Verbintenissenrecht

gebruiksvergoeding, artikel 6:34 lid 1 BW, 6:203 BW, 6:162 BW, 6:98 BW, 6:97 BW

Rechtbank Gelderland, 22 juli 2026

Zaakgegevens

Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
22 juli 2026
Datum publicatie
14 juli 2026
Zaaknummer
11939000
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:5633
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

gebruiksvergoeding, artikel 6:34 lid 1 BW, 6:203 BW, 6:162 BW, 6:98 BW, 6:97 BW

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: 11939000 \ CV EXPL 25-8568

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

1 [naam eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2. [naam eiser 2],

te [woonplaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [de eiser] ,

procederend in persoon,

tegen

[naam gedaagde] ,

te [woonplaats] ( [land] ),

gedaagde partij,

hierna te noemen: [de gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 januari 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 21 januari 2026.

2.2.

Niet in geschil is dat [de gedaagde] de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] heeft gehuurd van [de verhuurder] (hierna: [de verhuurder] ), noch dat hij huurpenningen aan [de verhuurder] heeft overgemaakt, dat [de gedaagde] bij beschikking van 17 augustus 2023 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg is veroordeeld om het gehuurde te ontruimen en dat het gehuurde vervolgens is ontruimd door de deurwaarder. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [de gedaagde] de gebruiksvergoeding verschuldigd is en of hij de kosten voor de schade aan de deuren, alsmede de schoonmaakkosten verschuldigd is.

Gebruiksvergoeding

2.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [de gedaagde] , mede gelet op de beschikking van de rechtbank [plaatsnaam] , zonder recht of titel in voormelde woning is verbleven. Door [de gedaagde] is niet gemotiveerd weersproken dat hij de woning pas op 7 november 2023 daadwerkelijk heeft ontruimd en dat hij voor de periode 29 augustus 2023 tot en met november 2023 geen gebruiksvergoeding aan [de eiser] heeft betaald. Dit betekent dat [de gedaagde] in beginsel een bedrag van € 2.330,63 aan gebruiksvergoeding aan [de eiser] dient te betalen. Voor zover [de gedaagde] heeft willen betogen dat hij de huurpenningen (gebruiksvergoeding) bevrijdend aan [de verhuurder] heeft betaald en daarom niet gehouden is om dit bedrag aan [de eiser] te voldoen, gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Immers, door [de gedaagde] is niet (gemotiveerd) weersproken dat hij door [de eiser] op de hoogte is gebracht dat hij de nieuwe eigenaar is van voormelde woning. Dit betekent dat [de gedaagde] , mede gelet op het bepaalde in artikel 6:34 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), niet (meer) mocht aannemen dat de ontvanger van de door [de gedaagde] verrichte betalingen ( [de verhuurder] ) gerechtigd was tot die prestatie. [de verhuurder] is, gelet op het bepaalde in artikel 6:203 BW en nu [de verhuurder] niet (meer) gerechtigd was tot ontvangst van de gebruiksvergoeding voor de woning, vermoedelijk weliswaar gehouden om tot terugbetaling van deze betaalde bedragen over te gaan, maar dat is iets tussen [de gedaagde] en [de verhuurder] ; [de eiser] staat daar buiten.

2.4.

Nu vaststaat dat [de gedaagde] de gebruiksvergoeding niet aan [de eiser] heeft betaald en [de gedaagde] de hoogte van de door [de eiser] gevorderde bedragen voor de gebruiksvergoeding voor de periode 29 augustus 2023 tot en met 7 november 2023 niet (gemotiveerd) heeft weersproken, wijst de kantontrechter een bedrag van in totaal € 2.330,63 aan gebruiksvergoeding toe.

Aansprakelijkheid

2.5.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:162 BW is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander daardoor lijdt te vergoeden. Het moet daarom, wil de vordering van [de eiser] tot schadevergoeding toewijsbaar zijn, komen vast te staan dat [de gedaagde] jegens [de eiser] onrechtmatig heeft gehandeld of nalatig is geweest, dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt en dat dit handelen dan wel nalaten schade heeft veroorzaakt.

2.6.

