Strafrecht overig

Poging tot doodslag door onverhoeds en met kracht met een mes een stekende beweging naar het hoofd van de…

Rechtbank Den Haag, 19 juni 2026

Zaakgegevens

Op 19 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
19 juni 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
09/112505-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16964
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag door onverhoeds en met kracht met een mes een stekende beweging naar het hoofd van de aangever te maken. Geen noodweer en ook geen noodweerexces. Gedeeltelijke toewijzing vordering BP; eigen schuld bij de aangever. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstaf van 18 maanden met aftrek. Herleving van de voorlopige hechtenis.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/112505-25

Datum uitspraak: 19 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ( [land] ),

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. Graaf, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. T. Kocabas, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 april 2025 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, die [aangever] met een mes, althans een scherp voorwerp en/of puntig voorwerp in het hoofd heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 april 2025 te 's-Gravenhage aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een litteken in het gelaat, heeft toegebracht door die [aangever] met een mes, althans een scherp voorwerp en/of puntig voorwerp, in het gelaat, althans in het hoofd, te steken;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 april 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omcaan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] met een mes, althans een scherp voorwerp en/of puntig voorwerp in het hoofd heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

3.4.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bepleit omdat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, zou hebben gehad op de dood van [aangever] (hierna: de aangever). Daartoe is aangevoerd dat slechts sprake is geweest van één snelle armbeweging waarbij geen vitale lichaamsdelen zijn geraakt en het letsel oppervlakkig is gebleven.

Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte vol opzet had op de dood van de aangever. Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of bij de verdachte wel sprake was van voorwaardelijk opzet op dat gevolg.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van de aangever – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg door zijn handelen zal intreden. Bij de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarnaast geldt voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte met een mes met een lemmet van tien centimeter lang een stekende beweging heeft gemaakt naar het hoofd en de hals van de aangever en hem uiteindelijk in zijn wang heeft geraakt. Gelet op de beschrijving van de camerabeelden en hetgeen de aangever daarover heeft verklaard, is deze messteek onverhoeds en met kracht uitgevoerd. Dit laatste vindt naar het oordeel van de rechtbank bevestiging in het feit dat het lemmet van het mes na de messteek is afgebroken van het heft. Daarnaast heeft het voorgaande plaatsgehad in een dynamische situatie waarin zowel de verdachte als de aangever gelijktijdig in beweging waren. Naar algemene ervaringsregels geldt dat het in een dynamische situatie met een mes een onverhoedse en krachtige stekende beweging maken naar het hoofd en de hals van een ander een aanmerkelijke kans op de dood van die ander met zich brengt.

De handelswijze van de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvormen zozeer gericht op het veroorzaken van de dood van die ander, dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangever zou doden met zijn messteek. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. De verdachte heeft dus voorwaardelijk opzet gehad op het doden van de aangever.

De verweren worden verworpen. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 10 april 2025 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, die [aangever] met een mes in het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

4.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt, omdat op het moment van de messteek geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de beschrijving van de camerabeelden en hetgeen daarvan is getoond tijdens het onderzoek ter terechtzitting dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op het moment dat de verdachte de aangever stak met een mes. Ook was er op dat moment geen onmiddellijk dreigend gevaar daartoe. Uit het dossier blijkt weliswaar dat de verdachte meerdere keren door de aangever is geslagen en dat de aangever (ook) een mes bij zich had, maar daar staat tegenover dat de aangever na de conflictsituatie is weggelopen van de verdachte. De verdachte is vervolgens achter de aangever aangelopen, heeft hem aangesproken en na een conversatie zijn zij enige tijd gezamenlijk opgelopen. Pas dan heeft de verdachte het mes gepakt en de stekende beweging gemaakt. Onder die omstandigheden is van een noodweersituatie geen sprake. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is geweest van noodweerexces.

5.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Zoals hierboven al is overwogen, blijkt uit het dossier dat er voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit een conflictsituatie is ontstaan tussen de verdachte en de aangever. Daarbij heeft de aangever de verdachte meermalen geslagen en zelf ook een mes ter hand genomen.

Van (extensief) noodweerexces kan sprake zijn als er op het tijdstip van de verweten gedraging weliswaar geen noodzaak tot verdediging meer bestond, maar de gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgegane wederrechtelijke aanranding. Uit het wettelijk vereiste dat de gedraging het ‘onmiddellijk gevolg’ moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt op grond van vaste rechtspraak dat het aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’, kan mede van belang zijn het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling.

De hiervoor reeds uiteengezette gang van zaken, waarbij de verdachte ná de conflictsituatie achter de aangever aanloopt, strookt niet met de stelling dat er, op het moment van de verweten gedraging, sprake was van een hevige gemoedsbeweging die kan worden toegeschreven aan de daarvoor ontstane conflictsituatie. Ook anderszins vindt die stelling onvoldoende steun in het dossier.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier niet dat op enig moment sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte die heeft geleid tot de bewezen verklaarde gedraging. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.

Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat hij strafbaar is.

6. De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis niet op te heffen.

Ook heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er, anders dan door de advocaat van de aangever verzocht, geen aanleiding bestaat tot het opleggen van een locatie- en/of contactverbod, nu niet is gebleken dat de verdachte en de aangever sinds het feit nog enig contact met elkaar hebben gehad.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan de verdachte op te leggen een straf gelijk aan het voorarrest dan wel een geheel voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de aangever in grote mate zelf schuld heeft gehad aan het ontstaan van de confrontatie en dat dit in strafverminderende zin dient te worden meegewogen.

De raadsman heeft, indien aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest wordt opgelegd, verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door de aangever met een mes in zijn hoofd te steken. De verdachte heeft hier een wond in zijn wang aan overgehouden, waarvan het litteken nog altijd zichtbaar is. Het door de verdachte gepleegde geweld had tot een fatale afloop kunnen leiden. Nog afgezien van de gevolgen voor de aangever, draagt dergelijk geweld, zeker als het midden op straat wordt gepleegd, bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Op een dergelijk ernstig feit kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden gereageerd met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt er in strafmatigende zin rekening mee dat de aangever een aandeel heeft gehad in het doen ontstaan van de conflictsituatie tussen hem en de verdachte door voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit de verdachte meermalen te slaan en ook zelf een mes ter hand te nemen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 3 juni 2026. Hieruit volgt dat de verdachte zijn schorsingsvoorwaarden is nagekomen, maar dat het reclasseringstoezicht beperkt effect heeft gehad vanwege een gebrek aan volledige motivatie bij de verdachte. Ook de taalbarrière speelde hierbij een rol. De reclassering adviseert om, bij veroordeling, de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

De op te leggen straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank ziet, gelet op het advies van de reclassering, geen aanleiding tot het opleggen van reclasseringstoezicht in de vorm van bijzondere voorwaarden gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 18 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Hierbij heeft de rechtbank gekeken naar wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. Daarom valt de straf lager uit dan de eis van de officier van justitie.

Bij de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de rechtbank bepaald dat de schorsing voortduurt tot het moment dat in deze zaak einduitspraak wordt gedaan. Dat is vandaag. Dit betekent dat de schorsing vandaag van rechtswege is geëindigd. De rechtbank wijst het verzoek om de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen af. Een hernieuwde belangenafweging maakt namelijk dat het strafvorderlijk belang zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van de verdachte.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het opleggen van een contact- en/of locatieverbod, nu niet is gebleken dat de verdachte en de aangever nog contact met elkaar hebben gehad sinds het bewezen verklaarde feit.

7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.238,24, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 50,24 aan materiële schade en € 4.188,00 aan immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman primair de niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daartoe is aangevoerd dat een definitieve medische beoordeling van het litteken ontbreekt en dat er onduidelijkheid bestaat over de medeschuld van de benadeelde partij. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag substantieel dient te worden gematigd. Daartoe is aangevoerd dat er in dit geval sprake is van eigen schuld van minstens vijftig procent en dat er geen psychische klachten zijn gesteld of onderbouwd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Het bewezen verklaarde feit is aan te merken als een onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De verdachte is daarom verplicht om de schade te vergoeden die de benadeelde partij door dit feit heeft geleden.

Materiële schade

De gevorderde materiële schade is voldoende onderbouwd en niet weersproken. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 50,24 aan materiële schade toewijzen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezen verklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen. Op grond van artikel 6:106 BW komt de benadeelde partij daarom in aanmerking voor een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade.

Anders dan door de verdediging aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering geen onevenredige belasting van het strafproces met zich brengt. De vordering van de benadeelde partij is duidelijk opgesteld en onderbouwd. Voorts is het leerstuk van de eigen schuld in dit geval niet zodanig complex dat de rechtbank, op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en de door partijen over en weer ingenomen standpunten, niet in de beoordeling daarvan zou kunnen treden.

Bij het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding kijkt de rechtbank naar alle omstandigheden van het geval, bezien tegen de achtergrond van soortgelijke gevallen. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van – in beginsel – € 3.000,-.

De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat er sprake is geweest van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij. Gelet op wat ten aanzien van de eigen schuld van de benadeelde partij bij de strafmotivering reeds is overwogen, stelt de rechtbank de eigen schuld vast op één derde deel. Dit betekent dat een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.050,24, bestaande uit € 50,24 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het primair bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.050,24, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

poging tot doodslag;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden eindigt;

wijst af het verzoek tot hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.050,24 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;

wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.050,24, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 april 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Pereth, voorzitter,

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,

mr. J.Y. van Gameren, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. N.T.G. Levelt en R.J. Groeneveld, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2026.