Verbintenissenrecht

Huur- en onderhoud en monitoringsovereenkomst zonnepanelen. Eindvonnis na twee tussenvonnissen. Vernieitiging…

Rechtbank Gelderland, 25 februari 2026

Zaakgegevens

Op 25 februari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
25 februari 2026
Datum publicatie
27 februari 2026
Zaaknummer
10902212
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:1496
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Huur- en onderhoud en monitoringsovereenkomst zonnepanelen. Eindvonnis na twee tussenvonnissen. Vernieitiging van de huur- en O&M overeenkomst wegens bedrog. Vordering tot betaling op grond van die overeenkomsten in conventie daarom afgewezen. Vordering in reconventie wegens onverschuldigde betaling gedeeltelijk toegewezen na aftrek van een waardevergoeding ex artikel 6:210 lid 2 BW.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: 10902212 \ CV EXPL 24-903

Vonnis van 25 februari 2026

in de zaak van

[eisende partij] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. S. Harpman (ARAG SE Rechtsbijstand),

tegen

1 [naam bedrijf 1] C.V.,

en
2. [naam bedrijf 2] , BEHEREND VENNOOT VAN
[naam bedrijf 1] C.V.,

en
3. [naam vennoot] , BEHEREND VENNOOT VAN [naam bedrijf 1] C.V.,

allen kantoorhoudende of gevestigd te [plaatsnaam] ( [gemeente] ),

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna te noemen: [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [vennoot] , dan wel gezamenlijk [gedaagden in conventie] ,

gemachtigde: mr. M.V. Hazekamp

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 november 2025 (hierna: het tussenvonnis) met de daarin genoemde processtukken;
- de akte van [eiser] van 3 december 2025 met productie 51;
- de akte van [gedaagden in conventie] van 17 december 2025;
- de akte van [eiser] van 28 januari 2026.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

Verzoek terug te komen op reeds genomen beslissingen

2.1.

[gedaagden in conventie] verzoekt de kantonrechter terug te komen op het eindoordeel dat [bedrijf 2] niet met succes stelde dat de overeenkomst van 9 juni 2020 vernietigbaar is. [gedaagden in conventie] meent dat voor zover dat niet reeds volgt in de eerder door [bedrijf 2] gestelde feiten en rechtsgronden aan haar een tweede kans moet worden gegund om een nadere onderbouwing te geven. Dit geldt temeer nu aan [eiser] in de tussenvonnissen van 27 november 2024 en
5 november 2025 een tweede en derde kans is gegeven om haar conventionele vordering te onderbouwen. Daarnaast verzoekt [gedaagden in conventie] terug te komen op het eindoordeel dat [eiser] niet zal worden veroordeeld in de volledige proceskosten.

2.2.

[eiser] is van oordeel dat geen grond bestaat voor het terugkomen op eerdere, bij tussenvonnis genomen, beslissing.

2.3.

De kantonrechter overweegt dat niet zonder meer teruggekomen kan worden van een eindoordeel dat is gegeven in een tussenvonnis. De kantonrechter is in beginsel gebonden aan zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissingen over de vordering tot vernietiging van overeenkomst van 9 juli 2020 (in rov. 2.45. van het tussenvonnis) en de sanctionering van [eiser] in verband met de schending van artikel 21 Rv (in rov. 2.7. van het tussenvonnis). Wel staat het de kantonrechter vrij om deze bindende eindbeslissingen te heroverwegen om te voorkomen dat hij uitspraak zou doen op een feitelijk of juridisch onjuiste grondslag of de eisen van een goede procesorde dit meebrengen. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. [gedaagden in conventie] heeft ten aanzien van de overeenkomst van 9 juli 2020 geen nieuwe feiten of grondslagen naar voren gebracht die de beslissing van de kantonrechter anders maken. Dat [eiser] alweer (bewust) in strijd met de waarheidsplicht handelde en zich alweer bewust bediende van misbruik van procesrecht is evenmin gebleken. Anders dan [gedaagden in conventie] stelt heeft [eiser] niet gesteld dat [bedrijf 1] gedurende de looptijd van de vernietigde overeenkomst een bedrag van € 91.722,83 heeft verkregen. Zij heeft evenmin gesteld dat zij (al dan niet gedurende de looptijd van het contract met
NL-groen B.V.) GVO’s voor [bedrijf 1] heeft verkocht. Dat [eiser] drie kansen heeft gekregen om haar vordering in conventie te onderbouwen, zoals [gedaagden in conventie] stelt, is evenmin het geval.
[gedaagden in conventie] gaat er daarbij aan voorbij dat de in de tussenvonnissen van 27 november 2024 en
5 november 2025 gevraagde onderbouwingen zien op de waardevergoeding die bepaald dient te worden in verband met de door haarzelf ingestelde reconventionele vordering en niet op de door [eiser] ingestelde vordering in conventie. Die is immers reeds in het tussenvonnis van 27 november 2024 afgewezen (rov. 4.10.). De kantonrechter blijft aldus bij hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 5 november 2025.

