Strafrecht overig
Niet-ontvankelijkheid van de vordering omdat de veroordeelde is vrijgesproken van het strafbare feit waar de…
Rechtbank Den Haag, 12 november 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:21743 · Rechtbank Den Haag · 12 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2025-21743
Zaakgegevens
Op 12 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 november 2025
- Datum publicatie
- 19 november 2025
- Zaaknummer
- 09/837012-20 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21743
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet-ontvankelijkheid van de vordering omdat de veroordeelde is vrijgesproken van het strafbare feit waar de ontnemingsberekening op ziet.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/837012-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 12 november 2025
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[de veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 november 2024 (regie) en 29 oktober 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. M.C. Stolk op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.S. van der Biezen op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2 De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 53.487,00 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3 De grondslag voor ontneming
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ligt in het eerste en tweede lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering, omdat de verdediging vrijspraak heeft verzocht van het strafbare feit waar de ontneming op gebaseerd is.
Oordeel van de rechtbank
De veroordeelde is in de strafzaak vrijgesproken van het strafbare feit waar de berekening van de ontneming op ziet. Daarmee is er geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
4 De beslissing
De rechtbank:
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter,
mr. E. Rabbie, rechter,
mr. J.G. Bruinsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2025.