Strafrecht overig

Vader wordt veroordeeld voor het mishandelen van zijn drie kinderen. Vrijspraak voor mishandeling van…

Rechtbank Den Haag, 7 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 7 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
7 augustus 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
09-093475-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22087
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vader wordt veroordeeld voor het mishandelen van zijn drie kinderen. Vrijspraak voor mishandeling van (ex-)partner. Gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Contact- en locatie verbod. Vordering benadeelde partij ex-partner niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09-093475-26

Datum uitspraak: 7 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1989 te [geboorteplaats] (Marokko),

op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 juli 2026 (pro forma) en 24 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. D.D.S. Doelam naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 27 maart 2026 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, zijn kind(eren), te weten;

a. [kind 1] (geboren [geboortedatum 2] 2019); en/of

b. [kind 2] (geboren [geboortedatum 3] 2021); en/of

c. [kind 3] (geboren [geboortedatum 4] 2022) heeft mishandeld door die

a. [kind 1] door elkaar te schudden en/of in haar gezicht te knijpen en/of te slaan en/of op/tegen haar lichaam klappen te geven en/of (met kracht) op een bed te gooien;

b. [kind 2] te schoppen en/of door elkaar te schudden en/of in zijn gezicht en/of op zijn lichaam klappen te geven en/of zijn (verdachtes) hand (met kracht) op het mondje van [kind 2] te duwen (als hij aan het huilen was) en/of aan de haren van [kind 2] te trekken en/of te knijpen in zijn wangen;

c. [kind 3] te schoppen en/of klappen in zijn gezicht en/of tegen zijn lichaam te geven en/of (met kracht) vast te pakken en/of aan het lichaam van [kind 3] te trekken en/of zijn (verdachtes) hand (met kracht) op het mondje van [kind 3] te duwen (als hij aan het huilen was) en/of te knijpen in zijn wangen en/of (met kracht) aan de kleren van [kind 3] te trekken en/of aan de haren van [kind 3] te trekken

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn kind(eren);

2

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 27 maart 2026, te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster] (zijn ex-partner, waar verdachte mee samenwoont) heeft mishandeld door die [aangeefster] te schoppen en/of aan haar haren te trekken en/of te knijpen in het gezicht en/of klappen in het gezicht en/of tegen haar hoofd te geven

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn (voormalige) levensgezel.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte ten aanzien van feit 1 onder a. (mishandeling van zijn dochter [kind 1] ) vrijspraak bepleit. Daarbij is aangevoerd dat de uitlatingen van [kind 1] zijn gevoed door de volwassenendynamiek, dat er geen letsel is gerapporteerd en dat de uitlatingen van [kind 1] zelf moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdediging [kind 1] niet heeft kunnen ondervragen. Ten aanzien van feit 1 onder b. (mishandeling van zijn zoon [kind 2] ) heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit voor de uitvoeringshandelingen schoppen, schudden en de hand op de mond duwen nu daarvoor volgens de verdediging steunbewijs ontbreekt. Ten aanzien van feit 1 onder c. (mishandeling van zijn zoon [kind 3] ) heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit voor alle handelingen die niet op de beelden te zien zijn.

Ten aanzien van feit 2 (mishandeling van zijn ex-partner) heeft de raadsman vrijspraak bepleit nu daarvoor het benodigde steunbewijs ontbreekt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van feit 1 redengevende feiten en omstandigheden.

Onder 1 is ten laste gelegd dat de verdachte zich gedurende enkele jaren schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn drie kinderen: [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] .

