Strafrecht overig
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 11.448,56 uit tien bankhelpdeskfraudes…
Rechtbank Den Haag, 28 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:23243 · Rechtbank Den Haag · 28 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-23243
Zaakgegevens
Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Datum publicatie
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- 09/343249-21 ZARFANI (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23243
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 11.448,56 uit tien bankhelpdeskfraudes. Pondspondsgewijze toerekening voordeel.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/343249-21 (ontneming)
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 14 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie, mr. S.R.C. Polderman, op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2 De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 76.050,10 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3 De grondslag voor ontneming
De veroordeelde is op 28 juli 2026 door deze rechtbank veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
- de eendaadse samenloop van
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd
en
medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd;
- diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van deze bewezen verklaarde strafbare feiten. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de vordering gewijzigd, in die zin dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 49.037,94.
De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 8 juni 2022. De conclusie van dit rapport is dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 63.447,94 bedraagt.
De officier van justitie komt op een ander bedrag uit dan in het rapport genoemd, omdat zij vrijspraak van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten ten aanzien van zaken 10, 11 en 12 gevorderd heeft. De in die zaken van de slachtoffers weggenomen geldbedragen zouden derhalve niet als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden aangemerkt en in mindering moeten worden gebracht op het totale voordeel.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom moet worden geschat op een bedrag van € 49.037,94.
Hierbij heeft de officier van justitie zich mede gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen met nummer 79 (hierna: de eenvoudige kasopstelling; die – zoals de rechtbank begrijpt – niet ten grondslag ligt aan de berekening van het wederrechtelijke voordeel), opgemaakt op 8 juni 2022. De conclusie van de eenvoudige kasopstelling is, dat de veroordeelde in 2020 en 2021 een minimaal kastekort van € 26.493,16 moet hebben gehad.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 14 juli 2026 op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat de uitgangspunten van de berekening niet juist zijn. Ten eerste zou geen sprake zijn geweest van gemeenschappelijk voordeel, waardoor de veroordeelde volgens de verdediging ten onrechte hoofdelijk aansprakelijk wordt gehouden voor het gehele bedrag dat van de aangevers is weggenomen. In plaats daarvan dient volgens de raadsman te worden uitgegaan van de verklaring van de veroordeelde omtrent zijn aandeel (te weten: ongeveer tien procent van het totaal), dan wel van een pondspondsgewijze verdeling.
Ten tweede heeft de raadsman verzocht de veroordeelde van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten vrij te spreken ten aanzien van zaken 6, 7, 9, 10, 11 en 12 en dientengevolge te concluderen dat hij hier geen wederrechtelijk verkregen voordeel van heeft genoten.
Bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met onderzoeksnummer 67Zagreb21, voor zover hier relevant bestaande uit: doorlopend procesdossier (p. 1 t/m 875).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.
1. De tenlastelegging, zoals opgenomen in bijlage 1 bij het op 28 juli 2026 gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde, voor zover inhoudende:
- [benadeelde 1] (zaak 1) en/of
- [benadeelde 2] (zaak 2) en/of
- [benadeelde 3] (zaak 3) en/of
- [benadeelde 4] (zaak 4) en/of
- [benadeelde 5] (zaak 5) en/of
- [benadeelde 6] (zaak 6) en/of
- [benadeelde 7] (zaak 7) en/of
- [benadeelde 8] (zaak 8) en/of
- [benadeelde 9] (zaak 9) en/of
- [benadeelde 10] (zaak 10) en/of
- [benadeelde 11] (zaak 11) en/of
- [benadeelde 12] (zaak 12).
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 8 juni 2022 is opgemaakt, voor zover inhoudende:
Naar aanleiding van proces-verbaal PL1500-2021375600, heb ik, hoofdagent
werkzaam te Gouda op verzoek van officier van justitie mr. Ros van Den-Haag een onderzoek ingesteld naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van:
Voornamen: [voornaam] .
Achternaam: [veroordeelde] .
Op 22 december 2021 deed [benadeelde 1] aangifte van oplichting.
Onderwijl bleek dat er € 1000,- euro van de rekening van aangever was opgenomen.
- PL1500-2021375600-7 (Overige Horizontale fraude, € 1000,-)
Zie hierboven.
- PL1500- 2021376068 (€ 4804,- euro)
Op 23 december 2021 is er aangifte gedaan door [benadeelde 2] van overige horizontale fraude. Van de rekening van aangever waren verschillende bedragen opgenomen. Van de ene rekening, driemaal een bedrag namelijk: € 600,- + € 294,- en € 2000,- totaal een bedrag van € 2894,-.Van de andere rekening van aangever een bedrag van € 1910,-. Totaal is er bij de aangever opgenomen € 4804,-.