Uitgevoerde diensten

2.4.

Partijen zijn in het tussenvonnis (rov. 2.24 en 2.52) in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de hoogte van de waardevergoeding in verband met de door [eiser] verrichtte werkzaamheden:

  • als intermediair RVO,

  • in het kader van de verkoop van GVO’s en het sluiten van de contracten, en

  • de inspecties van 1 februari 2022 en 19 juli 2022.

Intermediair RVO

2.5.

[eiser] meent dat zij aanspraak kan maken op een waardevergoeding van € 9.172,29. Zij verwijst daarbij naar de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/wbso/aanvraagproces/wel-geen-intermediair) en stelt dat daaruit blijkt dat de advieskosten doorgaans 5 tot 15% van het subsidiebedrag bedragen. Het subsidiebedrag waarmee gerekend dient te worden is volgens [eiser]
€ 91.722,83. Rekening houdend met gemiddelde advieskosten van 10% betreft de waardevergoeding dan het genoemde bedrag.

2.6.

[bedrijf 1] voert hiertegen aan dat uit bijlage 1 bij de overeenkomst dat [eiser] de voorschotbeschikkingen en uitgekeerde subsidies moest controleren en eventuele afwijkingen oplossen. [eiser] heeft niet gesteld dat zij deze werkzaamheden heeft verricht. Daar komt bij dat de website waarnaar [eiser] verwijst ziet op de advisering bij het opstellen en indienen van de aanvraag tot subsidie. [bedrijf 1] heeft de desbetreffende aanvraag zelf ingediend zonder bijstand van [eiser] . Bovendien gaat de website over aanvragen tot subsidie op grond van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk, terwijl de aanvraag van [bedrijf 1] strekte tot verkrijging van subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransactie. Ten slotte volgt uit productie 41 van [eiser] dat gedurende de looptijd van de vernietigde overeenkomst geen subsidie werd verkregen, terwijl [eiser] rekent met een subsidiebedrag van € 91.722,83.

2.7.

De kantonrechter stelt vast dat [eiser] niet heeft gesteld welke concrete prestaties zij daadwerkelijk heeft verricht en in hoeverre [bedrijf 1] daardoor is verrijkt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de door [eiser] geclaimde waardevergoeding, is voorts niet aannemelijk dat dit bedrag de waarde is die de prestatie normaal in het economisch verkeer heeft. Hoewel [bedrijf 1] thans betwist dat [eiser] aanspraak kan maken op een vergoeding omdat zij niet heeft gesteld dat zij de in bijlage 1 bij de overeenkomst verrichte werkzaamheden heeft verricht, heeft zij eerder erkend dat in dit kader werkzaamheden zijn verricht. Zij stelde immers dat (alleen) de aan [bedrijf 1] doorgezonden brieven van RVO zien op werkzaamheden voor [bedrijf 1] en verwijst in dit kader ook naar productie 41 van [eiser] . Desondanks heeft [bedrijf 1] zich wederom niet uitgelaten over de omvang van de verrijking in dit kader. Nu de toelichting van [eiser] geen aanknopingspunten biedt en [bedrijf 1] zich hierover niet heeft uitgelaten, zal de kantonrechter de waardevergoeding schatten. Uit productie 41 van [eiser] blijkt dat [eiser] vijf brieven van RVO al dan niet voorzien van een korte toelichting heeft doorgezonden aan [bedrijf 1] . [eiser] heeft onbetwist gesteld dat zij een uurtarief hanteert van € 95,00 per uur. De kantonrechter schat in dat het doornemen en doorsturen van bedoelde brieven in totaal twee uur heeft geduurd, zodat in dit kader een waardevergoeding zal worden toegekend van
2 x € 95,00 = € 190,00.

Verkoop GVO’s en sluiten contracten

2.8.

