Materieel strafrecht
Jeugdstrafrecht. Veroordeling tot voorwaardelijke jeugddetentie voor o.a. een overval op een tankstation.
Rechtbank Gelderland, 9 juli 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:5645 · Rechtbank Gelderland · 9 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2026-5645
Zaakgegevens
Op 9 juli 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Datum publicatie
- 14 juli 2026
- Zaaknummers
- 05-093324-25, 05-032863-25, 05-033082-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5645
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Jeugdstrafrecht. Veroordeling tot voorwaardelijke jeugddetentie voor o.a. een overval op een tankstation.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/093324-25; 05/032863-25; 05/033082-25 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 9 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. T.G.M. Houben, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is onder parketnummer 05/093324-25 ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 februari 2025 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[aangever 1] en/of [aangever 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan tankstation Esso en/of [aangever 3]
en/of een derde toebehoorde(n),
- de winkel van het tankstation heeft betreden en/of zich naar de balie heeft
begeven,
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, en/of een klauwhamer in de
richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft getoond,
- (daarbij) tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] (dreigend) heeft geroepen “geld,
geld, opschieten, ik steek je dood”, en/of “snel geld geld”, althans woorden van
gelijke aard of strekking,
- die [aangever 2] vast heeft gepakt en/of heeft geduwd,
- meerdere malen met een mes op de toonbank heeft geslagen,
- met een klauwhamer in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft
uitgehaald, en/of (daarbij) die [aangever 1] met die klauwhamer heeft geslagen,
en/of
- die [aangever 2] een of meerdere malen tegen zijn ribben, althans zijn lichaam heeft
getrapt, waardoor hij ten val kwam,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 februari 2025 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, althans in
Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
tankstation Esso, en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en/of [aangever 2]
[aangever 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden
of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of
andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- de winkel van het tankstation heeft betreden en/of zich naar de balie heeft
begeven,
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, en/of een klauwhamer in de
richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft getoond, en/of daarmee heeft
gedreigd,
-(daarbij) tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] (dreigend) heeft geroepen “geld,
geld, opschieten, ik steek je dood”, en/of “snel snel geld geld”, althans woorden van
gelijke aard of strekking,
- die [aangever 2] vast heeft gepakt en/of heeft geduwd,
- meerdere malen met een mes op de toonbank heeft geslagen,
- met een klauwhamer in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft
uitgehaald, en/of (daarbij) die [aangever 1] met die klauwhamer heeft geslagen,
en/of
- die [aangever 2] een of meerdere malen tegen zijn ribben, althans zijn lichaam heeft
getrapt, waardoor hij ten val kwam,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Aan verdachte is onder parketnummer 05/032863-25 ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 oktober 2024 te Nijkerk
[aangever 4] heeft mishandeld door die [aangever 4]
- één of meermalen, tegen/op zijn gezicht, althans zijn lichaam, te slaan en/of
- één of meermalen, tegen/op zijn rug, althans zijn lichaam, te trappen.
Aan verdachte is onder parketnummer 05/033082-25, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd:
hij op of omstreeks 14 september 2024 te Nijkerk
openlijk, te weten, ter hoogte van Vetkamp 10, in elk geval op of aan de openbare
weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 5] ,
door die [aangever 5]
- van zijn fiets te trekken en/of
- één of meermalen, tegen/op zijn gezicht, althans zijn lichaam, te slaan en/of te
stompen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2024 te Nijkerk
[aangever 5] heeft mishandeld door die [aangever 5]
- van zijn fiets te trekken en/of
- één of meermalen, tegen/op zijn gezicht, althans zijn lichaam, te slaan en/of te
stompen.
2 Het onderzoek ter terechtzitting
Verdachte heeft meerdere dagvaardingen ontvangen. De rechtbank behandelt alle feiten op deze dagvaardingen gevoegd.
3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Parketnummer 05/093324-25:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 37 – 38;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , p. 53.
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 juni 2026.
