Strafrecht overig

Veroordeling voor zware mishandeling door (kokend) heet water over slachtoffer heen te gooien. Overwegingen…

Rechtbank Den Haag, 6 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
09/089781-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21982
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor zware mishandeling door (kokend) heet water over slachtoffer heen te gooien. Overwegingen over ondervragingsrecht en gebruik getuigenverklaring voor het bewijs. Overwegingen over zwaar lichamelijk letsel. Gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met proeftijd 2 jaar en bijzondere voorwaarden. Geen DUT en geen contactverbod op grond van artikel 38v Sr. Toewijzen vordering benadeelde partij

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/089781-26

Datum uitspraak: 6 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] (Polen),

verblijfsadres zoals opgegeven ter terechtzitting: [adres 1]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E.J. Huisman, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.M.E. van Oosterbosch, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 maart 2026 te 's-Gravenhage aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door (kokend) heet water tegen/over het lichaam van die [slachtoffer] te gooien;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 maart 2026 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,(kokend) heet water in het gezicht en/of tegen/over het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

3.3.

Overwegingen van de rechtbank

Het gebruik van de verklaring van [getuige] voor het bewijs

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting, overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities, op het standpunt gesteld dat sprake is van een schending van het ondervragingsrecht en daarmee van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hiertoe is, samengevat, aangevoerd dat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gekregen de getuige [getuige] te horen, terwijl hij een belastende verklaring heeft afgelegd. Niet kan worden vastgesteld dat alle redelijkerwijs te verlangen inspanningen zijn verricht om de getuige te horen. Verder zou een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate steunen op de verklaring van de getuige [getuige] en ook is geen sprake van compenserende factoren, omdat de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige op geen enkele andere manier kan worden getoetst. De verklaring van de getuige kan dan ook niet voor het bewijs worden gebruikt. De raadsvrouw heeft het verzoek de getuige [getuige] te horen uitdrukkelijk gehandhaafd, in het geval de rechtbank zijn verklaring wel voor het bewijs wenst te gebruiken.

De rechtbank constateert dat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad om de getuige [getuige] te horen en te ondervragen. Niettemin is dat naar oordeel van de rechtbank geen reden deze verklaring voor het bewijs buiten beschouwing te laten. Voor het niet horen van deze getuige bestond ten eerste een goede reden: hij was niet vindbaar. Ten tweede heeft de rechtbank de verklaring van [getuige] in een bewijsconstructie betrokken die voornamelijk andere redengevende bewijsmiddelen bevat. De verklaring van [getuige] vormt naar het oordeel van de rechtbank niet het enige of beslissende bewijsmiddel. Tot slot heeft de rechtbank meegewogen dat er compenserende factoren zijn voor het uitblijven van de ondervragingsmogelijkheid. De verdediging heeft immers de gelegenheid gekregen om de aangeefster bij de rechter-commissaris te ondervragen. Het niet kunnen ondervragen van de getuige [getuige] levert in dit geval dan ook geen schending van het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces op. De getuigenverklaring kan voor het bewijs worden gebruikt.

De rechtbank zal de verklaring van de getuige [getuige] voor het bewijs gebruiken en daarmee is de voorwaarde van het verzoek tot het horen van deze getuige vervuld. Ook is daarmee in beginsel het belang deze getuige te horen, gegeven. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de getuige [getuige] echter af en overweegt hiertoe als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 9 juli 2026 blijkt dat meermaals is geprobeerd de getuige te horen, maar dat hij tweemaal, op 25 juni 2026 en 8 juli 2026, niet is verschenen. Op verschillende manieren is geprobeerd contact met de getuige op te nemen en er is navraag gedaan naar mogelijke adressen, maar dit alles zonder resultaat. Gelet hierop heeft de rechter-commissaris geen aanknopingspunten meer gezien om in contact te komen met de getuige en hem op te roepen voor een getuigenverhoor. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat de getuige nu wel getraceerd zou kunnen worden en acht het dan ook onaannemelijk dat hij binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen, te weten de aangifte van [slachtoffer] , de bevindingen van de politie, het bij aangeefster geconstateerde letsel en de verklaring van de getuige [getuige] , van oordeel dat het de verdachte is geweest die een pan met daarin (kokend) heet water over aangeefster heen heeft gegooid.

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen. Zij heeft tegenover de politie meteen verklaard dat de verdachte het water over haar heen heeft gegooid. Vervolgens heeft zij bij de politie en bij de rechter-commissaris consequent verklaard over de manier waarop dat is gegaan. Daarnaast past het letsel van aangeefster bij haar verklaring dat het water over haar heen is gegooid.

