Strafrecht overig

Ontneming van € 60.800,- na veroordeling wegens handel in harddrugs en wegens een ander strafbaar feit, te…

Rechtbank Den Haag, 29 juli 2026

Zaakgegevens

Op 29 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
29 juli 2026
Datum publicatie
19 augustus 2026
Zaaknummer
09/059268-24 (ontneming)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23216
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontneming van € 60.800,- na veroordeling wegens handel in harddrugs en wegens een ander strafbaar feit, te weten handel in softdrugs.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/059268-24 (ontneming)

Datum uitspraak: 29 juli 2026

De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres]

op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 15 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. L. Kooijmans op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman mr. H. Koopman op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2 De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 80.125,- en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3 De grondslag voor ontneming

De veroordeelde is op 2 juni 2025 door deze rechtbank veroordeeld wegens het volgende strafbare feit:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van

de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezen verklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Uit het onderzoek leidt de rechtbank daarnaast af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van een ander strafbaar feit. Er bestaan voldoende aanwijzingen dat dit feit door de veroordeelde is begaan. Deze aanwijzingen ontleent de rechtbank aan de volgende feiten en omstandigheden. Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 31 december 2025, pagina 81, blijkt dat de veroordeelde op 30 oktober 2024 een gesprek heeft met een afnemer van drugs en dat hij aan hem ‘36 esrar’ verkoopt. De veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat dit geen cocaïne of heroïne, maar hasj betreft. Op pagina 79 van het rapport staat geverbaliseerd dat ‘esrar’ in de Turkse taal marihuana/hasj betekent, en een simpele zoekslag op het internet leert dat esrar inderdaad marihuana, cannabis, of hasj betekent. Dit levert een ander strafbaar feit op dan hiervoor genoemd, namelijk overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet.

Het plegen van een ander strafbaar feit door de veroordeelde kan op grond daarvan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom, naast het bewezen verklaarde strafbare feit, een ander feit als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

4 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de vordering gewijzigd in die zin, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 81.375,-.

De officier van justitie komt op een ander bedrag uit dan het rapport omdat zij er bij de berekening van uitgaat dat de politie in het rapport ten onrechte de € 1.250,- die genoemd staat op pagina 105 niet heeft meegerekend bij de totale winst.

Evenals de verdediging – zoals hierna te bespreken – acht zij aannemelijk dat met de verkoop van ’36 esrar’ niet 36 kilo cocaïne wordt bedoeld, maar 36 kilo hasj, en dat de winst daarvan niet € 9.000,- is, maar 36 X € 50,-, dus € 1.800,-. Daarmee komt de officier van justitie op een bedrag van € 81.375 - € 7.200,- = 74.175,-.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat de tabel op pagina 106 optelt tot € 71.875,- en niet tot € 80.125,-. Verder heeft de raadsman de volgende posten bestreden:

- Op pagina 5 en 6 van het rapport wordt uitgegaan van de verkoop van 40 kilo cocaïne, maar uit de chats blijkt niet dat deze hoeveelheid daadwerkelijk verkocht is;

- Op pagina 7, 8 en 9 van het rapport wordt uitgegaan van de verkoop van 4,5 kilo, terwijl uit de chats juist blijkt dat de veroordeelde zegt dat het al weg is, en dus niet meer te koop is;

- Op pagina 9, 10, 11 en 12 van het rapport wordt uitgegaan van de verkoop van in totaal 4 kilo à 2 X € 500,- terwijl uit de chats slechts blijkt dat daar naar gevraagd wordt, maar niet dat er een verkoop heeft plaatsgevonden;

- Op pagina 81 wordt uitgegaan van de verkoop van 36 esrar à € 250,- per kilo. Met de verkoop van ’36 esrar’ wordt echter niet 36 kilo cocaïne bedoeld, maar 36 kilo hasj. De winst daarvan is niet € 9.000,-, maar 36 X € 50,-, dus € 1.800,-.

