Strafrecht overig

Drugs via postorder. Uitvoer (designer)drugs. Gevangenisstraf vijf jaar. Professioneel opgezette verzending…

Rechtbank Den Haag, 31 juli 2026

Zaakgegevens

Op 31 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
31 juli 2026
Datum publicatie
31 juli 2026
Zaaknummer
09/037345-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21404
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Drugs via postorder. Uitvoer (designer)drugs. Gevangenisstraf vijf jaar. Professioneel opgezette verzending per post naar buitenland. Leidende rol verdachte. Geen oprechte openheid van zaken. Straf hoger dan eis.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/037345-26

Datum uitspraak: 31 juli 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 mei 2026 (pro forma) en 17 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.C. Neelis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J.Y. Taekema, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, na nadere omschrijving van de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 juli 2026. De tekst van de aangepaste tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer LXFBC25024/26CAMPANIA, van de politie eenheid Landelijke Expertise en Operaties, Domein Nationale Infra, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 658).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feiten 1 en 2:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 17 juli 2026;

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 september 2025 (p. 31-32);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 september 2025 (p. 43-46);

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 oktober 2025 (p. 56-58);

5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 september 2025 (p. 69-71);

6. Het geschrift, te weten een rapport van Douane Laboratorium, opgemaakt op 17 september 2025 (p. 73-74);

7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 november 2025 (p. 75-76);

8. Het proces-verbaal van verstrekking gevorderde identificerende gegevens, opgemaakt op 28 oktober 2025, met bijlage (p. 77-84);

9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 november 2025 (p. 111-112);

10. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 november 2025 (p. 85-88);

11. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 februari 2026 (p. 89);

12. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 november 2025 (p. 113-114);

13. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 februari 2026 (p. 115-116);

14. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 november 2025 (p. 90-96);

15. Het geschrift, te weten een rapport van Douane Laboratorium, opgemaakt op 11 december 2025 (p. 108-110);

16. Het proces-verbaal van bevinding en overdracht, opgemaakt op 8 november 2025 (p. 117);

17. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 januari 2026 (p. 138-139);

18. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 december 2025 (p. 125-127);

19. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 januari 2026 (p. 145-148);

20. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 september 2025 (p. 54-55);

21. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 februari 2026 (p. 128-132);

22. Het geschrift, te weten een rapport van Douane Laboratorium, opgemaakt op 2 februari 2026 (p. 135-137).

Ten aanzien van feiten 3 en 4:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 17 juli 2026;

2. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt op 4 februari 2026 (p. 242, 244-248);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 februari 2026 (p. 163-164);

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 februari 2026 (p. 430-433);

5. Het geschrift, te weten een rapport van Douane Laboratorium, opgemaakt op 21 mei 2026 (p. 647-648);

6. Het geschrift, te weten een rapport van Douane Laboratorium, opgemaakt op 26 mei 2026 (p. 650-652);

7. Het geschrift, te weten een rapport van Douane Laboratorium, opgemaakt op 26 mei 2026 (p. 654-656);

8. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt op 4 februari 2026 (p. 225-227);

9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 april 2026 (p. 428-429);

10. Het geschrift, te weten een rapport van Douane Laboratorium, opgemaakt op 13 mei 2026 (p. 466-467).

3.2.

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 september 2025 tot en met 2 februari 2026 te 's-Gravenhage en/of Alphen aan den Rijn en/of Leiden en/of Rijswijk telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht
- in totaal ongeveer 64,41 gram 3-CMC, en
- in totaal 104,14 gram 4-MMC (mefedron), en
- in totaal ongeveer 5,85 gram amfetamine, zijnde 3-CMC, 4-MMC en amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 september 2025 tot en met 2 februari 2026 te ’s-Gravenhage en/of Pijnacker en/of Alphen aan den Rijn en/of De Lier en/of Leiden en/of Rijswijk en/of Naaldwijk, in elk geval in Nederland, telkens, meermalen opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep (fenethylamines) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten
- in totaal ongeveer 473,06 gram 2-MMC, en
- in totaal ongeveer 33,86 gram 2-CMC, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht;

3

hij op 3 februari 2026 in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal ongeveer 12.822,92 gram, 305 zegels en ongeveer 50,14 gram, waarvan:

- 6911,65 gram 3-CMC en

- ongeveer 1829,95 gram 4-MMC en/of 4-CMC, en

- ongeveer 1429,53 MDMA (in de loods) en 50,14 gram MDMA (in de woning), en

- ongeveer 1168,63 gram 4-FA, en

- 691,01 gram ALFA-PVP, en

- 262,82 gram en 5 zegels amfetamine, en

- 207,14 gram pentedrone, en

- 188,68 gram 4,4’-DMAR, en

- 133,51 gram 3-MMC, en

- 300 zegels LSD,

zijnde 3-CMC, 4-MMC, 4-CMC, MDMA, 4-FA, ALFA-PVP, amfetamine, pentedrone, 4,4’-DMAR, 3-MMC en LSD, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4

hij op 3 februari 2026 te Zoetermeer opzettelijk substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten in totaal 5373 gram waarvan:

