Arbeidsrecht
Kort geding. Vordering tot volledige schorsing van het concurrentiebeding wordt afgewezen. De vordering wordt…
Rechtbank Gelderland, 13 april 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7387 · Rechtbank Gelderland · 13 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/arbeidsrecht/kort-geding/ecli-nl-rbgel-2026-7387
Zaakgegevens
Op 13 april 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 13 april 2026
- Datum publicatie
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- K/5001/12104172
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:7387
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Vordering tot volledige schorsing van het concurrentiebeding wordt afgewezen. De vordering wordt wel gedeeltelijk toegewezen, te weten voor zover het beding een langere duur heeft dan één jaar na einde dienstverband.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12104172 \ VV EXPL 26-18
Vonnis in kort geding van 13 april 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C.T.B. Kroese,
tegen
TEAM KRACHT B.V.,
te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Kracht,
gemachtigde: mr. A. Lettenga en mr. R. Kampschreur.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 februari 2026 met producties 1 tot en met 10,
- de akte van 17 maart 2026 met producties 11 en 12 aan de zijde van [eiser] ,
- de conclusie van antwoord van 24 maart 2026 met producties 1 tot en met 9,
- de akte van 26 maart 2026 met productie 10 aan de zijde van Kracht.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. C.T.B. Kroese. Kracht is vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] en bijgestaan door mr. A. Lettenga. Partijen hebben over en weer hun standpunten toegelicht, mr. Kroese aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.
De datum van het vonnis is bepaald op vandaag.
2 De feiten
Kracht is een organisatie die arbeidskrachten ter beschikking stelt in de sectoren bouw, civiele techniek/infra, installatietechniek, en techniek & industrie. Kracht is onderdeel van Kracht Holding B.V., die zich naast het ter beschikking stellen van arbeidskrachten ook bezighoudt met onder meer werving en selectie.
[eiser] is per 17 oktober 2022 werkzaam bij Kracht in de functie van [functie] tegen een salaris van € 3.505,00 bruto per maand exclusief overige emolumenten.
[eiser] is verantwoordelijk voor het bemiddelen van kandidaten bij opdrachtgevers, het onderhouden van contact met bestaande klanten en zorgen voor klanttevredenheid, en het verrichten van administratieve werkzaamheden met betrekking tot het opstellen van contracten en de verloning. [eiser] heeft zich bij Kracht gericht op de sector techniek & industrie en de laatste anderhalf jaar op de sector bouw.
In artikel 12 van de arbeidsovereenkomst is een concurrentie-, relatie- en anti-ronselbeding opgenomen. Het concurrentiebeding is opgenomen in artikel 12 lid 1 en is als volgt geformuleerd:
“1. Het is Werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Werkgever verboden om binnen Nederland, gedurende de arbeidsovereenkomst en binnen een tijdvak van twee jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst direct of indirect, voor zichzelf of voor anderen, tegen vergoeding of om niet, in enigerlei vorm werkzaam te zijn in of voor, of betrokken te zijn of een (financieel)belang te hebben bij enige onderneming met activiteiten die (soort)gelijk, aanverwant of concurrerend zijn met die van de Werkgever of aan Werkgever gelieerde ondernemingen, waaronder in ieder geval begrepen, doch niet uitsluitend, Kracht Recruitment B.V., Kracht Werving en Selectie B.V., Kracht Executive Search B.V. en Kracht Training B.V. (hierna gezamenlijk te noemen: ‘Kracht’). Het is Werknemer voorts, ook als het initiatief voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij Werkgever ligt, niet toegestaan om activiteiten waar Kracht zich mee bezig houdt te gaan verrichten voor relaties van Kracht. Wat onder relaties van Kracht wordt verstaan, wordt nader toegelicht in het navolgende lid. De activiteiten waar Kracht zich mee bezig houdt zijn met name headhunting, executive search, werving- en selectie, detachering, uitzenden en recruitment van technici door heel Nederland en aanverwante werkzaamheden. Tevens geeft zij recruitment advies, training en neemt zij assessments af.”