[de eiser] heeft gesteld dat [de gedaagde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door de deuren van de woning in te trappen en de vriezer niet schoon te maken, als gevolg waarvan [de eiser] schade heeft geleden. [de gedaagde] heeft betoogd dat hij de deuren in goede staat heeft achtergelaten. Voorts heeft hij aangegeven dat de vriezer niet van hem was, maar van [de verhuurder] .

2.7.

Partijen verschillen niet van mening dat de deuren voor het verlaten van het gehuurde in goede staat verkeerden. Door [de gedaagde] is, mede gelet op de door [de eiser] overgelegde producties, niet gemotiveerd weersproken dat tijdens de ontruiming geconstateerd is dat drie van de vier deuren zwaar beschadigd waren en vervangen dienden te worden. De kantonrechter is van oordeel dat [de gedaagde] , gelet op het voorgaande en nu hij niet gemotiveerd heeft weersproken dat hij de enige bewoner van het pand was en niemand anders binnen kon, onrechtmatig heeft gehandeld door schade te veroorzaken aan een drietal deuren. Daarbij is niet van belang hoe die schade door of namens [de gedaagde] is ontstaan. Dit betekent dat [de gedaagde] daarvoor in beginsel aansprakelijk is.

Voor wat betreft de aanvullende schoonmaakkosten van de woning is de kantonrechter van oordeel dat deze kosten in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voor de kantonrechter is het, zonder nadere uitleg die ontbreekt, onduidelijk waarom deze kosten niet bij de ontruimingsprocedure zijn opgevoerd. Het feit dat de etenswaren vastgevroren waren en het schoonmaakbedrijf de dag erna terug is moeten komen, doet daar niet aan af. Het betreffen immers kosten die voortvloeien uit de gedwongen ontruiming en kunnen derhalve niet in deze procedure worden gevorderd.

2.8.

Aan de hand van de uit artikel 6:98 BW volgende toerekeningsmaatstaf moet vervolgens worden onderzocht of de door [de eiser] gestelde schade voor wat betreft de deuren volledig voor vergoeding in aanmerking komt. Toerekening in de zin van voormeld artikel ziet op de vraag of de schade in zodanig verband staat met het aansprakelijkheidsscheppende voorval dat zij – gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade – als een gevolg van het voorval aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Daarnaast wordt, gelet op het bepaalde in artikel 6:97 BW, de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dient deze te worden geschat.

2.9.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, staat vast dat [de gedaagde] aansprakelijk is voor wat betreft de door [de eiser] geleden schade aan de deuren. [de eiser] heeft de schade onderbouwd door een e-mailbericht van [bouwbedrijf] BV, alsmede een factuur van 13 december 2023 over te leggen. De kantonrechter is, gelet op al het voorgaande en nu [de gedaagde] de hoogte van het schadebedrag niet (gemotiveerd) heeft betwist, van oordeel dat een bedrag van € 907,50 voor de schade aan een drietal deuren voor vergoeding in aanmerking komt.

2.10.

Resumerend wijst de kantonrechter een bedrag van € 3.238,13 (€ 2.330,63 en € 907,50) toe. Nu geen separaat verweer is gevoerd tegen de wettelijke rente en de ingangsdatum van de rente wijst de kantonrechter ook dit deel van de vordering toe, met dien verstande dat de wettelijke rente wordt toegewezen over € 3.238,13, zijnde de hoofdsom.

Buitengerechtelijke kosten

2.11.

[de eiser] heeft voorts vergoeding van een bedrag van € 472,00 aan buitengerechtelijke kosten gevorderd.

De hoogte van het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten is, gelet op de hoogte van het toegewezen deel van de vordering (€ 3.238,13), niet in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Hoewel niet direct van toepassing, geldt dat deze tarieven geacht worden redelijk te zijn. De kantonrechter ziet geen aanleiding om van bedoelde tarieven af te wijken. Op basis van daarvan wordt een bedrag van € 448,81 toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat [de eiser] niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

2.12.

[de gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

341,07

- griffierecht

€

257,00

- salaris gemachtigde

€

576,00

(2 punten × € 288,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.318,07

2.13.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 3.238,13, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 18 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 448,81 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.318,07, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.4.

veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

415\53854