Door de raadsvrouw is de mogelijkheid opgeworpen dat sprake is van een ongeluk, al dan niet als gevolg van het gebruik van alcohol door aangeefster. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat de politie de pan op het aanrecht aantrof met daarin een dampende hoeveelheid water van ongeveer drie centimeter diep. De door de raadsvrouw geopperde mogelijkheid zou betekenen dat aangeefster, nadat zij een pan met (kokend) heet water over zich heen heeft gekregen, de pan op het aanrecht zou hebben teruggezet. Dit scenario is naar het oordeel van de rechtbank zeer onwaarschijnlijk en leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank betrekt daarbij dat het letsel van aangeefster past bij haar verklaring dat het water van een afstand van ongeveer een meter over haar heen is gegooid, terwijl dat letsel niet lijkt te passen bij een ongeluk met de pan tijdens het koken. Aangeefster had immers niet alleen brandwonden op haar onderlichaam ter hoogte van het aanrecht, maar vooral ook op haar borst en bovenarmen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het letsel bij aangeefster, gelet op de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel, niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Bij aangeefster zijn alleen oppervlakkige tweedegraads brandwonden geconstateerd en onvoldoende is gebleken dat deze brandwonden hebben geleid tot blijvende en ontsierende littekens. Dit maakt dat de verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dat uit de medische stukken volgt dat er bij aangeefster, voor zover relevant, sprake was van tweedegraads brandwonden op de armen, de romp en het linkerbeen met een totaal verband lichaamsoppervlak van naar schatting tussen de 5 en 10%. Dit letsel is van dien aard dat medisch ingrijpen noodzakelijk is gebleken. Aangeefster heeft twee dagen in het ziekenhuis gelegen en voor haar brandwonden was wondbehandeling noodzakelijk hetgeen poliklinisch is vervolgd. Ook is sprake van blijvende verkleuringen en littekens op delen van haar lichaam. De rechtbank baseert zich hiervoor onder andere op het in het kader van de vordering tot schadevergoeding ingebrachte medisch advies opgemaakt door [naam] . De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat het letsel bij aangeefster als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Het enkele feit dat het niet nodig was aangeefster op te nemen in een brandwondencentrum maakt niet dat daarmee geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het aan de verdachte primair tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Voorwaardelijke getuigenverzoeken

De raadsvrouw heeft verzocht [naam] als getuige te horen, indien de rechtbank voornemens is deze verklaring te gebruiken voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Hiertoe is aangevoerd dat onduidelijk is op grond waarvan hij als deskundige in deze zaak is benaderd en op basis waarvan hij geacht kan worden uitspraken te doen over de brandwonden van aangeefster. Ook staat een aantal van zijn conclusies haaks op de bevindingen van de behandelend artsen in het HMC. In het verlengde hiervan heeft de raadsvrouw verzocht aangeefster opnieuw als getuige te horen, om haar te kunnen bevragen over de totstandkoming van het advies en in het bijzonder over de vraag waarom [naam] als deskundige is benaderd.

De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van [naam] af, nu daartoe de noodzaak niet is gebleken en de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht. De rechtbank overweegt hiertoe dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de deskundigheid van Manten in voldoende mate is gegeven. Zijn bevindingen, specifiek ten aanzien van de verkleuringen en littekens, worden bovendien ondersteund door de foto’s in het dossier van het letsel van aangeefster. Het enkele feit dat Manten in zijn rapport spreekt over diepe tweedegraads brandwonden, terwijl in de medische informatie van het HMC wordt vermeld dat het gaat om oppervlakkige tweedegraads brandwonden, doet aan het bestaan van de verkleuringen en littekens niet af.

Ook het verzoek tot het horen van aangeefster wijst de rechtbank af, nu daartoe de noodzaak niet is gebleken. De rechtbank overweegt hiertoe dat onvoldoende is onderbouwd dat aangeefster kan verklaren over de deskundigheid van Manten of over de totstandkoming van het advies.