In artikel 12 lid 4 van de arbeidsovereenkomst is een boetebeding opgenomen:
“In geval van overtreding van het in lid 1 en/of lid 2 en/of lid 3 omschreven verbod verbeurt Werknemer ten gunste van Werkgever, zulks in afwijking van de leden 3 tot en met 5 van artikel 7:650 van het Burgerlijk Wetboek, een direct opeisbare boete van € 10.000,- voor iedere overtreding, vermeerderd met € 250,- voor iedere dag, of gedeelte van een dag, dat de overtreding voortduurt, zulks onverminderd het recht van Werkgever om in plaats van de boete de werkelijk geleden schade van Kracht op werknemer te verhalen.”
Op 1 december 2025 heeft [eiser] aan Kracht medegedeeld dat hij voornemens is om zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen en aansluitend in dienst te treden bij YER.
In de e-mail van 1 december 2025 schrijft [persoon] , werkzaam bij Kracht, aan [eiser] :
“Vanochtend hebben wij met elkaar weer een open en constructief gesprek gehad.
Een paar weken geleden liet je vallen dat een bekende van jou bij YER werkt en dat je dat mogelijk ook wel ziet zitten, daarop hebben wij geantwoord dat dit voor Kracht niet mogelijk is vanwege de aard van het bedrijf en jouw concurrentie- en relatiebeding. In het gesprek van vanochtend vertelde je dat je toch voornemens bent om in dienst te treden bij YER. We hebben hierover opnieuw nagedacht, maar Kracht kan niet toestaan dat jij gaat werken bij of voor een bedrijf dat ook technisch personeel bemiddelt, zoals YER dat doet.
YER verricht activiteiten die concurrerend zijn met de (core)werkzaamheden van Kracht. In jouw functie als [functie] bij Kracht heb je onder andere veel kennis van de werkwijze, het businessmodel, het klantenbestand en het personeel en de kandidaten van Kracht. Je hebt in jouw werk ook nauw contact met die klanten en kandidaten van Kracht. Ook krijgen [functie] binnen Kracht alle ruimte om kennis en kunde op te doen. Kracht ziet dus een groot concurrentiegevaar als jij zou gaan werken voor een bedrijf als YER. Daar kan Kracht dus geen toestemming voor geven.
Wij hopen dat je bij Kracht blijft en dat wij onze samenwerking kunnen voortzetten, met de ontwikkelmogelijkheden voor jouw carrière binnen Kracht zoals we die met elkaar hebben besproken. Als het toch jouw voorkeur heeft om elders aan de slag te gaan, dan willen we met jou meedenken over andere bedrijven. Weet dat we jou waarderen en erg blij zijn met jouw aanwezigheid binnen Kracht.”
Na het gesprek op 1 december 2025 is [eiser] vrijgesteld van werk met behoudt van salaris en overige emolumenten.
Op 8 december 2025 stuurt [eiser] een e-mail aan Kracht:
“Tijdens ons gesprek afgelopen maandag hebben jullie aangegeven dat ik per direct op non-actief ben gesteld en heb ik die dag mijn laptop ingeleverd. Omdat ik hiervan geen schriftelijke bevestiging heb ontvangen, wil ik jullie vragen dit aan mij te versturen.
In die bevestiging ontvang ik graag:
-
de concrete reden(en) voor de non-actiefstelling;
-
de duur van deze maatregel;
-
een toelichting waarom mijn aanwezigheid op dit moment niet wenselijk of mogelijk is.
Voor de duidelijkheid: ik ben bereid mijn werkzaamheden te blijven uitvoeren en ben beschikbaar voor werk.”
Hierop heeft, namens Kracht, [vertegenwoordiger] op 9 december 2025 als volgt gereageerd:
“Dank voor je bericht. Graag reageer ik hieronder op jouw mail.
Allereerst ter opheldering: je bent voorlopig vrijgesteld van werkzaamheden, we hebben niet het woord non-actief gebruikt. Jouw arbeidsovereenkomst loopt volledig door en wij blijven al onze contractuele verplichtingen jegens jou nakomen. Je behoudt dus je recht op loon, opbouw van vakantiedagen, het gebruik van je auto, et cetera.