Aangeefster, [aangeefster] , heeft in haar aangifte, haar aanvullend verhoor bij de politie en haar verhoor bij de rechter-commissaris verklaard over mishandelingen van hun kinderen door de verdachte. Aangeefster heeft onder meer verklaard dat de verdachte hun dochter [kind 1] toen zij vier jaar oud was heeft opgepakt, wild door elkaar heeft geschud en met kracht op het toilet heeft gezet. De verdachte zou [kind 1] daarna vaker door elkaar geschud hebben. Aangeefster heeft voorts verklaard dat de verdachte [kind 1] heeft geslagen. De laatste keer dat dat gebeurde zou één à twee maanden voorafgaand aan haar aangifte (gedaan op 27 maart 2026) zijn geweest, toen de verdachte [kind 1] in haar gezicht heeft geslagen en heeft geknepen. Over [kind 2] heeft aangeefster verklaard dat de verdachte hem meermalen heeft geslagen en door elkaar heeft geschud. Het geweld zou zijn begonnen nadat [kind 3] geboren was (op [geboortedatum 4] 2022) en zou wekelijks plaatsvinden. Over [kind 3] heeft aangeefster verklaard dat de verdachte hem heeft geslagen, zijn hand op diens mond heeft gehouden en hem heeft geknepen. De mishandelingen van [kind 3] zouden hebben plaatsgevonden vanaf dat hij ongeveer één jaar oud was.

De verklaringen van aangeefster over de mishandeling van de drie kinderen worden in belangrijke mate ondersteund door andere bewijsmiddelen.

De mishandelingen van [kind 1]

zelf heeft in haar verhoor bij de politie verklaard dat de verdachte haar en haar broertjes heel vaak slaat en dat zij ook in haar gezicht is geknepen. [kind 1] is uitgebreid gehoord in een kindvriendelijke studio en heeft daarbij consistent en gedetailleerd verklaard, voor zover dat verwacht mag worden van een 7-jarige. De rechtbank neemt in aanmerking dat [kind 1] ook heeft verklaard dat zij bepaalde aantijgingen niet heeft waargenomen, zoals dat haar vader haar moeder zou slaan. Zij heeft de verklaringen afgelegd in bewoordingen die passen bij een jong meisje. Dit alles maakt dat de rechtbank de verklaring van [kind 1] betrouwbaar acht.

De moeder van aangeefster, getuige [getuige 1] , heeft verklaard dat [kind 1] , toen zij twee jaar oud was, niet naar de wc wilde en daarbij zei dat haar vader boos was en haar toen in de wc heeft geduwd. De getuige heeft voorts verklaard over een specifiek incident in maart 2026 waarbij [kind 1] tegen haar klaagde over pijn in haar kaak en zei dat dat kwam omdat zij door haar vader was geslagen.

Verwerping beroep op bewijsuitsluiting

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [kind 1] van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat de verdediging [kind 1] niet heeft kunnen ondervragen.

Op grond van de post-Keskin jurisprudentie geldt dat de rechter, voordat hij tot een bewezenverklaring komt die mede gegrond is op de verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige, na dient te gaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Voor de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen zijn van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van die getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Over deze beoordelingsfactoren wordt het volgende overwogen.

[kind 1] is, zoals vermeld, door de politie in een kindvriendelijke studio gehoord op 31 maart 2026 en van dat verhoor is een uitvoerig proces-verbaal opgemaakt met een transcript van het verhoor, zodat kan worden nagegaan welke vragen gesteld zijn en welke antwoorden [kind 1] heeft gegeven. De verdediging is daarmee in staat gesteld om de betrouwbaarheid te toetsen en ter discussie te stellen. Op de terechtzitting van 7 juli 2026 is het verzoek van de verdediging tot het opnieuw (doen) horen van [kind 1] afgewezen. De rechtbank overweegt dat het hier gaat om een getuige van een (zeer) jonge leeftijd, die wordt bevraagd over mishandelingen van haarzelf en andere leden van het gezin door haar vader in de huiselijke sfeer. Die omstandigheden maken een verhoor voor [kind 1] , in de visie van de rechtbank, erg belastend en leveren een valide reden op om terughoudend om te gaan met verzoeken tot het opnieuw laten horen van [kind 1] . De belastende verklaring van [kind 1] , zoals neergelegd in het proces-verbaal van 14 april 2026, wordt daarnaast niet als enig of doorslaggevend bewijsmiddel gebruikt (de zogenoemde sole or decisive rule) voor de bewezenverklaring. De verklaring van [kind 1] is immers niet de enige bron waaruit volgt dat de verdachte zijn drie kinderen heeft mishandeld. Zoals blijkt uit de bespreking van het bewijs en het bewijsmiddelenoverzicht wordt voor de bewezenverklaring ook steun gevonden in de verklaring van aangeefster [aangeefster] en de verklaring van getuige [getuige 1] .

