Strafrecht overig
Ontnemingsvordering afgewezen omdat de vordering is gegrond op ten laste gelegde feiten waarvan de verdachte…
Rechtbank Den Haag, 1 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:14634 · Rechtbank Den Haag · 1 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-14634
Zaakgegevens
Op 1 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 1 juni 2026
- Datum publicatie
- 2 juni 2026
- Zaaknummer
- 09/319319-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14634
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontnemingsvordering afgewezen omdat de vordering is gegrond op ten laste gelegde feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/319319-24 (ontneming)
Datum uitspraak: 1 juni 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de betrokkene:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie
mr. N.Y. Rose op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de betrokkene en haar raadsvrouw mr. Y.W.G. Verschuren op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2 De inhoud van de vordering
De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van
€ 11.542,50 en aan de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3 De grondslag voor ontneming
De ontnemingsvordering is gegrond op het in de strafzaak aan de betrokkene onder de feiten
1 en 2 tenlastegelegde, te weten het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] . De betrokkene wordt bij vonnis van heden in de strafzaak echter vrijgesproken van die feiten 1 en 2. Daarmee is er geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
4 De beslissing
De rechtbank:
wijst af de vordering van het openbaar ministerie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. S.E. Bandsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2026.