Waarom deze tijdelijke maatregel?
Wij hebben moeten constateren dat je, tegen onze wens in, in gesprek bent gegaan met een directe concurrent, te weten Yer, en dat je voornemens bent om daar te gaan werken. In zo’n situatie kan jouw aanwezigheid met toegang tot systemen, klantgegevens en kandidaat informatie schadelijk zijn voor Kracht. Daarnaast is ons ter ore gekomen dat veel collega’s door jou zijn geïnformeerd over je mogelijke aanstaande vertrek. Meerdere collega’s hebben bevestigd dat het exacte salaris dat je bij Yer zou gaan verdienen is gedeeld (ons is een bedrag van € 5.700 genoemd) en dat je zelfs je contract hebt laten zien. Dit heeft begrijpelijkerwijs voor onrust en vragen binnen het team gezorgd.
[….]
Ik benadruk graag nogmaals dat je gewoon bij Kracht kunt blijven werken. Sterker nog, wij juichen dat toe. We gaan hierover graag met je in gesprek, inclusief over je mogelijke vertrek naar Yer, aangezien wij dat niet wenselijk vinden.
[…]”
Op 10 december 2025 schrijft [eiser] aan [vertegenwoordiger] :
“Ik moet eerlijk zeggen dat de situatie van de afgelopen dagen mij heeft geraakt. Ik was behoorlijk geschrokken dat ik mijn laptop direct moest inleveren en vrijgesteld werd van werk. Mentaal doet dat veel met me, juist omdat ik de afgelopen periode steeds open met jullie heb gesproken over mijn twijfels en het feit dat ik zoekende ben in mijn rol.
Om goed te begrijpen wat er nu precies speelt en wat er van mij wordt verwacht, ontvang ik graag een korte schriftelijke bevestiging van de vrijstelling van werkzaamheden, met daarin:
-
de aanleiding van deze maatregel,
-
de bedoeling en verwachte duur ervan,
-
en wat dit concreet betekent voor mij.
Dat helpt mij om de situatie te kunnen plaatsen en alles goed te verwerken.
Wat betreft mijn toekomst: ik ben aan het oriënteren, maar ik heb hierover geen definitieve keuze gemaakt. Op dit moment is het voor mij vooral belangrijk om duidelijkheid te krijgen over mijn positie binnen Kracht.
Ik ben nog steeds gewoon beschikbaar om mijn werkzaamheden te verrichten.
Wat betreft het gesprek dat je voorstelt: ik wil dat gesprek graag voeren. Gezien alle wat er nu speelt, zou ik het prettig vinden om dit op neutraal terrein te doen. Dat voelt voor mij rustiger en veiliger, zeker nu ik vrijgesteld ben van werkzaamheden.
Ik zie jullie schriftelijke toelichting graag tegemoet, voordat wij vrijdag met elkaar in gespreek gaan.”
In reactie hierop schrijft de heer [vertegenwoordiger] op 11 december 2025 aan [eiser] :
“Eerlijk gezegd begrijp ik jouw reactie niet helemaal, omdat ik juist in de vorige mail de (redenen van de) tijdelijke vrijstelling al had toegelicht. Ik zal dit hieronder opnieuw opnemen.
De aanleiding hiervoor is het bewaren van de rust en het beschermen van het bedrijfsdebiet van Kracht, omdat je ons hebt verteld dat je naar YER wilt vertrekken en dat meerdere collega’s hebben bevestigd dat jij hun dit eveneens hebt medegedeeld, inclusief het tonen van je contract en het delen van het salaris dat je daar zou gaan verdienen. Je behoudt gedurende de tijdelijke vrijstelling recht op jouw salaris en andere arbeidsvoorwaarden. De vrijstelling is tijdelijk en geldt voor de periode totdat er duidelijkheid is. Meer antwoorden kunnen we nu dus niet geven. Juist om die duidelijkheid te krijgen wil Kracht met jou morgen in gesprek.
Ik heb voor het verkrijgen van duidelijkheid één kernvraag gesteld: wat is juist definitieve keuze?