[eiser] meent dat zij aanspraak kan maken op een waardevergoeding van € 4.337,62. Zij verwijst daarbij naar de bedragen die in de markt voor dergelijke werkzaamheden worden gevraagd. Voor haar werkzaamheden in het kader van energiemanagement verwijst zij naar een opdrachtbevestiging van haar concurrent EKB Nederland B.V. (hierna: EKB) en voor haar werkzaamheden in het kader van vermogensbeheer naar een sheet van BloombergNEF. Uitgaande van het gemiddelde van de bedragen gebaseerd op de gegevens van voornoemde ondernemingen betreft de waardevergoeding het genoemde bedrag.

2.9.

[bedrijf 1] betwist dat [eiser] aanspraak kan maken op een waardevergoeding voor werkzaamheden in het kader van de verkoop van GVO’s. Zij verwijst in dat verband naar de tussen haar en NL-groen B.V. gesloten overeenkomst (productie 43 van [eiser] ), waaruit blijkt dat deze onderneming voor haar zorgdroeg voor de verkoop van GVO’s. Volgens [bedrijf 1] heeft [eiser] bovendien niet voldaan aan haar stelplicht door niet te stellen dat zij namens of ten behoeve van [bedrijf 1] één of meerdere overeenkomsten sloot en één of meerdere derden, zodat geen waardevergoeding kan worden toegekend. De opdrachtbevestiging van EKB ziet volgens [bedrijf 1] bovendien op een opdracht van geheel andere aard.

2.10.

De kantonrechter stelt vast dat [eiser] niet heeft gesteld welke concrete prestaties zij daadwerkelijk heeft verricht en in hoeverre [bedrijf 1] daardoor is verrijkt. Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan kan de opdrachtbevestiging van EKB bovendien niet als representatief worden beschouwd en wordt deze buiten beschouwing gelaten. Hoewel [bedrijf 1] thans voor het eerst (en daarmee tardief) betwist, volgt uit de door haar zelf aangehaalde en eerder door [eiser] in het kader van de onderbouwing van haar werkzaamheden in het geding gebrachte productie 41 dat [eiser] wel degelijk werkzaamheden heeft verricht. Deze werkzaamheden worden door [bedrijf 1] ook niet betwist. Anders dan [bedrijf 1] meent, stelt [eiser] niet dat zij zelf GVO’s voor [bedrijf 1] heeft verkocht. De overeenkomst met NL-Groen B.V. waarnaar [bedrijf 1] verwijst dateert bovendien van april 2023 en uit productie 41 van [eiser] blijkt dat deze door of via [eiser] tot stand is gekomen. [bedrijf 1] heeft zich wederom niet uitgelaten over de omvang van de verrijking. Nu [bedrijf 1] zich hierover niet heeft uitgelaten en de sheet en daarop gebaseerde berekening van BloombergNEF niet betwist, zal de kantonrechter de waardevergoeding overeenkomstig deze berekening schatten op € 3.773,23.

Inspecties van 1 februari 2022 en 19 juli 2022

2.11.

[eiser] stelt dat de inspecties van 1 februari 2022 en 19 juli 2022 zijn uitgevoerd door een servicemonteur van [eiser] en een gehele werkdag hebben geduurd. Rekening houdend met haar uurtarief van € 95,00, dient de waardevergoeding te worden bepaald op € 1.520,00.

2.12.

[bedrijf 1] betwist dat [eiser] twee inspecties heeft laten uitvoeren door een aan haar verbonden servicemonteur. [vennoot] heeft nooit een servicemonteur aanwezig gezien bij het PV-systeem, terwijl niemand zonder sleutel toegang kon hebben tot de ruimte waarin zich de bij het PV-systeem behorende omvormers zich bevinden.

2.13.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

[bedrijf 1] betwist eerst in haar akte van 17 december 2025 dat de reeds in de akte van
4 februari 2025 genoemde inspecties hebben plaatsgevonden. Nu zij dit eerder bijvoorbeeld in haar akte van 5 of 26 maart 2025 niet heeft betwist is deze betwisting tardief. [eiser] kan hier immers thans niet meer op reageren. Anderzijds komt het de kantonrechter in het licht van de eerder door [eiser] als productie 46 in het geding gebrachte agenda van de servicemonteur onaannemelijk voor dat de inspecties de gehele dag hebben geduurd, nu daarin voor de inspecties slechts een uur is ingeroosterd (op 1 februari 2022 van 14.30 tot 15.30 uur en op 19 juli 2022 van 13.00 tot 14.00 uur), terwijl op geen enkele wijze is onderbouwd dat de inspecties langer hebben geduurd. De kantonrechter zal in verband met de inspecties daarom een waardevergoeding van (2x € 95,00 =) € 190,00 toekennen.

Concluderend

2.14.

