en het Openbaar Ministerie gesloten schikkingsovereenkomst kon worden afgewacht.
Ter terechtzitting van 29 augustus 2022 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot ontneming, omdat de veroordeelde volledig aan de bepalingen uit de schikkingsovereenkomst heeft voldaan.
De veroordeelde en zijn raadsman, mr. M. de Reus, zijn op de terechtzitting van 29 augustus 2022, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Beoordeling van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 16 december 2019 veroordeeld ter zake van de strafbare feiten:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, in vereniging gepleegd, en
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, in vereniging gepleegd.
Blijkens het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, zijn officier van justitie mr. H. Mol namens het Openbaar Ministerie en de veroordeelde schriftelijk een schikking, zoals bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering, overeengekomen. Deze schikkingsovereenkomst is door de officier van justitie en de veroordeelde op 28 mei 2021 ondertekend. In de schikkingsovereenkomst is, voor zover hier van belang, overeengekomen dat door de veroordeelde een geldsom van – in totaal – € 11.303,00 moet worden betaald aan de Staat der Nederlanden.
Verder bevindt zich in het dossier een brief van het Centraal Justitieel Incassobureau van
2 juni 2022, waarin staat vermeld dat de aan [Veroordeelde] opgelegde schikking van € 11.303,00 volledig is afgedaan.
De rechtbank is van oordeel dat, nu de veroordeelde aan de voorwaarden van de hiervoor genoemde schikking heeft voldaan, de zaak, aanhangig gemaakt bij deze rechtbank op 23 december 2021, overeenkomstig artikel 6:4:18, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van rechtswege is geëindigd.
Beslissing
De rechtbank:
verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.A. Schueler, voorzitter,
mr. L. Kelkensberg, rechter,
mr. B.A. Sturm, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.C.S. Ramlal, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 september 2022.