Strafrecht overig

Ontnemingsprocedure op grond van artikel 6:4:18, eerste lid, Wetboek van Strafvordering van rechtswege…

Rechtbank Den Haag, 12 september 2022

Zaakgegevens

Op 12 september 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
12 september 2022
Datum publicatie
8 september 2022
Zaaknummer
09-807088-19
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:9059
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontnemingsprocedure op grond van artikel 6:4:18, eerste lid, Wetboek van Strafvordering van rechtswege geëindigd door nakoming schikking ex artikel 511c Wetboek van Strafvordering.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/807088-19

Datum uitspraak: 12 september 2022

Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Beslissing van de rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[Veroordeelde] ,

geboren te Gouda op [geboortedatum] ,

[adres] .

De vordering

De vordering strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 32.287,50.

Het onderzoek ter zitting

De vordering is op 23 december 2021 bij de rechtbank aangebracht. Het onderzoek is toen voor onbepaalde tijd geschorst, zodat – kort gezegd – de nakoming van een tussen de veroordeelde en het Openbaar Ministerie gesloten schikkingsovereenkomst kon worden afgewacht.

Ter terechtzitting van 29 augustus 2022 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot ontneming, omdat de veroordeelde volledig aan de bepalingen uit de schikkingsovereenkomst heeft voldaan.

De veroordeelde en zijn raadsman, mr. M. de Reus, zijn op de terechtzitting van 29 augustus 2022, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Beoordeling van de vordering

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 16 december 2019 veroordeeld ter zake van de strafbare feiten:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, in vereniging gepleegd, en

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, in vereniging gepleegd.

Blijkens het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, zijn officier van justitie mr. H. Mol namens het Openbaar Ministerie en de veroordeelde schriftelijk een schikking, zoals bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering, overeengekomen. Deze schikkingsovereenkomst is door de officier van justitie en de veroordeelde op 28 mei 2021 ondertekend. In de schikkingsovereenkomst is, voor zover hier van belang, overeengekomen dat door de veroordeelde een geldsom van – in totaal – € 11.303,00 moet worden betaald aan de Staat der Nederlanden.

Verder bevindt zich in het dossier een brief van het Centraal Justitieel Incassobureau van

2 juni 2022, waarin staat vermeld dat de aan [Veroordeelde] opgelegde schikking van € 11.303,00 volledig is afgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de veroordeelde aan de voorwaarden van de hiervoor genoemde schikking heeft voldaan, de zaak, aanhangig gemaakt bij deze rechtbank op 23 december 2021, overeenkomstig artikel 6:4:18, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van rechtswege is geëindigd.

Beslissing

De rechtbank:

verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A. Schueler, voorzitter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

mr. B.A. Sturm, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.C.S. Ramlal, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 september 2022.