Gelet op hetgeen in het tussenvonnis van 5 november 2025 en hiervoor is overwogen is [bedrijf 1] aan [eiser] een waardevergoeding verschuldigd in verband met de door [eiser] verrichtte werkzaamheden als intermediair RVO van € 190,00, in het kader van de verkoop van GVO’s en het sluiten van de contracten van € 3.773,23, de reinigingsbeurt van € 2.735,81 en de inspecties van 1 februari 2022 en 1 juli 2022 van € 190,00, zijnde totaal
€ 6.889,04.

Afrondend

2.15.

Nu [bedrijf 1] reeds een bedrag van € 26.354,34 aan [eiser] heeft betaald, wordt een bedrag van (€ 26.354,34 - € 6.889,04 =) € 19.465,30 toegewezen aan onverschuldigde betaling, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over dit bedrag vanaf
20 september 2023 tot de dag van algehele betaling.

De tevens gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden, gelet op de hoogte van het toegewezen bedrag, bepaald op € 969,65. Aan de vereisten van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is immers voldaan. [bedrijf 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke incassokosten niet vermeerderen met de ook gevorderde omzetbelasting. Door [gedaagden in conventie] is namelijk niet uitdrukkelijk gesteld dat de omzetbelasting geen verrekenpost vormt en/of dat hij als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht waarop de vordering betrekking heeft.

Laatste openstaande punten

2.16.

In rov. 2.33. van het tussenvonnis is geoordeeld dat [eiser] aan [bedrijf 1] € 4.472,86 verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW). Als ingangsdatum van de wettelijke rente wordt, overeenkomstig de vordering, aangesloten bij 31 augustus 2023. De eveneens gevorderde buitengerechtelijke incassokosten over dit bedrag, zijn toewijsbaar. Toewijsbaar is een bedrag van € 572,29. Ook dit bedrag wordt niet vermeerderd met de door [gedaagden in conventie] gevorderde omzetbelasting, zie hiervoor.

Proceskosten

2.17.

[eiser] zal in conventie in het ongelijk worden gesteld en in reconventie grotendeels in het ongelijk worden gesteld en moet daarom zowel in conventie als in reconventie de proceskosten betalen. De kantonrechter ziet gelet op hetgeen is overwogen in rov. 2.7. van het tussenvonnis van 5 november 2025 en in rov. 2.3. van dit vonnis geen aanleiding om over te gaan tot toekenning van een volledige proceskostenveroordeling.

De proceskosten in conventie worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

2.310,00

(2 punten × € 1.155,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.454,00

Daarbij is ermee rekening gehouden dat de na het tussenvonnis van 27 november 2024 ingediende aktes enkel zien op de reconventie.

2.18.

De proceskosten in reconventie worden, gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie en nu de na het tussenvonnis ingediende aktes enkel zien op de reconventie, begroot op 2x 0,5 punt salaris gemachtigde voor de eis in reconventie en de mondelinge behandeling en 4x 0,5 punt salaris gemachtigde voor de na het tussenvonnis ingediende aktes, zijnde totaal (3 x € 866,00 =) € 2.598,00 aan salaris voor de gemachtigde. In reconventie worden geen nakosten toegekend, aangezien deze reeds in de conventie zijn toegekend en slechts éénmaal gemaakt worden.

3 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

3.1.

wijst het gevorderde af;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.454,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

in reconventie

3.3.

verklaart voor recht dat de huurovereenkomst, met inbegrip van de daarbij behorende bijlagen waaronder de O&M-overeenkomst, op 24 juli 2023 is vernietigd;

3.4.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 20.434,95 (€ 19.465,30 aan onverschuldigd betaald + € 969,65 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 19.465,30 vanaf
20 september 2023 tot de dag van volledige betaling;

3.5.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 5.045,15 (€ 4.472,86 aan waardevergoeding voor het gebruik van het PV-systeem over de maand juni 2023 + € 572,29 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling;

3.6.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 16.854,90 als aanvullende waardevergoeding / vermogensschade in verband met een te laag vastgestelde gebruiksvergoeding over de periode januari 2022 tot en met juni 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juli 2023 tot de dag van volledige betaling;

3.7.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 1.043,83 aan nog niet afgedragen opbrengst van het PV-systeem na vernietiging van de huurovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2024 tot de dag van volledige betaling;

3.8.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [bedrijf 2] van een bedrag van € 2.120,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 december 2020 tot de dag van volledige betaling;

3.9.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.598,00;

3.10.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in conventie en in reconventie

3.11.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

918 \ 51588