Strafrecht overig

Mensenhandel - veroordeelde is veroordeeld voor (onder meer) het gedurende enige tijd dwingen tot prostitutie…

Rechtbank Den Haag, 20 maart 2025

Zaakgegevens

Op 20 maart 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
20 maart 2025
Datum publicatie
20 maart 2025
Zaaknummer
09/168084-24 (ontneming)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:4512
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mensenhandel - veroordeelde is veroordeeld voor (onder meer) het gedurende enige tijd dwingen tot prostitutie van een man samen met een ander. De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 4.500,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/168084-24 (ontneming)

Datum uitspraak: 20 maart 2025

De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:

[de veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] , [postcode] te ’ [woonplaats] ,

op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 6 maart 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. F.A. Kuipers op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman mr. C.J. Nierop op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2 De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 4.500,00 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

3 De grondslag voor ontneming

De veroordeelde is op 20 maart 2025 door deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld wegens het volgende strafbare feit:

mensenhandel terwijl de in artikel 273f, eerste lid, onder 1º, 4º, 6º en 9º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezen verklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

4 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij de vordering gepersisteerd.

De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 18 oktober 2024. De conclusie van dit proces-verbaal is, dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel tussen de € 4.500,00 en € 5.625,00 bedraagt.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom moet worden geschat op een bedrag van € 4.500,00.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 6 maart 2025 op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

4.3.

Bewijsmiddelen

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.

1. Het vandaag, 20 maart 2025 gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde. De in dit vonnis gebruikte bewijsvoering neemt de rechtbank hier over; deze is (voor de leesbaarheid) als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak.

2. Het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 18 oktober 2024 is opgemaakt.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening.

Op basis van de verklaringen van de aangever wordt ervan uitgegaan dat hij twintig tot 25 klanten heeft gehad. Uit de verklaring van aangever [aangever] , melder [melder] en getuige [getuige] blijkt dat zes klanten de volgende bedragen hebben betaald:

€ 700,00, € 220,00, € 250,00, € 300,00, € 150,00 en € 200,00 = totaal € 1.820,00. Gemiddeld bedraagt dit € 303,- per klant. Van veertien betalende klanten is niet vast komen te staan hoeveel geld zij betaald hebben. In deze berekening wordt ervan uitgegaan dat er gemiddeld € 300,- per klant is betaald. In het voordeel van de veroordeelde wordt uitgegaan van twintig klanten.

De totale opbrengsten met betrekking tot het sekswerk bedragen 20 x € 300,00 = € 6.000,00.

Aannemelijk is dat verdachte [de veroordeelde] 25% van de opbrengsten heeft betaald aan medeverdachte [medeverdachte] als tegenprestatie voor het maken van afspraken.

Het is aannemelijk dat verdachte [medeverdachte] € 1.500,00 (25% x € 6.000,00) heeft ontvangen.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt naar schatting € 4.500,00 (6.000-1.500).

Het is aannemelijk dat de verdachte [de veroordeelde] € 4.500,- voordeel heeft behaald afkomstig uit de sekswerkzaamheden van aangever [aangever] .

De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.

4.5.

Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 4.500,00.

5 De vaststelling van de betalingsverplichting

5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op hetzelfde bedrag als het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € 4.500,00.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vaststelling van de betalingsverplichting.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn die moeten leiden tot een andere betalingsverplichting dan hetgeen ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen vermogen onder 4.5. is vastgesteld.

5.4.

Conclusie vaststelling betalingsverplichting

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 4.500,00.

6 Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7 De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 4.500,00;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 4.500,00 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 90 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. S. van der Harg, rechter,

mr. J. Barensen, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. J.E. Stevers en Ö. Aydin, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2025.

Mr. J. Barensen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.