Strafrecht overig
Veroordeling voor het medeplegen van de handel in lachgas en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid…
Rechtbank Den Haag, 3 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21410 · Rechtbank Den Haag · 3 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21410
Zaakgegevens
Op 3 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2026
- Datum publicatie
- 31 juli 2026
- Zaaknummer
- 09-106349-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21410
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor het medeplegen van de handel in lachgas en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid lachgas, te weten 330 kilogram. Vrijspraak voor het medeplegen van de invoer van lachgas. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Verbeurdverklaring van de op de beslaglijst genoemde geldbedragen. Vordering maatregel kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet afgewezen, omdat de kosten niet behoorlijk onderbouwd zijn.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/106349-26
Datum uitspraak: 3 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
verblijfsadres: [verblijfsadres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.A. Kamphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. H. Weisfelt, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 6 februari 2026 tot en met 9 april 2026 te 's-Gravenhage en/of Nootdorp althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 9 april 2026 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, in elk
geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 330 kilogram, in elk
geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende distikstofmonoxide (lachgas),
zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij in of omstreeks de periode van 27 februari 2026 tot en met 6 maart 2026, te Siebengewald (L) althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), in elk geval een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Vrijspraak ten aanzien van feit 3
Met de verdediging en anders dan de officier van justitie komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het tezamen en in vereniging invoeren van lachgas in de periode van 27 februari 2026 tot en met 6 maart 2026. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan immers niet worden vastgesteld dat de verdachte zelf lachgasflessen Nederland heeft ingevoerd. Naast het enkele feit dat de bij de verdachte aangetroffen lachgasflessen uit Duitsland afkomstig zijn, bevat het dossier geen bewijsmiddelen waaruit enige betrokkenheid bij de daadwerkelijke invoer kan volgen. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook van feit 3 vrij.
Gebruikte bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026055239, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 185).
Ten aanzien van feit 1:
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 20 juli 2026, voor zover inhoudende:
Ik kwam in februari 2026 een oude vriend tegen. Hij vroeg of ik wat extra’s wilde verdienen. Hij zei dat als ik hem af en toe zou helpen hij mij daar wat voor zou geven. Zodoende ging ik daarmee akkoord. Met die 330 kilogram lachgas ben ik ook aangehouden. Het klopt dat ik op 9 april 2026 in de parkeergarage op de Markt 50 in Nootdorp was waar die Ford Transit stond en waar het lachgas van het ene naar het andere voertuig werd overgedragen. Ik wist dat het lachgas was. U, voorzitter, vraagt mij hoe het zit met die handel in lachgas in de periode van 6 februari 2026 tot en met 9 april 2026. Ik kreeg gewoon een belletje met de vraag of ik even kon helpen en dan ging ik naar die plek toe. Vervolgens kwam daar iemand naartoe en ik pakte de auto van die persoon en dan reed ik naar de plek. Het waren verschillende auto’s waarin ik reed. Ik reed dan met die auto naar een parkeergarage in Den Haag of in Nootdorp. Ik laadde de lachgasflessen over vanuit een voorraadbusje naar een auto. De sleutel lag altijd op de band. Na afloop gaf ik die autosleutel terug aan de persoon die naar de parkeergarage kwam en die andere persoon reed dan weer met die auto weg. U vraagt mij of ik mij in de periode van 6 februari 2026 tot en met 9 april 2026 bezig heb gehouden met handel in lachgas, in ieder geval dat uitladen van die lachgascilinders. Dat zou wel kunnen. Ik ben ook op de Westvlietweg geweest bij die loods waar ook lachgascilinders zijn aangetroffen. Ik kwam daar om die mensen te helpen. U, voorzitter, houdt mij voor dat meneer [naam] er ook bij was in Nootdorp. Hij reed met mij mee. Wij zijn ook samen aangehouden in die parkeergarage.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 februari 2026, integraal (p. 17-22);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 februari 2026, integraal (p. 25-26);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 februari 2026, integraal (p. 31-32);
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 februari 2026, integraal (p. 36-39);
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 februari 2026, integraal (p. 40-44);
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 maart 2026, integraal (p. 48-50);
8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 maart 2026, integraal (p. 70-71);
9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 april 2026, integraal (p. 73-77);
10. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 9 april 2026, integraal (p. 104-107):
11. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 mei 2026, integraal (p. 157-184);
12. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 mei 2026, integraal (p. 185).
Ten aanzien van feit 2:
De rechtbank zal voor feit 2 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
13. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 20 juli 2026;
14. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 9 april 2026 (p. 104-105).
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van 6 februari 2026 tot en met 9 april 2026 te 's-Gravenhage en/of Nootdorp tezamen en in vereniging met anderen in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2
hij op 9 april 2026 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk aanwezig heeft gehad 330 kilogram van een materiaal bevattende distikstofmonoxide (lachgas), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte de maatregel kostenverhaal, zoals bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet, op te leggen voor een bedrag van € 4.125,-, met de daarbij behorende gijzeling indien de verdachte dit bedrag niet dan wel niet tijdig betaalt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte primair verzocht tot opheffing van de voorlopige hechtenis, nu de verdachte te lang in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht gelet op de straffen die doorgaans in vergelijkbare gevallen voor dit soort feiten worden opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen onder voorwaarden. De raadsman verzoekt aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest met daarbij een klein voorwaardelijk deel. De raadsman verzoekt de rechtbank in ieder geval een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende enkele maanden schuldig gemaakt aan het medeplegen van de handel in lachgas. Ook heeft de verdachte op 9 april 2026 een grote hoeveelheid, te weten 330 kilogram lachgas, aanwezig gehad. Het wordt steeds bekender hoe schadelijk het gebruik van lachgas werkelijk is. Langdurig gebruik kan grote schade veroorzaken aan de longen. Daarnaast leidt het gebruik van lachgas tot milieuschade, doordat gebruikers ervan de lege cilinders regelmatig achterlaten op straat of in de natuur. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen veelal gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. Om deze redenen staat lachgas sinds 1 januari 2023 op lijst II van de Opiumwet, waardoor onder andere het bezit en vervoer ervan strafbaar is. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze problematiek. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet eerder is veroordeeld voor Opiumwetfeiten. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het siert de verdachte dat hij ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven.