Op grond van het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank het beroep van de raadsman tot uitsluiting van het bewijs van de verklaring van [kind 1] .

Ten aanzien van de mishandelingen van [kind 2] en [kind 3]

Ter terechtzitting en in zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft de verdachte bekend dat hij zijn twee zoontjes, [kind 2] en [kind 3] , heeft geslagen. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij dat al drie of vier jaar doet, naar eigen zeggen in het kader van de opvoeding.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 29 maart 2026 volgt dat de politie camerabeelden heeft uitgekeken waarop te zien is dat de verdachte [kind 2] op zijn rug/nek slaat waarna [kind 2] met zijn hand naar zijn achterhoofd grijpt. Ook is op de beelden te zien dat de verdachte [kind 3] meermalen op zijn hoofd slaat, dat hij [kind 3] aan zijn nek optilt en op en neer beweegt, dat hij [kind 3] schopt en dat hij [kind 3] aan zijn haren naar achter trekt en aan zijn haren optilt.

Conclusie

Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte gedurende enkele jaren alle drie zijn kinderen meermalen heeft mishandeld. Wat betreft de periode stelt de rechtbank vast dat de mishandelingen hebben plaatsgevonden in de periode vanaf de geboorte van [kind 3] ( [geboortedatum 4] 2022) tot en met maart 2026.

3.4

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Onder 2 is ten laste gelegd dat de verdachte zich gedurende enkele jaren schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn partner, aangeefster [aangeefster] .

Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft als doel te zorgen voor een deugdelijke bewijsbeslissing. De rechter kan niet tot een bewezenverklaring komen als door één getuige feiten en omstandigheden naar voren worden gebracht die op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het steunbewijs moet voldoende steun geven aan de verklaring van die getuige, dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van die getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet enkel afkomstig zijn van dezelfde bron. Een ‘de auditu-verklaring’ (een van horen zeggen-verklaring), levert onvoldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen of vaststellingen die niet van de getuige afkomstig zijn voldoende steunbewijs opleveren.

De rechtbank stelt voorop dat zij de verklaringen van aangeefster [aangeefster] betrouwbaar acht. Aangeefster is meermalen verhoord, door zowel de politie als de rechter-commissaris. Zij heeft daarbij inhoudelijk consistent en gedetailleerd verklaard en andere onderdelen van haar verklaring – ten aanzien van de mishandeling van de kinderen – worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangeefster ten aanzien van de mishandeling van haarzelf in voldoende mate steun vinden in ander bewijsmateriaal. De officier van justitie heeft in dat kader betoogd dat de verklaring van [kind 1] , inhoudende dat de verdachte tegen aangeefster heeft geschreeuwd, steunbewijs oplevert voor het onder 2 ten laste gelegde. De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet . Uit de verklaring van [kind 1] over het schreeuwen volgt niet dat de verdachte aangeefster ook heeft mishandeld. Ook verklaring van de getuige [getuige 2] biedt onvoldoende steunbewijs. Deze getuige heeft verklaard dat zij aan het handelen en de lichaamshouding van aangeefster kon zien dat aangeefster bang was voor de verdachte. Nog daargelaten dat dit deel van de verklaring van de getuige weinig concreet is, levert de waargenomen emotie geen (steun)bewijs op voor de ten laste gelegde mishandeling. Deze waargenomen emoties kunnen immers ook andere oorzaken hebben. Deze getuige heeft ook verklaard dat aangeefster op 27 maart 2026 huilend bij haar aan de deur stond en vertelde dat zij de knoop had doorgehakt en alles wilde vertellen wat zich in het gezin afspeelde. De getuige heeft daarbij tevens verklaard dat er die dag, voor zover zij wist, niets was gebeurd behalve de beslissing van aangeefster om alles naar buiten te brengen en dat zij nooit letsel heeft waargenomen bij aangeefster. Een verband tussen de door de getuige waargenomen emoties en de ten laste gelegde mishandelingen is aldus niet komen vast te staan.