- ongeveer 2300,41 gram 2-MMC en/of n-ethylpentedrone, en

- 1546,88 gram 2-CMC, en

- 558,98 gram N-isopropyl-butylone, en

- 459,53 gram JWH-122, en

- 197,97 gram n-ethylpentylone,

- 164,99 gram 4-methyl-N N-dimethylcathinon, en

- 84,18 gram 4-EMC, en

- 64,39 gram MDPHP,

aanwezig heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna vijf maanden schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van harddrugs en andere verdovende middelen die op lijst IA van de Opiumwet staan, zogenoemde designerdrugs. Bij diverse pakketpunten bracht hij steeds stapels pakketjes weg waar verdovende middelen in zaten. Toen de verdachte werd aangehouden in een loods werden in die loods vervolgens grote hoeveelheden van diezelfde verdovende middelen aangetroffen. De verdachte heeft met deze gedragingen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele circuit voor de internationale handel in verdovende middelen. Het is algemeen bekend dat harddrugs en designerdrugs ernstige schade kunnen toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. De grootschalige (internationale) handel in verdovende middelen heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving en levert risico’s op voor de openbare orde en de maatschappelijke veiligheid. De handel in verdovende middelen gaat vaak gepaard met grote financiële belangen en bij het beschermen van die belangen wordt (extreem) geweld dikwijls niet geschuwd. De verdachte heeft met zijn gedrag kennelijk slechts zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad en zich daarbij niets aangetrokken van de schadelijke effecten voor de maatschappij.

De rechtbank gaat op basis van het dossier ervan uit dat de verdachte, anders dan hij zelf wil doen voorkomen, een belangrijke en leidende rol had ten aanzien van de uitvoer van de verdovende middelen en daarbij professioneel te werk ging. De loods was professioneel ingericht en vanuit daar kon een stroom aan pakketjes met verdovende middelen worden verzonden naar het buitenland. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan. De lezing waarin hij min of meer een katvanger was, is op geen enkele wijze onderbouwd. Integendeel: de huurovereenkomst voor de loods waar de pakketjes werden voorbereid stond juist niet op zijn naam. De rechtbank heeft, mede gelet op zijn ongeloofwaardige verhaal over de aanloop naar dit alles en een houding op zitting waarbij verontschuldigend bedoelde details nog helder voor ogen leken te staan, maar andere vragen niet te beantwoorden waren, omdat het al weer een tijd geleden zou zijn, niet de indruk gekregen dat de verdachte oprecht openheid van zaken wilde geven. De verdachte heeft evenmin getoond daadwerkelijk de laakbaarheid van zijn handelen in te zien. Daarin is dan ook geen grond voor een matiging van de straf.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 april 2026, waaruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.

De op te leggen straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht, alles afwegende, na te melden straf passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank komt daarmee tot een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist, omdat de eis onvoldoende recht doet aan het professionele en berekenende karakter en de omvang van de bewezenverklaarde feiten.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7 De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen van 26 maart 2026 de onder 5, 11 en 12 genoemde voorwerpen, te weten de zwarte Samsung telefoon en geldbedragen van € 700,- en € 6.000,-, zullen worden verbeurdverklaard en dat de onder 6, 8, 9 en 10 genoemde voorwerpen, te weten de zwarte en witte iPhone en twee datadragers, zullen worden teruggegeven aan de verdachte. De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het onder 7 genoemde voorwerp, te weten de Acer laptop.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen de onder 6, 8, 9, 10, 11 en 12 genoemde voorwerpen moeten worden teruggeven aan de verdachte. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de onder 5 en 7 genoemde voorwerpen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 5, 7, 11 en 12 genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze zwarte Samsung telefoon, Acer laptop en de twee geldbedragen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze aan de verdachte toebehoren en met behulp van de zwarte Samsung telefoon en Acer laptop de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn begaan en de geldbedragen door middel van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 6, 8, 9 en 10 genoemde voorwerpen, te weten de zwarte en witte iPhone en de twee datadragers.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 2 a, 10 en 10b van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijsten I en IA.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met een onder artikel 2a, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met het onder artikel 2a, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de inbeslaggenomen goederen;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 5, 7, 11 en 12 genoemde voorwerpen, te weten:

5. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL2600-LXFBC25024_882401, Zwart, merk: Samsung)
7. 1 STK Computer (Omschrijving: laptop met lader: PL2600-LXFBC25024_882403, Acer)
11. 700,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL2600-LXFBC25024_882608)
12. 6.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL2600-LXFBC25024_882609);

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 6, 8, 9 en 10 genoemde voorwerpen, te weten:

6. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL2600-LXFBC25024_882402, Zwart, merk: IPhone)
8. 1 STK Datadrager (Omschrijving: PL2600-LXFBC25024_882473, Ellipal Titan)
9. 1 STK Datadrager (Omschrijving: PL2600-LXFBC25024_882474, Ellipal Seed Phrase)
10.1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL2600-LXFBC25024_882600, Wit, merk: Apple).

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Bouman, voorzitter,

mr. G.H.M. Smelt, rechter,

mr. T.A.B. Mentink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2026.