Strafrecht overig

Ontnemingsvordering. Wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 13.519,00. Betalingsverplichting…

Rechtbank Den Haag, 17 juni 2026

Zaakgegevens

Op 17 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
17 juni 2026
Datum publicatie
21 juli 2026
Zaaknummer
09.045905.22
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:20287
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontnemingsvordering. Wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 13.519,00. Betalingsverplichting vastgesteld op € 12.843,05 in verband met overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/045905-22 (ontneming)

Datum uitspraak: 17 juni 2026

De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 mei 2026 (inhoudelijk).

Er heeft een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden met een conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsvrouw van de veroordeelde. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. F. de Vries op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsvrouw mr. F. Tosun op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2 De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 82.793,98 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3 De grondslag voor ontneming

De veroordeelde is op 13 oktober 2025 door het Gerechtshof Den Haag, voor zover van belang, veroordeeld wegens het volgende strafbare feit:

- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezen verklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

4 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting gewijzigd in die zin, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 35.529,32.

De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 6 juli 2023.

De conclusie van dit rapport is, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 82.793,98 bedraagt. Hierbij is uitgegaan van een pondspondsgewijze verdeling van het totale voordeel van € 165.587,96 tussen de veroordeelde en medeverdachte [medeverdachte] . Daarnaast is in dit rapport uitgegaan van zes oogsten.

De officier van justitie komt op een ander bedrag uit dan het rapport, omdat zij bij de berekening niet langer uitgaat van een pondspondsgewijze verdeling met een medeverdachte. Daarnaast gaat zij vanwege een kortere pleegperiode uit van twee oogsten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom moet worden geschat op een bedrag van € 35.529,32.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat en dat bij de berekening moet worden uitgegaan van primair één oogst, subsidiair twee oogsten en van 256 in plaats van 377 (hennep)planten.

Bij het subsidiaire standpunt dient het wederrechtelijk verkregen voordeel volgens de verdediging als volgt te worden geschat. Bij één oogst en 256 planten resteert volgens de verdediging geen wederrechtelijk verkregen voordeel omdat de opbrengst die met één oogst is verkregen, minder is dan het totaal aan kosten per oogst, het bedrag dat de veroordeelde aan een medeveroordeelde ( [medeveroordeelde] ) heeft betaald en het bedrag dat aan huur is betaald. Indien wordt uitgegaan van twee oogsten en 256 planten dient volgens de verdediging te worden uitgekomen op een geschat bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 7.019,00.

4.3.

Bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal in het onderzoek IGNIS met het nummer DH4R022007, van de districtsrecherche Zoetermeer-Leidschendam/Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 3001) dan wel een hierna afzonderlijk genoemd proces-verbaal. De inhoud hiervan is steeds verkort en zakelijk weergegeven.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.

1. Het in de strafzaak tegen de veroordeelde op 26 juni 2024 gewezen vonnis van deze rechtbank.

Het aantal plantjes bedroeg 256 (proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, opgemaakt op 23 maart 2022, p. 291 1-2918).

De huurprijs van het pand waarin de hennepkwekerij gevestigd was bedroeg € 1.000,00 per maand (proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde] , opgemaakt op 23 maart 2022, p. 628-643).

2. Het in de strafzaak tegen de veroordeelde op 13 oktober 2025 gewezen arrest van het gerechtshof Den Haag.

De bewezenverklaarde pleegperiode is 1 september 2021 tot en met 22 maart 2022.

3. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 6 juli 2023 is opgemaakt.

Er zijn kosten gemaakt van € 26.000,00 voor de hulp van [medeveroordeelde] (proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde] , opgemaakt op 23 maart 2022, p. 628-643).


De groeicyclus was gemiddeld 10 weken. Dit volgt uit de standaardberekening van het Functioneel Parket Afpakken.

De opbrengst van een hennepplant bedraagt 28,2 gram per plant en de kiloprijs bedraagt € 4.070,00. Dit blijkt uit de standaard berekening en normen van het Functioneel Parket Afpakken.

Per oogst wordt uitgegaan van € 250,00 aan eenmalige afschrijvingskosten, een inkoopprijs van € 3,81 per hennepstekje en € 3,88 aan overige variabele kosten per hennepplant.

Er wordt uitgegaan van 600 Watt assimilatielampen omdat deze bij een andere hennepkwekerij in de [adres 2] te Den Haag zijn aangetroffen (proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming p. 344 - 357).

Er is één assimilatielamp per acht hennepplanten nodig om deze goed te laten groeien. De rechtbank trekt hieruit de gevolgtrekking dat er 32 lampen nodig waren voor 256 plantjes.

Per oogst per lamp wordt gerekend met kosten van € 122,00.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening.

De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.

Opbrengsten

Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het rapport berekend over de periode van 1 januari 2020 tot en met 21 maart 2022 en daarbij is uitgegaan van zes oogsten.

De rechtbank ziet overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie aanleiding om de ontneming te beperken tot de periode tussen 1 september 2021 tot en met 21 maart 2022. Dat is de periode waarin zich het in het vonnis bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden.