-
Ga je daadwerkelijk naar YER?
-
Of wil je bij Kracht blijven en het gesprek aangaan hoe we dat samen succesvol kunnen voortzetten?
Zoals eerder toegelicht kan Kracht niet toestaan dat jij gaa werken bij of voor een bedrijf dat ok technisch personeel bemiddelt, zoals YER dat doet. We gopen nog steeds dat we de samenwerking bij Kracht kunnen voortzetten, maar zoals gezegd is Kracht anders ook bereid om desgewenst met jou mee te denken over andere bedrijven met niet-concurrerende werkzaamheden.(…)”
Tijdens het gesprek op 12 december 2025 heeft [eiser] aan Kracht bevestigd dat hij voornemens is om bij YER in dienst te treden.
In de tussenliggende periode hebben partijen getracht overeenstemming te bereiken en heeft [eiser] een deel van zijn werkzaamheden opgepakt.
[eiser] heeft zich per 17 februari 2026 ziekgemeld. In het rapport van de bedrijfsarts staat:
“Na betrokkene gesproken en onderzocht te hebben concludeer ik dat er geen sprake is van ziekte en/of gebrek. Wel ervaart betrokkene klachten als reactie op een specifieke situatie, namelijk een lopend arbeidsconflict, waarvoor naar ik begrijp op 27-03-2026 een rechtbankzitting gepland staat.
Mijn advies is om, in het kader van preventie van ziekte, de afhandeling van dit arbeidsconflict eerst volledig plaats te laten vinden. Afhankelijk van de uitkomst kan dan gekeken worden of re-integratie bij werkgever nog van toepassing is.”
[eiser] is thans nog steeds in dienst van Kracht.
3 Het geschil
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, bij wijze van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Kracht gebiedt [eiser] zonder enige beperking toe te staan in dienst te treden en werkzaamheden te verrichten bij YER,
II. het concurrentiebeding geheel dan wel gedeeltelijk schorst, althans in duur en reikwijdte matigt, per datum van het te wijzen vonnis, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, zodanig dat het [eiser] is toegestaan in dienst te treden en werkzaamheden te verrichten bij YER, totdat in een bodemprocedure anders is beslist,
III. Kracht gebiedt om vanaf de datum dat [eiser] belemmerd werd om bij YER in dienst te treden (1 februari 2026) tot aan de datum dat [eiser] belemmerd wordt om bij YER in dienst te treden, althans een in goede justitie te bepalen datum, een vergoeding te voldoen van € 2.245,00 bruto per maand, althans een in goede justitie te bepalen bedrag of voorschot op dag bedrag, totdat in een bodemprocedure anders is beslist,
IV. Kracht gebiedt [eiser] in staat te stellen zonder enige beperking zijn gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, waaronder het contact onderhouden met de in nr. 2.19 van de dagvaarding genoemde keyaccounts, tot het moment waarop zijn arbeidsovereenkomst bij Kracht rechtsgeldig ten einde is gekomen, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag, of een gedeelte daarvan, dat Kracht in gebreke blijft hieraan te voldoen, althans zodanige maatregelen te treffen die u in goede justitie meent te bepalen; en
V. Kracht veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat het concurrentiebeding hem, in verhouding tot het te beschermen belang van Kracht, onbillijk benadeelt en zijn recht op vrije arbeidskeuze beperkt. Met de overstap naar YER is voor [eiser] sprake van een aanzienlijke positieverbetering, terwijl [eiser] bij Kracht nooit een managementpositie heeft bekleed en bij YER niet of nauwelijks sprake is van doorgroeiperspectief.
Bij een eventuele overstap naar YER wordt Kracht niet in haar bedrijfsdebiet geschaad. [eiser] beschikt niet over essentiële bedrijfsinformatie of over unieke werkprocessen of strategieën van Kracht. Omdat het concurrentiebeding [eiser] belemmert om bij een andere werkgever in dienst te zijn, maakt [eiser] aanspraak op een vergoeding ter compensatie van gemiste inkomsten, voor de duur van de beperking.