Het dossier bevat daarnaast geen andere bewijsmiddelen die de verklaring van aangeefster ten aanzien van de mishandeling jegens haar gepleegd in voldoende mate ondersteunen. Er is aldus onvoldoende wettig bewijs dat verdachte de onder 2 ten laste gelegde mishandeling heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van feit 2 dan ook vrijspreken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op meer tijdstippen in de periode van [geboortedatum 4] 2022 tot en met 27 maart 2026 te ’s-Gravenhage, zijn kinderen, te weten;

a. [kind 1] (geboren [geboortedatum 2] 2019); en

b. [kind 2] (geboren [geboortedatum 3] 2021); en

c. [kind 3] (geboren [geboortedatum 4] 2022) heeft mishandeld door die

a. [kind 1] door elkaar te schudden en in haar gezicht te knijpen en te slaan en tegen haar lichaam klappen te geven;

b. [kind 2] door elkaar te schudden en in zijn gezicht en op zijn lichaam klappen te geven;

c. [kind 3] te schoppen en klappen in zijn gezicht en tegen zijn lichaam te geven en zijn (verdachtes) hand op het mondje van [kind 3] te duwen (als hij aan het huilen was) en te knijpen en aan de haren van [kind 3] te trekken

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn kinderen.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met als bijzondere voorwaarden hetgeen de reclassering heeft geadviseerd, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling en meewerken aan het beheersen van middelengebruik.

Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht op te leggen voor de duur van vijf jaren, te weten een contactverbod met [aangeefster] en hun drie kinderen alsmede een locatieverbod voor een straal van 500 meter om de woning van [aangeefster] , beide met een vervangende hechtenis per overtreding van één week met een maximum van 26 weken.

De officier van justitie vordert dat de bijzondere voorwaarden en de maatregel dadelijk uitvoerbaar worden opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, in geval van een (gedeeltelijke) bewezenverklaring, rekening te houden met de LOVS-oriëntatiepunten en de reeds ondergane voorlopige hechtenis. De verdediging heeft daarnaast verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn houding en het feit dat hij een blanco strafblad heeft.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft, in een periode van enkele jaren, zijn drie kinderen meermalen mishandeld. Kindermishandeling is een zeer ernstige vorm van mishandeling. De verdachte heeft hiermee de psychische en lichamelijke integriteit van zijn kinderen in ernstige mate geschonden. De kinderen hadden ten tijde van de mishandelingen een zeer kwetsbare leeftijd. Zij waren volledig afhankelijk van hun ouders en hadden niet de mogelijkheid om zich aan de mishandelingen te onttrekken. De mishandelingen hebben in de eigen woning plaatsgevonden, terwijl dit juist bij uitstek de plek is waar kinderen zich veilig en geborgen moeten kunnen voelen. Dat rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Namens aangeefster is ter terechtzitting de impact en het psychische leed dat hierdoor is veroorzaakt treffend naar voren gebracht.