De raadsman komt daarmee op een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 71.875 - € 10.000,- - € 1.125,- - € 1.000,- - € 7.200,- = € 52.550,-.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat aannemelijk is dat de veroordeelde in de bij vonnis van 2 juni 2025 bewezenverklaarde periode wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten door middel van handel in cocaïne en heroïne. Zijn winst bedroeg € 250,- per kilo. Daarnaast heeft de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel genoten uit een ander strafbaar feit, zoals onder 3 genoemd, namelijk de verkoop van hasj, waarbij zijn winst € 50,- per kilo bedroeg.,

De rechtbank stelt met de verdediging vast dat de tabel op pagina 106 van het rapport inderdaad resulteert in een lagere totale opbrengst. Tussen pagina 5 en 103 van het rapport heeft de politie echter geverbaliseerd op grond van welke chats zij de gestelde opbrengst van de verkoop baseren. Als deze bedragen bij elkaar worden opgeteld, leidt dit tot een totale opbrengst van € 80.125,-. De rechtbank zal uitgaan van de bedragen die in het rapport onderbouwd zijn met chatberichten en komt dus tot het hogere bedrag.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar berekening die resulteert in een bedrag van € 81.375,-. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gesteld dat in het rapport de € 1.250,-, genoemd op pagina 105 van het rapport, ten onrechte niet is opgeteld bij het totaalbedrag. De rechtbank stelt vast dat deze € 1.250,- de optelsom is van het totaal dat door de veroordeelde aan contactpersoon ‘Rottt’ is verkocht, terwijl de opbrengst van de verkoop aan deze ‘Rottt’ al in de totale berekening is meegenomen op de pagina’s 100, 102 en 103 van het rapport. Genoemde € 1.250,- leidt dus tot een dubbeltelling.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de post van

€ 9.000,- op pagina 81 verminderd dient te worden met € 7.200,-, zijnde het verschil tussen de opbrengst van 36 kilo hasj vergeleken met 36 kilo cocaïne.

De rechtbank oordeelt voorts dat uit de chats op de pagina’s 5 tot en met 12 onvoldoende blijkt dat daadwerkelijk verkoop van harddrugs heeft plaatsgevonden. Het gaat dan om opbrengsten van € 10.000,-, € 1.125,-, € 500,- en € 500,-. Dat er wordt gesproken over een mogelijke verkoop en een hoeveelheid drugs is duidelijk, maar daar blijft het bij, terwijl uit de andere zich in het rapport bevindende chats telkens wel duidelijk blijkt dat verkoop heeft plaatsgevonden.

Op pagina 8 van het rapport gaat het over 4,5 bruin, waarvan de veroordeelde zegt dat die al weg is. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat die 4,5 dus verkocht is, maar de rechtbank kan op basis van de betreffende chats niet vaststellen dat die door de veroordeelde verkocht zijn. Het is goed mogelijk dat deze door iemand anders verkocht zijn of op andere wijze ‘weg’ zijn geraakt.

De rechtbank komt daarmee tot de volgende berekening. Uitgaande van een totale optelsom van € 80.125,-, te verminderen met de posten waarvan de rechtbank onvoldoende aannemelijk acht dat de veroordeelde deze als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten (te weten: € 10.000,-, € 1.125,-, € 500,-, € 500,- en € 7.200,-) oordeelt de rechtbank dat de veroordeelde € 60.800,- als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

4.5.

Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 60.800,-.

5 De vaststelling van de betalingsverplichting

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 60.800,-.

6 Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7 De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 60.800;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 60.800 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 608 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,

mr. J.E. van Essen, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. M. den Besten en B.J. Stil, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juli 2026.

Het in de strafzaak tegen de veroordeelde op 2 juni 2025 gewezen vonnis van deze rechtbank. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, d.d. 31 december 2025, p. 81. De verklaring van de veroordeelde, afgelegd op de terechtzitting van 15 juli 2026. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, d.d. 31 december 2025, p. 5-103.