Tot slot vordert [eiser] om hem toe te laten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden. Het wordt [eiser] niet toegestaan om de volledige bedongen arbeid te verrichten, in die zin dat hij zonder enige grondslag een aantal van zijn keyaccounts niet meer mag benaderen. Hierdoor belemmert Kracht [eiser] in zijn mogelijkheden om zijn targets te behalen. Dat is niet alleen van belang voor zijn huidige inkomen uit hoofde van bonussen met ook voor zijn ontwikkelmogelijkheden bij Kracht.
Kracht heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, wordt ingegaan.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Inleiding
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering. Het concurrentiebeding kan [eiser] belemmeren bij een indiensttreding bij YER. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Juridisch kader
Op grond van artikel 7:653 lid 3 onder b BW kan een concurrentiebeding op grond van de wet door de rechter (gedeeltelijk) worden vernietigd als in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Een vordering tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van zo’n beding kan niet in kort geding worden toegewezen. In kort geding kan wel een vordering tot schorsing van een concurrentiebeding worden toegewezen. Bij de beoordeling van deze vordering moet de rechter een voorlopig oordeel geven over de te maken belangenafweging.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een concurrentiebeding is bedoeld om het bedrijfsdebiet van de werkgever te beschermen. Het gaat daarbij om het beschermen van bedrijfsgeheimen en andere concurrentiegevoelige informatie en/of het voorkomen dat een ex-werknemer bepaalde, al dan niet door hem onderhouden relaties met gebruikmaking van de door hem via zijn ex-werkgever bij die relaties verworven bekendheid meeneemt naar zijn nieuwe werkgever, met wie de ex-werkgever in een concurrentieverhouding staat. Het beding is niet bedoeld om werknemers aan de werkgever te binden. Het enkele feit dat een werknemer in de uitoefening van zijn functie kennis en ervaring heeft opgedaan, betekent nog niet dat de werkgever bij het vertrek van die werknemer, ook niet bij vertrek naar een concurrent, in zijn bedrijfsdebiet wordt aangetast op zodanige wijze dat dit bescherming verdient. Dat een werknemer bij zijn vertrek kennis en ervaring die is opgedaan bij zijn werkgever meeneemt is immers inherent aan zijn vertrek. Het concurrentiebeding biedt dus geen bescherming tegen het vertrek van een ervaren werknemer en tegen de indiensttreding van die werknemer bij een concurrent van de oude werkgever, maar alleen tegen de aantasting van het bedrijfsdebiet door zo’n overstap.
Daar tegenover staat het recht op vrije arbeidskeuze van de werknemer. Als een werknemer door een concurrentiebeding na het einde van het dienstverband in zijn mogelijkheden om zich vrij te kunnen bewegen op de arbeidsmarkt wordt beperkt en om vernietiging of beperking van dat beding vraagt, moet een afweging worden gemaakt tussen het recht op vrije arbeidskeuze enerzijds en het belang van de werkgever bij handhaving van het concurrentiebeding anderzijds.
Het concurrentiebeding staat aan indiensttreding van [eiser] bij YER in de weg
Niet in geschil is dat YER een concurrent is van Kracht en dat een indiensttreding van [eiser] bij YER in strijd is met het overeengekomen concurrentiebeding. Dat betekent dat de kantonrechter moet beoordelen of in verhouding tot het te beschermen belang van Kracht als werkgever, [eiser] als werknemer, onbillijk wordt benadeeld en er dus op grond van de belangenafweging van artikel 7:653 lid 3 onder b BW reden is om tot (gedeeltelijke) schorsing van het concurrentiebeding over te gaan.