Deze periode bedraagt 29 weken, zodat uitgaande van een groeicyclus van 10 weken er naar het oordeel van de rechtbank twee oogsten hebben plaatsgevonden. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de verdediging dat er geen eerdere oogst is geweest. Nu de volledige periode bewezenverklaard is, geldt als uitgangpunt dat in de gehele periode een hennepkwekerij actief is geweest. Het enkele feit dat de politie geen sporen heeft aangetroffen of omstandigheden heeft geverbaliseerd die duiden op een eerdere oogst, maakt dat uitgangspunt niet anders. Daaruit volgt immers niet dat iets niet heeft plaatsgevonden.

In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van 377 plantjes.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat uitgegaan moet worden van 256 plantjes. Dit is namelijk het aantal dat blijkens het proces-verbaal is aangetroffen op de locatie.

Uit het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel volgt een opbrengst van een hennepplant van 28,2 gram per plant en een prijs van € 4.070,00 per kilo hennep. Tegen deze uitgangspunten is geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank deze uitgangspunten overneemt.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank de opbrengsten schat op € 58.764,28. Dit bedrag is als volgt berekend: twee oogsten van 256 plantjes maal 28,2 gram per plant maal € 4.070,00 per kilo hennep.

Kosten

In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel zijn de volgende kosten als uitgangspunt genomen bij de berekening:

  • Eenmalige afschrijvingskosten van € 250,- per oogst;

  • inkoopkosten van € 3,81 per stek per oogst;

  • variabele kosten van € 3,88 per plantje per oogst;

  • verlichtingskosten van € 122,00 per lamp per oogst.

Tegen deze uitgangspunten is geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank deze uitgangspunten overneemt.

Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat er twee oogsten hebben plaatsgevonden, zodat de totale afschrijvingskosten € 500,00 bedragen.

Uitgaande van 256 planten en twee oogsten, bedragen de inkoopkosten € 1.950,72 en bedragen de variabele kosten € 1.986,56.

Bij de vaststelling van de verlichtingskosten stelt de rechtbank vast dat er voor het verlichten van 256 planten 32 lampen per oogst nodig zijn geweest. De kosten van die lampen worden geschat op € 122,00 per lamp, dus € 3.904 per oogst. Uitgaande van twee oogsten maakt dat € 7.808,00 in totaal.

De pleegperiode van 29 weken komt overeen met zes maanden en 22 dagen. De rechtbank acht het daarom redelijk om de huur van € 1.000,- per maand gedurende zeven maanden mee te nemen in de door de veroordeelde gemaakte kosten. Derhalve een totaal van € 7.000,00.

De totale kosten schat de rechtbank op grond van het voorgaande op € 19.245,28. Dit bedrag is de optelsom van onderstaande posten:

Afschrijvingskosten: € 500,00;

Inkoopkosten: € 1.950,72;

Variabele kosten: € 1.986,56;

Verlichtingskosten: € 7.808,00;

Huur: € 7.000,00.

Betaling aan [medeveroordeelde]

Overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en de verdediging zal de rechtbank tot slot in het voordeel van de veroordeelde de betaling aan [medeveroordeelde] van € 26.000,00 in mindering brengen op de opbrengsten.

4.5.

Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 13.519,00. Dit bedrag betreft de opbrengsten van € 58.764,28, minus de kosten van € 19.245,28 en de betaling aan [medeveroordeelde] van € 26.000,00.

5 De vaststelling van de betalingsverplichting

5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het door haar geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk 5% lager, omdat rekening moet worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het door haar geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk 10% lager, omdat rekening moet worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Redelijke termijn

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een korting van 5% op de betalingsverplichting van de veroordeelde passend is, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank stelt voorop dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

In deze ontnemingszaak gaat de rechtbank uit van een aanvang van de redelijke termijn op 23 april 2024, de dag waarop de ontnemingsvordering door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag aanhangig is gemaakt. De rechtbank wijst vonnis op 17 juni 2026, ruim twee jaar na aanvang van de redelijke termijn.

Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn met beperkte duur is overschreden en dat deze overschrijding matiging van het ontnemingsbedrag tot gevolg moet hebben. Gelijk aan het standpunt van de officier van justitie, zal de rechtbank op het hiervoor vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel een correctie toepassen van 5% ter hoogte van € 675,95. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op de vast te stellen betalingsverplichting.

5.4.

Conclusie vaststelling betalingsverplichting

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 12.843,05. Dit bedrag betreft het geschatte wederechtelijk verkregen voordeel minus € 675,95 vanwege overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e lid 11 Sr. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 100,00.

Gelet op de vastgestelde betalingsverplichting van € 12.843,05, zal de rechtbank de duur van de gijzeling vaststellen op 128 dagen.

6 Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7. De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 13.519,00 (zegge: dertienduizend vijfhonderdnegentien euro);

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 12.843,05 (zegge: twaalfduizend achthonderddrieënveertig euro en vijf cent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 128 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.G. Bruinsma, voorzitter,

mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,

mr. J.L.E. Bakels, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en V.J.J. van Mierlo, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.