- PL1500 2021283704 (€ 1800,- euro)
Op 27 september 2021 is er aangifte gedaan door [benadeelde 3] van fraude met betaalproducten. Van de rekening van aangever waren verschillende bedragen opgenomen. Namelijk twee bedragen, eenmaal €1300,- en eenmaal € 500,-. Totaal is er bij de aangever € 1800,- weggenomen.
- PL1700 2021284518 (€ 25.006,10,- euro)
Op 12 september is er aangifte gedaan door [benadeelde 4] , van overige horizontale fraude. Van de rekeningen van aangever waren verschillende bedragen opgenomen. Van de ene rekening, vijfmaal een bedrag van € 2000,- totaal bedrag van € 10.000. Van de tweede rekening, vijfmaal een bedrag van € 2000,- totaal bedrag van € 10.000,- Van de derde rekening eenmaal een bedrag van € 2012, eenmaal een bedrag van € 1994,80, eenmaal een bedrag van € 999,30 totaal bedrag van € 5006,10. In totaal is er bij de aangever een bedrag van € 25.006,10 weggenomen.
- PL1100 2021218802 (€ 500,- euro)
Op woensdag 20 oktober 2021 is er aangifte gedaan door [benadeelde 5] (/ [benadeelde 13] ) van overige horizontale fraude. Van de rekening van aangever is een bedrag opgenomen van € 500,-.
- PL 0600 2021489200 ( 4950,- euro)
Op 18 oktober 2021 is er aangifte gedaan door [benadeelde 6] , van fraude met betaalproducten. Van de rekening van aangever is een bedrag van € 4950,- overgemaakt naar 'Coinbase'.
- PL 2000 2021276778 (+/- € 200,-, euro, poging € 10.000 euro)
Op 15 oktober 2021 is er aangifte gedaan door [benadeelde 7] van Cybercrime. Er is getracht een bedrag van € 10.000 euro over te maken echter is dit door de bank tegenhouden. Hierdoor is er geen schade geleden bij aangever of bij de bank. Wel is de mobiele telefoon van aangever meegenomen door verdachte ter waarde van € 200,-.
- PL 0900 2021399888 ( 9900,- euro)
Op 21 december 2021 is er aangifte gedaan door [benadeelde 10] van Cybercrime. Van meerdere bankrekeningen is geld opgenomen van aangever. Van de eerste bankrekeningnummer is tweemaal een bedrag van € 2000,- opgenomen en tweemaal een bedrag van € 1000 in totaal een bedrag van € 6000,-. Van de andere bankrekening is tweemaal een bedrag van € 1950,- opgenomen, totaal van € 3900,-. In totaal is er een bedrag van €. 9900,- wegenomen van de aangever.
- PL1100 2021247092 (€ 500,- euro)
Op 27 november 2021 is er aangifte gedaan door [benadeelde 11] van Cybercrime. Van de bankrekening van aangever is € 500,- overgemaakt naar Ventures B. V. (bitcoins). Tevens had de ING medewerker gezegd dat er een bedrag van € 8000,- was overgemaakt van de spaarrekening van aangever naar de betaalrekening. Echter is dit bedrag verder geblokkeerd door de bank.
- PL 0900 2021393094 ( € 4950,- euro)
Op 15 december 2021 is er aangifte gedaan door [benadeelde 12] van Overige Horizontale fraude. Er zijn meerdere pinopnames geweest vanaf de bankrekening van aangever. Eenmaal een bedrag van € 200,-, eenmaal een bedrag van € 850,- en tweemaal een bedrag van € 1950,-. In totaal is er een bedrag van € 4950,- opgenomen.
- PL 0600 2021448582 (€ 10.000,- euro)
Op 24 september 2021 is er aangifte gedaan door [benadeelde 8] van overige horizontale fraude. Er is in totaal bij de aangever vijf (5) keer een bedrag opgenomen van in totaal € 10.000,-.
- PL1100 2021235891 (€ 780,- euro)
Op 12 november 2021 is er aangifte gedaan door [benadeelde 9] , van overige gekwalificeerde diefstal. Van de bankrekening van aangever is 780,- opgenomen. Tevens was er een bedrag van 4200,- ontspaard echter is hier niets mee gedaan.
Reiskosten
Ingevolgde het strafrechtdossier, mede op basis van de informatie in het bedrijfsprocessensysteem van de politie, is gebleken dat de verdachte meerdere malen de strafbare feiten heeft gepleegd in andere steden. Hierdoor ben ik er van uit gegaan dat de verdachte iedere keer vanaf zijn woonadres reed naar het woonadres van de slachtoffers.
Woonadres verdachte:
[adres 2] .
De enkele reisafstand vanaf het woonadres van de verdachte, naar de aangever bedraagt:
• [adres 2] --> [adres 3] , 70 kilometer.