Zoals hiervoor al is overwogen, is een concurrentiebeding bedoeld om het bedrijfsdebiet van de werkgever te beschermen. Van een aantasting van het bedrijfsdebiet is pas sprake wanneer de werknemer door zijn functie op de hoogte is van essentiële relevante (commerciële en technische) informatie over producten, diensten en/of werkprocessen en/of kennis heeft van unieke werkprocessen en strategieën en hij deze kennis ten behoeve van zijn nieuwe werkgever kan gebruiken, waardoor de nieuwe werkgever in de concurrentieslag met de oude werkgever in het voordeel is. De kantonrechter is, voorshands van oordeel, dat daarvan in deze zaak sprake is. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Kracht heeft onderbouwd dat [eiser] beschikt over essentiële concurrentiegevoelige informatie waarmee YER haar voordeel kan doen. In zijn huidige functie sluit [eiser] namelijk, binnen een bepaalde bandbreedte, zelf overeenkomsten met klanten. Daardoor is hij op de hoogte van de door Kracht gehanteerde tarieven, gebruikte marges en kostprijzen. Dat [eiser] voor het sluiten van overeenkomsten buiten de gestelde bandbreedte altijd eerst overleg met zijn leidinggevende moet voeren, maakt het voorgaande niet anders. [eiser] was immers ook in die gevallen op de hoogte van de uiteindelijk aangeboden tarieven: [eiser] was degene die de uiteindelijke overeenkomst sloot.
Kracht heeft toegelicht dat [eiser] met gebruikmaking van deze kennis over de tarieven bij Kracht, na een indiensttreding bij YER bij het aanbieden van een overeenkomst met een klant net onder de zogenaamde ‘sweet spot’ zou kunnen gaan zitten. Het gevolg zou daarvan kunnen zijn dat klanten eerder een overeenkomst aangaan met YER dan met Kracht. Dit zou direct klantenverlies voor Kracht opleveren. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat uit het door Kracht als productie 7 overgelegde overzicht van vacatures volgt dat Kracht en YER, binnen hetzelfde geografische gebied, voor dezelfde groep vacatures, personeel zoeken. Kracht en YER bedienen dus dezelfde klanten en zoeken voor deze klanten personeel voor dezelfde vacatures. Kracht heeft daarbij onweersproken aangevoerd dat [eiser] ervan op de hoogte is welke kandidaten Kracht nog in de pijplijn heeft zitten, welke klanten mogelijk ontevreden zijn en een overstap overwegen, bij welke klanten het contract afloopt en waar de prijs al onder druk staat of waar nog ruimte voor onderhandeling bestaat.
Tot slot geldt dat Kracht onweersproken heeft aangevoerd dat [eiser] kennis heeft over de door Kracht zelf ontwikkelde AI en voorspelmodellen. Bedrijfsmiddelen waarover YER niet beschikt. Ook de kennis van deze bedrijfsgevoelige informatie zou [eiser] kunnen inzetten bij YER. Het is dan ook aannemelijk dat het bedrijfsdebiet van Kracht op diverse onderdelen wordt geschaad in het geval van een overstap van [eiser] naar YER.
Met Kracht is de kantonrechter van oordeel dat gelet hierop het overeengekomen geheimhoudings- en relatiebeding het bedrijfsdebiet van Kracht onvoldoende bescherming bieden. Zodra [eiser] bij YER in dienst treedt, is het voor Kracht niet meer na te gaan welke informatie [eiser] deelt met zijn nieuwe collega’s.
De stelling van [eiser] dat Kracht een andere collega wel heeft toegestaan bij een concurrent in dienst te treden, en zij dus met twee maten meet, volgt de kantonrechter niet. Kracht heeft gemotiveerd aangevoerd dat de nieuwe werkgever van deze collega een veel kleinere speler in dezelfde branche is, namelijk met minder dan tien personeelsleden. Een eventuele aantasting van het bedrijfsdebiet van Kracht door deze overstap zal daardoor veel minder impact hebben dan de door [eiser] voorgestane overstap naar YER, een veel grotere speler in dezelfde branche, met ongeveer 2000 personeelsleden. Een dergelijke hoeveelheid personeelsleden kan op een dag veel productiever zijn dan de werknemers bij een kleinere speler in dezelfde branche met minder dan tien personeelsleden. De schade voor Kracht zou dan veel minder groot zijn. Daarnaast is die werknemer veel korter bij Kracht werkzaam geweest dan [eiser] en is er met hem een ander totaalpakket aan afspraken gemaakt. Dat sprake is van gelijke gevallen bij het einde van de arbeidsovereenkomst die gelijk moeten worden behandeld, is derhalve voorshands oordelen in kort geding niet gebleken.