3.4.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 24 maart 2026 te 's-Gravenhage aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door (kokend) heet water over het lichaam van die [slachtoffer] te gooien.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Ook dient aan de verdachte te worden opgelegd een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van vier jaren. Ook deze vrijheidsbeperkende maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is geen standpunt ingenomen over een eventueel op te leggen straf.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van aangeefster door een pan met daarin (kokend) heet water over haar heen te gooien. Als gevolg hiervan heeft aangeefster over een deel van haar lichaam tweedegraads brandwonden opgelopen. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Brandwonden zijn ontzettend pijnlijk en kunnen verkleuringen en littekens veroorzaken, waardoor een slachtoffer blijvend herinnerd wordt aan deze gebeurtenis.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van

23 juni 2026. Hieruit volgt dat de reclassering verschillende mogelijk criminogene factoren ziet. De (verbroken) relatie met aangeefster ziet de reclassering als een directe criminogene factor. Het gebruik van alcohol heeft voor problemen in de relatie gezorgd en de verdachte lijkt maar beperkt te kunnen reflecteren op zijn eigen houding en gedrag richting aangeefster. De verdachte heeft zijn praktische zaken bovendien beperkt op orde. De reclassering schat het risico op recidive en op letsel in als gemiddeld. De reclassering adviseert om als bijzondere voorwaarden op te leggen een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod met aangeefster, een locatieverbod (met elektronisch toezicht) en beheersing van middelengebruik. Zij adviseren ook de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

De strafbepaling

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij zware mishandeling, meer specifiek opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf van zeven maanden.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die de onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Dit om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte.


De rechtbank zal niet de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen. Dit kan alleen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Niet is gebleken van een geschiedenis van geweld jegens aangeefster en de verdachte is niet meer woonachtig op het adres van aangeefster. Daarnaast blijkt uit het reclasseringsadvies dat de reclassering het recidiverisico op geweld jegens aangeefster niet kan inschatten.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren een passende en geboden reactie.

Vrijheidsbeperkende maatregel 38v Sr

De reclassering heeft in haar advies van 23 juni 2026 ook geadviseerd een contactverbod met aangeefster als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen, waarbij ook de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel is geadviseerd.

De rechtbank overweegt dat een vrijheidsbeperkende maatregel slechts kan worden opgelegd indien dit strekt tot beveiliging van de maatschappij of voorkoming van het (opnieuw) begaan van strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat aan deze voorwaarde niet is voldaan en verwijst hiervoor naar haar overwegingen ten aanzien van de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat een contactverbod met aangeefster als één van de bijzondere voorwaarden wordt opgelegd, zodat een vrijheidsbeperkende maatregel ook om die reden, in dit geval, geen meerwaarde heeft. De rechtbank zal dan ook geen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod opleggen.

7 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 16.493,93, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 493,93 aan materiële schade en € 16.000,00 aan immateriële schade. Ter terechtzitting is het materiële schadebedrag met € 76,00 verhoogd.

Het totaal gevorderde bedrag aan geleden schade bedraagt daarmee € 16.569,93.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, vanwege de bepleite vrijspraak, dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voor zover de raadsvrouw verweer heeft gevoerd op een specifieke post gaat de rechtbank daar bij de beoordeling van de vordering nader op in.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover die ziet op de posten ‘eigen risico’ en ‘ziekenhuisopname’ zijn door en namens de verdachte niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de vordering, voor zover die ziet op de post ‘apotheekkosten’ ook voldoende is onderbouwd, middels het voegingsformulier en hetgeen namens de benadeelde partij ter terechtzitting is aangevoerd. In de weken direct na de ziekenhuisopname was wondverzorging nodig en zijn ook verschillende uitgaven bij de apotheek gedaan. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, omdat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank zal op basis van de beschikbare medische informatie en hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd aansluiten bij categorie 10 (a) (Brandwonden) met een bandbreedte vanaf € 16.000,00. Uit de medische informatie blijkt dat sprake is van tweedegraads brandwonden met een lichaamsoppervlakte van 5 tot 10 %. Dit maakt dat de rechtbank zal uitgaan van het minimumbedrag in voornoemde bandbreedte. De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van € 16.000,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade daarom tot dat bedrag toe.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 16.569,93, bestaande uit € 569,93 aan materiële schade en € 16.000,00 aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 24 maart 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 16.569,93, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 maart 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

zware mishandeling;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de straf, groot 3 (DRIE) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH ’s-Gravenhage, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, indien en zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing of psychische problemen en mogelijk middelengebruik;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact legt of laat leggen met [slachtoffer] , geboren op 22 juli 1988, tenzij de reclassering hier toestemming voor geeft;

- zich gedurende de proeftijd niet bevindt in een straal van 250 meter van de woning van aangeefster [slachtoffer] , adres: [adres 2] , zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik leren te beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA van de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 16.569,93, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 maart 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 16.569,93, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 maart 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ben behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 107 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. J. Herfkens, rechter,

mr. C. Beuze, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 augustus 2026.