Dat de mishandelingen volgens de verdachte plaatsvonden in het kader van de opvoeding maakt dat niet anders. Dergelijke mishandelingen horen in de opvoeding van kinderen niet thuis. Niet valt uit te sluiten dat de kinderen in hun verdere leven de nadelige psychische gevolgen van deze mishandelingen met zich dragen. Uit het dossier komt ook het beeld naar voren dat er bij alle drie de kinderen sprake is van gedragsproblemen op school.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van reclasseringsadviezen over de verdachte van 3 april 2026 en 4 mei 2026, waaruit blijkt dat er zorgen zijn rondom zijn psychosociaal functioneren en de familiare omstandigheden, alsmede dat de verdachte impulsief en agressief gedrag lijkt te kunnen vertonen waarbij hij onvoldoende met zijn impulsen om kan gaan. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog.

De reclassering adviseert enkele bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling, beheersing van het middelengebruik, een contactverbod ten aanzien van [aangeefster] en een locatieverbod.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteiten en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf met zich brengt. Al met al zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die hij reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk op te leggen deel van die straf de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, met dien verstande dat het contactverbod geldt voor alle drie de kinderen, dat de verdachte zijn kinderen zal kunnen zien met toestemming van de reclassering en indien het contact plaatsvindt via een formeel aangewezen instantie. Wat betreft het locatieverbod sluit de rechtbank aan bij de straal van 500 meter om de woning heen, zoals verzocht door de officier van justitie. Dit alles om de verdachte ervan te weerhouden dat hij zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig maakt, en om te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte, en zo de kans op recidive terug te dringen. Gelet op het recidiverisico en de aard en ernst van de gepleegde mishandelingen, zal de rechtbank daaraan een proeftijd verbinden van drie jaar.

De rechtbank ziet aanleiding om het gevraagde contact- en locatieverbod op te leggen als onderdeel van de bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel en niet, zoals verzocht door de officier van justitie, als vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht. Daartoe overweegt de rechtbank dat eventuele afwijkingen van het contact- en locatieverbod, waarbij de verdachte met toestemming van de reclassering en onder begeleiding van formele instanties contact kan hebben met zijn kinderen, passender zijn binnen de bijzondere voorwaarden en onder toezicht van de reclassering.

Een contactverbod ten aanzien van [aangeefster] wordt niet opgelegd, omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt van feit 2.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen, dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten mishandeling van zijn kinderen, meermalen gepleegd. De rechtbank is, gelet op het recidiverisico, van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

7 De vorderingen van de benadeelde partij

7.1

De vordering

Aangeefster, [aangeefster] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en namens haar is op 22 juli 2026 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Het gaat om een bedrag van € 5.000 aan immateriële schade en een post van € 100.000 in het kader van een mogelijk hoger beroep, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 5.000 aan immateriële schade en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt de vordering aldus dat die met name is gegrond op feit 2, de mishandeling van aangeefster. De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van feit 2, waardoor de benadeelde partij al om die reden niet-ontvankelijk is in de vordering. Voor zover de vordering betrekking heeft op schade die is ontstaan ten gevolge van feit 1, geldt dat de rechtbank op basis van de ingediende stukken niet kan vaststellen of en welk deel van de schade is ontstaan door het bewezenverklaarde. Het vaststellen van de eventuele causaliteit en mate van toerekening, of het aan de benadeelde partij geven van gelegenheid voor een nadere onderbouwing, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze vordering. De benadeelde partij kan deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14e, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

mishandeling, begaan tegen zijn kinderen, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 (DRIE) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  • zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressie- en impulsbeheersing, het aanleren van copingvaardigheden en diagnostiek;

  • meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

  • op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [kind 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2019), [kind 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2021) en [kind 3] (geboren op [geboortedatum 4] 2022), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact. Het contact met de kinderen dient via een formeel aangewezen instantie te verlopen zo lang de reclassering dat nodig vindt;

  • zich niet bevindt op de [adres] met een straal van 500 meter daaromheen. De reclassering kan het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan betrokkene toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

de vordering van de benadeelde partij

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.Dit vonnis is gewezen door

mr. J.Y. van Gameren, voorzitter,

mr. B.J. van de Griend, rechter,

mr. S. Pereth, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.F. Schippers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 augustus 2026.