Gelet op het voorgaande weegt het belang van [eiser] om zich vrij te kunnen bewegen op de arbeidsmarkt niet zwaarder dan het belang van Kracht bij het beschermen van haar bedrijfsdebiet middels het overeengekomen concurrentiebeding. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat Kracht het concurrentiebeding al heeft beperkt tot één jaar en zich bereid heeft getoond met [eiser] mee te willen denken bij een overstap naar een andere werkgever, mits die zich niet richt op het vakgebied Techniek/Engineering en/of een onderneming met een substantieel beperktere omvang dan YER. Bovendien heeft Kracht gemotiveerd weersproken dat [eiser] ruim 25% meer zou gaan verdienen bij YER. Bij YER ontvangt [eiser] onder meer geen pensioen, is de standaardbeloning hoger maar de bonusgrens lager, en ontvangt [eiser] bij YER minder vakantiedagen. Gelet hierop is het aannemelijk dat de overstap naar YER voor [eiser] tot een minder vergaande positieverbetering leidt dan door hem is geschetst.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het voorshands oordelend in kort geding niet aannemelijk is dat de vordering van [eiser] in een bodemprocedure, strekkende tot vernietiging van het concurrentiebeding zal worden toegewezen. De vordering tot volledige schorsing van het concurrentiebeding wordt dan ook afgewezen. Omdat Kracht al heeft laten weten de duur van het concurrentiebeding te willen beperken tot één jaar en de kantonrechter van oordeel is dat twee jaar [eiser] wel teveel beperkt, zal de vordering van [eiser] tot schorsing van het concurrentiebeding wel gedeeltelijk worden toegewezen, te weten voor zover het beding een langere duurt heeft dan één jaar na einde dienstverband.
Vergoeding artikel 7:653 lid 5 BW
[eiser] vordert dat aan hem een vergoeding wordt toegekend als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW. Op grond van dat artikel kan de kantonrechter een werkgever veroordelen om een vergoeding te betalen aan de werknemer als deze door een concurrentiebeding in belangrijke mate wordt belemmerd om elders in dienst te treden. Het enkele feit dat het concurrentiebeding [eiser] belemmert in het vinden van ander werk is onvoldoende voor toekenning van een dergelijke vergoeding. Het gaat bij deze vergoeding niet om een schadevergoeding, maar om een vergoeding naar billijkheid. Daarvoor is nodig dat het beding [eiser] in belangrijke mate belemmert. Dat de bodemrechter tot die conclusie zal komen wordt niet aannemelijk geacht. Kracht heeft gemotiveerd aangevoerd dat [eiser] met zijn kennis en vaardigheden als [functie] bij diverse soorten arbeidsbemiddeling werkgevers aan de slag kan en dat het onderdeel Techniek/Engineering daarvan slechts een klein onderdeel uitmaakt. Dat [eiser] ervoor kiest om enkel te willen werken binnen dit onderdeel, dient daarom voor zijn rekening en risico te komen. [eiser] is jong en staat aan het begin van zijn loopbaan, zodat er nog mogelijkheden te over zijn. Voorshands oordelend is dus geen grond aanwezig voor toekenning van (een voorschot op) een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
Wedertewerkstelling
[eiser] vordert Kracht te veroordelen om zonder enige beperking zijn gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, waaronder het contact onderhouden met de in nr. 2.19. van de dagvaarding genoemde keyaccounts, tot het moment waarop zijn arbeidsovereenkomst met Kracht op rechtsgeldige wijze ten einde is gekomen.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat [eiser] geen recht en belang heeft bij toewijzing van deze vordering. Daartoe wordt het volgende overwogen. Kracht heeft verklaard dat [eiser] zijn gebruikelijke werkzaamheden kan verrichten, met dien verstande dat sommige keyaccountants na de tijdelijke vrijstelling van werk en/of na de recentere ziekmelding van [eiser] door andere [functie] worden bediend en Kracht om zakelijke redenen die niet (allemaal) weer opnieuw wil laten wisselen van [functie] .