• [adres 2] --> [adres 4] , 70 kilometer.
• [adres 2] --> [adres 5] , 65 kilometer.
• [adres 2] --> [adres 6] , 90 kilometer.
• [adres 2] --> [adres 7] , 41 kilometer.
• [adres 2] --> [adres 8] , 70 kilometer.
• [adres 2] --> [adres 9] , 110 kilometer.
• [adres 2] --> [adres 10] , 17 kilometer.
• [adres 2] --> [adres 11] 45 kilometer.
• [adres 2] --> [adres 12] , 40 kilometer.
• [adres 2] --> [adres 13] , 80 kilometer.
• [adres 2] --> [adres 14] , 65 kilometer.
In totaal gereden kilometers retour:
Voor een retour is het volgende afgelegd:
664 kilometer x 2 (heen en terug) = 1328 kilometer.
Dieselprijs
Ter vaststelling van de gemiddelde dieselprijs, heb ik, verbalisant de website van Centraal Bureau voor de Statistiek geraadpleegd.
Mijn bevindingen waren als volgt:
Gemiddelde diesel prijs was in 2021: € 1,48 per liter.
Verbruik brandstof
Voor het berekenen van het verbruik, van de inbeslaggenomen auto van verdachte voorzien van kenteken [kenteken] .
liter per 100 kilometer.
Mobiele telefoon:
Er zijn twee mobiele telefoon in beslag genomen bij verdachte van het merk Apple, type lphone 7. De nieuwprijs hiervan bedraagt € 400 per stuk. In het voordeel van de verdachte zal er berekend worden dat allebei de mobiele telefoons nieuw zijn aangeschaft. Dus kosten € 800,-
Tevens van de maanden september, oktober, november en december is 20 euro per maand gerekend voor de belkosten. Dit bedraagt dus € 80,-
In totaal kosten: € 942,16.
3. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 17 oktober 2021, voor zover inhoudende (p. 291 t/m 293):
Mijn telefoon die meegenomen is betreft een Samsung Galaxy, A40, kleur zwart, zat in een dubbel zwart hoesje. Deze telefoon was 2 jaar oud en ik heb daar destijds 200 euro voor betaald.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening. De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
De veroordeelde is op 28 juli 2026 door deze rechtbank veroordeeld voor het medeplegen van – kort gezegd – tien gevallen van bankhelpdeskfraude en vrijgesproken van twee ten laste gelegde bankhelpdeskfraudes. Bewezen is verklaard dat de veroordeelde strafbare betrokkenheid heeft gehad bij zaken 1 tot en met 9 en zaak 11. Bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal de rechtbank dan ook deze zaken betrekken. De zaken 10 en 12 zal de rechtbank verder buiten beschouwing laten, omdat de veroordeelde is vrijgesproken van enige strafbare betrokkenheid daarbij.
De rechtbank stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat het totaal van de in die zaken aan slachtoffers ontnomen geldsommen € 49.340,10 bedraagt. Daarnaast is in zaak 7 een telefoon van het slachtoffer ontnomen, die € 200,- waard zou zijn. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze telefoon buiten beschouwing gelaten moet worden bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Dat de exacte waarde van de telefoon ten tijde van de ontvreemding niet meer vast te stellen is, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze waarde dan maar buiten beschouwing moet worden gelaten. De telefoon is ontvreemd en vertegenwoordigde een bepaalde economische waarde, die bij de aanschaf, niet al te lange tijd voor de ontvreemding, € 200,- bedroeg. De rechtbank zal derhalve van dit bedrag uitgaan. Totaal komt het wederrechtelijk verkregen voordeel dus uit op € 49.540,10.
In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel zijn schattingen gemaakt ten aanzien van de door de veroordeelde gemaakte kosten, bestaande uit telefoon- en reiskosten. De totale, niet door de verdediging betwiste, schatting komt uit op € 942,16. De rechtbank neemt de in het rapport vermelde kostenraming over met uitzondering van de geschatte reiskosten. Deze dienen enigszins verlaagd te worden, aangezien de veroordeelde is vrijgesproken van strafbare betrokkenheid bij de zaken 10 en 12, zodat de daaraan gerelateerde reiskosten niet van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgetrokken dienen te worden. De feiten waar deze zaken betrekking op hebben, zouden zich hebben afgespeeld in Eemnes en Zeist. De totale reisafstand die de veroordeelde met zijn auto ten behoeve van deze zaken gemaakt zou hebben, bedraagt 124 kilometer. Bij een brandstofverbruik van 3,1 liter diesel per 100 kilometer en een dieselprijs van € 1,48 per liter komt dit uit op niet gemaakte brandstofkosten van in totaal € 5,69. Aldus schat de rechtbank in het kader van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de door de veroordeelde gemaakte kosten in totaal € 936,47 bedragen.