De straf
De rechtbank heeft gekeken naar de straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare gevallen. Verder neemt zij een aantal strafverzwarende omstandigheden in aanmerking. Zo acht de rechtbank strafverhogend dat de bewezen verklaarde handel in lachgas in vereniging is gepleegd en in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Ook de grote hoeveelheid lachgas en de periode waarin de verdachte zich bezig heeft gehouden met de handel in lachgas, te weten ruim twee maanden, neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegend, een gevangenisstraf van achttien maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten zes maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Deze proeftijd acht de rechtbank nodig, omdat het gemak waarmee de verdachte zich voor geld bereid toonde strafbare feiten te plegen, doet vrezen voor herhalingsgevaar van langere duur.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank ziet geen aanleiding om het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De gronden die tot dat bevel hebben geleid, zijn nog altijd aanwezig. De rechtbank zal ook niet de voorlopige hechtenis schorsen, omdat de rechtbank van oordeel is dat het strafvorderlijk belang van het voorkomen van recidive zwaarder weegt dan het belang van de verdachte om een eventueel hoger beroep in vrijheid af te wachten.
Maatregel kostenverhaal
Op 1 juli 2022 is artikel 13d van de Opiumwet in werking getreden en van toepassing op strafbare feiten die na de inwerkingtredingsdatum zijn gepleegd. Deze bepaling ziet op de ‘maatregel kostenverhaal’ en maakt het onder de daar vermelde voorwaarden mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen, die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat de kosten van de vernietiging van de lachgascilinders in beginsel op de verdachte kunnen worden verhaald. Anders draait de politie en in bredere zin de samenleving op voor de hoge kosten van het vernietigen van een zeer groot aantal lachgasflessen. De omvang van de kosten van vernietiging en daarmee van de op te leggen maatregel dienen echter wel - in algemene zin - behoorlijk en transparant te worden onderbouwd (vgl. de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2019-20, 35 564, nr. 3, p. 19-20).
De officier van justitie heeft de vordering maatregel kostenverhaal van € 4.125,- gebaseerd op de algemene formulering, zoals in het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2026 (met BVH-nummer [nummer] ) is vermeld. De rechtbank is van oordeel dat niet aan de vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. In het dossier zit geen rapport maatregel kostenverhaal en/of een factuur voor het vernietigen van de lachgasflessen opgenomen. Hoewel het voornoemde proces-verbaal van bevindingen een indicatie geeft van de gemaakte dan wel te maken kosten, is de rechtbank - gelet op het ontbreken van de genoemde onderbouwing - van oordeel dat de omvang van de kosten van vernietiging en daarmee van de op te leggen maatregel niet behoorlijk en onvoldoende transparant zijn onderbouwd. De maatregel kostenverhaal zal daarom niet worden opgelegd.
7 De in beslag genomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage I aan dit vonnis is gehecht), namelijk de onder 1 en 2 genoemde geldbedragen, zullen worden verbeurd verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, ingeval de rechtbank overgaat tot de oplegging van de maatregel kostenverhaal, tot de teruggave van de in beslag genomen geldbedragen aan de verdachte, zodat daarmee de maatregel kostenverhaal kan worden gecompenseerd. Indien de rechtbank zowel de maatregel kostenverhaal oplegt en daarnaast tot verbeurdverklaring van de in beslag genomen geldbedragen overgaat, zal het voor de verdachte na zijn detentie des te moeilijk zijn om zijn leven weer op de rit te krijgen, nu hij dan meteen begint met een aanzienlijke schuld. De raadsman verzoekt de rechtbank daarmee rekening te houden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten de geldbedragen van respectievelijk € 390,- en € 4.540,- verbeurd verklaren.
Met betrekking tot het geldbedrag van € 390,- overweegt de rechtbank dat, gelet op de bewezenverklaring van de handel in lachgas en het feit dat dit geldbedrag ten tijde van de aanhouding van de verdachte in zijn schoudertas is aangetroffen, de rechtbank ervan uit gaat dat dit geldbedrag aan de verdachte toebehoorde en uit baten van voornoemd bewezen verklaarde strafbare feit is verkregen.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 4.540,- overweegt de rechtbank dat dit geldbedrag is aangetroffen in de woning waarin de verdachte verbleef in de periode waarin hij zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in lachgas en dat de hoofdbewoonster afstand heeft gedaan van dit geldbedrag. Met het oog daarop gaat de rechtbank ervan uit dat dit geldbedrag toebehoorde aan de verdachte en dat dit geldbedrag eveneens uit baten van de handel in lachgas is verkregen. Dit geldbedrag is dan ook vatbaar voor verbeurdverklaring.
De rechtbank heeft rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
8 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen (bijkomende) straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3, 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 (drie) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
wijst af de verzoeken tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten:
€ 390,- en € 4.540,-.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,
mr. R.P. van der Weide, rechter,
mr. T. Ketelaars, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. E. Assies en E. Özsoy, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2026.