Civiel recht overig
Verzoek dwangakkoord (artikel 287a Fw) afgewezen. Schuldregeling begeleid door onbevoegde schuldhulpverlener…
Rechtbank Gelderland, 23 januari 2019
ECLI:NL:RBGEL:2019:269 · Rechtbank Gelderland · 23 januari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbgel-2019-269
Zaakgegevens
Op 23 januari 2019 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Datum uitspraak
- 23 januari 2019
- Datum publicatie
- 25 januari 2019
- Zaaknummer
- C/05/344362 FT RK 18/1473
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2019:269
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek dwangakkoord (artikel 287a Fw) afgewezen. Schuldregeling begeleid door onbevoegde schuldhulpverlener. Getracht dit te herstellen door een tweede poging tot een schuldregeling uit te voeren, door een bevoegde schuldhulpverlener. Hierdoor is op essentiële onderdelen onduidelijkheid over de tot stand te brengen schuldregeling ontstaan. Inhoud schuldregeling en ingangsdatum spaarperiode onduidelijk.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team Insolventies
Zittingsplaats Zutphen
rekestnummer: C/05/344362 FT RK 18/1473 ls
uitspraakdatum: 23 januari 2019
Verzoek gedwongen schuldregeling ex artikel 287a van de Faillissementswet
in de zaak van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
tegen
[verweerster sub 1] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],
hierna te noemen: [verweerster sub 1],
en
de naamloze vennootschap ING Bank N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amersfoort,
hierna te noemen: ING,
gezamenlijk te noemen: verweerders.
1 De procedure
Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Daarbij is tevens verzocht om de weigerachtige schuldeiser, te weten verweerders, te bevelen in te stemmen met een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet.
Verzoeker is door de rechtbank gehoord ter terechtzitting van 16 januari 2019, bijgestaan door mr. R.P. van Vliet, advocaat te Baarn, en mevrouw G.A.A. Smit, werkzaam bij Oxyz Coöperatie U.A.. Verder is de [verweerster sub 1] ter zitting verschenen en gehoord. ING heeft schriftelijk verweer gevoerd.
2 De feiten
Het verzoek betreft het opleggen van een schuldregeling aan de schuldeisers, inhoudende een betaling van % van de totale vordering aan de schuldeisers tegen finale kwijting.
Bij prognose-akkoord:
Het aanbod betreft een prognose en houdt in dat namens verzoeker drie jaar lang alle inkomsten boven het (conform de uniforme rekenmethode van Recofa) vastgestelde vrij te laten bedrag reserveert voor de schuldeisers. Jaarlijks zal een inkomenstoets plaatsvinden, waarbij het budget wordt herberekend. Alle inkomsten van verzoeker boven het budget worden maandelijks gereserveerd en na de jaarlijkse hercontrole aan de schuldeisers uitbetaald. Van de opgebouwde reserve wordt door € 6,00 per maand ingehouden voor financieel beheer en voorts wordt 9% ingehouden voor bemiddelingskosten.
Bij saneringskrediet:
Het aangeboden percentage is terug te voeren op een aan verzoeker verstrekt saneringskrediet van € netto. De hoogte van dit krediet is door gerelateerd aan het conform de uniforme rekenmethode van Recofa vast te stellen vrij te laten bedrag zoals dat voor verzoeker geldt.
Verzoeker heeft volgens het verzoekschrift een totale schuldenlast van
€ . van de in totaal schuldeisers is niet met het voorstel akkoord gegaan, te weten verweerders, met een vordering van € . Verweerders vertegenwoordigt circa % van de totale schuldenlast.
3 Het verzoek en de standpunten van partijen
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de schuldeisers bij toewijzing van het verzoek een aanzienlijk hoger percentage zullen krijgen dan in de schuldsaneringsregeling vermoedelijk kan worden aangeboden, omdat in de wettelijke schuldsaneringsregeling de kosten van de bewindvoerder in mindering worden gebracht op het aan de schuldeisers uit te keren bedrag. Verzoeker verwacht niet dat hij op korte termijn tot een inkomstenverhoging kan komen die tot meer afdrachtcapaciteit zal leiden.
Verweerders weigert met de aangeboden schuldregeling akkoord te gaan en heeft daartoe aangevoerd dat .
Of
3.2. Verweerders heeft geen verweer gevoerd.
4 De beoordeling
Het verzoek tot het opleggen van deze schuldregeling dient op grond van het bepaalde in artikel 287a, vijfde lid, van de Faillissementswet (hierna: Fw) te worden toegewezen indien verweerders in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of van de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
Allereerst moet worden beoordeeld of het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd en of voldoende duidelijk is dat het aanbod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht. De schuldregeling is door voorbereid en getoetst. Dit betreft een onafhankelijke instantie. Het verzoek is voorts goed onderbouwd en gedocumenteerd.
Ten aanzien van de vraag of voldoende duidelijk is dat het aanbod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat is, overweegt de rechtbank het volgende. Hierdoor bestaat niet de verwachting dat het inkomen van verzoeker zodanig zal kunnen stijgen dat dit zal kunnen leiden tot een hogere uitdeling. Het aanbod moet dan ook worden gezien als het uiterste waartoe verzoeker financieel in staat kan worden geacht. Omdat sprake is van een prognose-akkoord, zal indien verzoeker er toch in zal slagen meer inkomsten te genereren het aan de schuldeisers uit te keren percentage ook hoger worden.
Indien de rechtbank het verzoek van verzoeker zou afwijzen, zouden er geen beletselen bestaan tegen toelating van verzoeker tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit alternatief levert voor verweerders veel minder op, gelet op de kosten van het wettelijke traject. De rechtbank overweegt dat de kosten in een schuldsaneringsregeling beduidend hoger zijn dan in een minnelijke schuldregeling, hetgeen ten laste komt van een eventueel spaarsaldo. Omdat verzoeker, indien het verzoek zou worden afgewezen, zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, acht de rechtbank de gedwongen schuldregeling ook in het belang van verweerders.
Uit het vorenstaande volgt dat is gebleken dat verweerders in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het belang dat verweerders heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering, staat niet in een zodanige verhouding tot het belang van verzoeker en de overige schuldeisers, die op basis van het aanbod een uitkering tegemoet kunnen zien, dat dit zal moeten leiden tot weigering van de gevraagde voorziening. Het verzoek om verweerders te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt op grond van artikel 287a, vijfde lid, van de Fw toegewezen.
Het verzoek van verzoeker om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan, gelet op de toewijzing van het verzoek, onbesproken blijven.
5 De beslissing
De rechtbank:
-
beveelt verweerders in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
-
verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 23 januari 2019.
Let op: bij afwijzing dwangakkoord en toewijzing wsnp het rechtsmiddel hieronder weghalen.
Bij afwijzing dwangakkoord en afwijzing wsnp hieronder ‘schuldeiser(s)’ veranderen in ‘verzoeker(s)’.
Hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan door de schuldeiser(s) hoger beroep worden ingesteld. Hoger beroep kan alleen worden ingesteld door een advocaat. Die moet dat doen binnen acht dagen na dit vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.