Toerekening van het voordeel
De veroordeelde heeft met anderen wederrechtelijk voordeel verkregen. Aan het onderzoek ontleent de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen duidelijke aanwijzingen voor het gerechtvaardigd vermoeden dat het totale voordeel kan worden aangemerkt als gemeenschappelijk voordeel ten behoeve van de veroordeelde. Voor een hoofdelijke toerekening ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.
De rechtbank slaat in het kader van de vraag in welke mate het voordeel aan de veroordeelde kan worden toegerekend ook geen acht op de eenvoudige kasopstelling. Deze kasopstelling beslaat een veel langere periode dan die waarin de bewezen verklaarde strafbare feiten hebben plaatsgehad. Daarnaast gaat de eenvoudige kasopstelling uit van standaarduitgaven opgesteld door het NIBUD. Aangezien de veroordeelde in de ten laste gelegde periode nog bij zijn ouders woonde, is het aannemelijk dat zijn werkelijke uitgaven in deze periode lager waren.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aangesloten dient te worden bij de verklaring die de veroordeelde zelf heeft afgelegd over zijn inkomsten, namelijk dat hij meestal 10 procent van de buit zelf gehouden heeft. De rechtbank zal aan deze verklaring voorbij gaan. Allereerst is de verklaring van de veroordeelde omgeven door onzekerheid, in die zin dat de veroordeelde enerzijds heeft verklaard ‘ongeveer’ en ‘meestal’ tien procent verdiend te hebben per geval van bankhelpdeskfraude en anderzijds op zitting ook heeft verklaard dat het per keer en afhankelijk van de hoogte van de gepinde bedragen verschilde. Daar komt bij dat de veroordeelde zijn totale verkregen inkomsten geschat heeft op tussen de € 5.000,- en € 10.000,-, terwijl het totale voordeel in de betreffende bankfraudezaken € 49.540,10 bedroeg. De bovengrens van deze schatting overstijgt ruimschoots de tien procent die de veroordeelde als zijn aandeel heeft aangegeven. Gelet op het voorgaande slaat de rechtbank bij de toerekening van het voordeel geen acht op deze verklaring van de veroordeelde.
De rechtbank komt aldus tot een pondspondsgewijze verdeling van het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel.
De door de veroordeelde medegepleegde bankheldeskfraudes werden gekenmerkt door de betrokkenheid van meerdere personen, die elk vastomlijnde rollen op zich namen. Naast de onder meer door de veroordeelde vervulde rollen (die van koerier, pinner en chauffeur) waren er ook nog de bellende ‘bankmedewerker(s)’ en de degene die de computer van slachtoffers overnam via het programma Anydesk. Niet al deze rollen werden te allen tijde vervuld door verschillende mensen. Zo heeft de veroordeelde in sommige zaken alle drie de rollen in zijn eigen persoon verenigd. De rechtbank gaat ervan uit dat bij de tien bewezen verklaarde gevallen van bankhelpdeskfraude gemiddeld vier personen betrokken waren die ieder één of meer van voornoemde rollen op zich namen. Dit maakt dat de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel van € 49.540,10 voor een kwart zal toeschrijven aan de veroordeelde. Dit komt neer op een bedrag van € 12.385,03
De rechtbank zal van dit aandeel de door de veroordeelde gemaakte kosten van € 936,47 aftrekken, aangezien deze kosten evident door hem zelf gemaakt zijn en dus niet verdeeld dienen te worden over de aandelen van de mededaders.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het totale door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 11.448,56 (€ 12.385,03 - € 936,47).
5 De vaststelling van de betalingsverplichting
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op hetzelfde bedrag als het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € 49.037,94.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van de betalingsverplichting geen specifiek standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
In deze ontnemingszaak is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn inzake het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering is overschreden. De rechtbank zal de aanvangsdatum voor die termijn bepalen op 27 januari 2022, zijnde het moment waarop conservatoir beslag is gelegd op de auto van de veroordeelde. Dat betekent dat de redelijke termijn met meer dan twee jaren is overschreden. Omdat de rechtbank heden tegelijk met de ontnemingszaak vonnis wijst in de onderliggende strafzaak, zal zij de overschrijding van de redelijke termijn in deze strafzaak compenseren.
Conclusie vaststelling betalingsverplichting
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 11.448,56.
De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e lid 11 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 100,00.
Gelet op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van € 11.448,56, zal de rechtbank de duur van de gijzeling vaststellen op 114 dagen.
6 Het toepasselijke wetsartikel
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7 De beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 11.448,56;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 11.448,56 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 114 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N.F.R. de Rooij, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. M.S. Verboom, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N.T.G. Levelt, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juli 2026.