Voorshands oordelend was Kracht bevoegd [eiser] tijdelijk vrij te stellen van werk op het moment dat [eiser] eind 2025 had laten weten toch naar YER te zullen overstappen, ondanks dat Kracht had laten weten hem aan het concurrentiebeding te zullen houden. Kracht had op dat moment recht en belang bij bescherming van haar bedrijfsdebiet en dus een gerechtvaardigd belang om [eiser] vrij te stellen van werk. Ook daarna heeft [eiser] meermaals, en ook tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak, laten weten niet langer bij Kracht te willen blijven werken. Inmiddels heeft hij zich ziekgemeld. Die ziekmelding is, zo is door Kracht gesteld en door [eiser] niet weersproken, door de bedrijfsarts niet is geaccepteerd. De bedrijfsarts zou hebben geconcludeerd dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte maar sprake is van een arbeidsconflict. Alles overziend kan de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat er sprake lijkt te zijn van een vlucht in een ziekmelding nu Kracht weigert [eiser] toestemming te geven om bij YER in dienst te treden. Wat daar van ook van zij, [eiser] zal zijn werkzaamheden weer kunnen oppakken en heeft het in zoverre in zijn macht of hij zijn gebruikelijke werkzaamheden weer gaat uitvoeren. In het algemeen is het zo dat een werknemer die kortdurende ziek of om andere redenen afwezig is geweest, op het moment van terugkeer weer - zoveel mogelijk - zijn volledig oud werkpakket krijgt. Dat is het uitgangspunt. In dit geval ligt dat wat genuanceerder. Welke concrete (key)accounts [eiser] bedient is niet in zijn arbeidsovereenkomst gespecificeerd en dus niet op basis daarvan afdwingbaar. De concrete invulling daarvan past binnen het instructierecht dat Kracht als werkgever toekomt. Het is begrijpelijk dat Kracht om zakelijke overwegingen de accounts die door de afwezigheid van [eiser] (eerst de vrijstelling van werk en later de ziekmelding) zijn overgedragen aan andere [functie] niet weer teruggeeft aan [eiser] nu hij tot en met de zitting heeft volhard in zijn stelling niet bij Kracht te willen blijven werken. Als [eiser] binnen afzienbare tijd opzegt zou Kracht wederom binnen afzienbare tijd in een wijziging van [functie] moeten voorzien. Kracht heeft uit commerciële overwegingen recht en belang bij continuïteit van de [functie] die haar klanten bedienen. Bovendien laat [eiser] in het midden wat hij wel gaat doen nu hij bij Kracht weg wil, zodat Kracht ook recht en belang heeft bij het beschermen van haar bedrijfsdebiet.
Dit alles leidt ertoe dat, voorshands oordelend, [eiser] bij de vordering dat hij weer wordt toegelaten om zijn gebruikelijke werkzaamheden te verrichten geen belang heeft omdat Kracht daartoe bereid is. Die vordering wordt daarom afgewezen. De vordering om ook weer in de gelegenheid gesteld te worden om al zijn oude keyaccountants te bedienen wordt afgewezen omdat hij daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet in alle gevallen aanspraak kan maken omdat dit binnen de instructiebevoegheidd valt van Kracht als werkgever. Ter informatie van Kracht wijst de kantonrechter er wel op dat daarbij de grenzen van goed werkgeverschap, de redelijkheid en billijkheid maatgevend zijn en [eiser] , zonder nieuwe zwaarwegende omstandigheden niet van al zijn keyaccounts afgehouden kan worden als hij weer aan de slag gaat.
Proceskosten
Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij moet [eiser] de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Kracht worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
865,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.009,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter, bij wijze van voorlopige voorziening,
schorst het tussen partijen in artikel 12 lid 1 van de arbeidsovereenkomst overeengekomen concurrentiebeding voor zover de duur daarvan de periode van één jaar na het einde van de dienstbetrekking overschrijdt,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
34124 / 498