Parketnummer 05/032863-25:
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Aangever [aangever 4] was op 11 oktober 2024 samen met zijn vriendin bij het station in Nijkerk. Er kwam een jongen naar hem toegelopen. Deze jongen sloeg hem driemaal met zijn vlakke rechterhand op zijn linkerwang. Aangever draaide zich daarna om en terwijl hij wegliep, voelde hij een trap in zijn rug. Hij viel op de grond en kwam op zijn knieën terecht. Zijn broek was ter hoogte van zijn linkerknie kapot en er was bloed zichtbaar op beide knieën.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Aangever noemt weliswaar de naam van verdachte maar verdachte is niet de jongen die aangever heeft geslagen en getrapt. Verdachte kent aangever niet. Verdachte kan niet alleen op basis van het noemen van zijn naam veroordeeld worden.
Ook komt het kapsel dat getuige N. Helleman van de dader omschrijft – kortgeknipt - niet overeen met het kapsel van verdachte.
Beoordeling door de rechtbank
De vraag die de rechtbank in dit geval moet beantwoorden is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de jongen is die aangever geslagen en getrapt heeft.
Aangever heeft verklaard dat een jongen naar hem toe liep. Toen de jongen dichterbij kwam, herkende hij de jongen direct als “ [verdachte] ”. “ [verdachte] ” heeft hem namelijk eerder lastiggevallen in Nijkerk. Ook de vriendin van aangever, [getuige 1] , heeft verklaard dat zij “ [verdachte] ” herkende als de jongen die aangever sloeg. Zij kent “ [verdachte] ” omdat hij aangever eerder heeft mishandeld. Tot slot blijkt uit een politieregistratie dat verdachte en aangever inderdaad al eens eerder samen betrokken waren bij een incident. De rechtbank ziet gelet op dit alles geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van zowel aangever als zijn vriendin dat het verdachte is geweest die aangever heeft geslagen en getrapt. Dat een van de getuigen het kapsel van verdachte iets anders heeft beschreven, dan het kapsel dat verdachte in werkelijkheid zegt toen te hebben gehad, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank vindt het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer 05/033082-25:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Verdachte ontkent aangever geslagen te hebben. Hij maakte slechts een schijnbeweging en raakte aangever niet. Verdachte heeft geen opzet gehad op het geweld dat de rest van de jongens hebben gepleegd tegen aangever.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank overweegt dat bij openlijk geweld als uitgangspunt geldt dat het deelnemen aan gezamenlijk geweld tegen iemand voldoende is voor een bewezenverklaring, waarbij het niet noodzakelijk is dat iedere deelnemer alle onderdelen van de tenlastelegging heeft vervuld of daarop opzet moet hebben gehad. Anders gezegd: bij openlijk geweld is de deelnemer ook verantwoordelijk voor gewelddadige handelingen die niet door hem zelf maar die door een andere deelnemer zijn gepleegd.
Aangever [aangever 5] deed aangifte van het volgende. Hij fietste op 14 september 2024 door Nijkerk ter hoogte van de Vetkamp 10. Aangever zat achter op de fiets bij zijn vriendin. Hij zag twee jongens lopen en herkende één van de jongens als verdachte. Aangever voelde dat iemand hem van achteren vastpakte en dat hij aan de achterkant van de fiets af werd getrokken. Daarna werd hij door meerdere jongens geslagen. Eén van de jongens sloeg met een gebalde vuist tegen de neus van aangever aan.
Bij de huisartsenpost later die avond bleek de neus van aangever gebroken te zijn. De neus is daar rechtgezet.
De vriendin van aangever, [getuige 2] , heeft gezien dat aangever een klap van verdachte kreeg. De politie heeft camerabeelden van het incident bekeken en verdachte herkend. Daarop is te zien dat verdachte hard aanrende achter de fiets waarop aangever zat. Verdachte pakte de kraag van aangever beet en probeerde hem van de fiets af te trekken. Pas toen de fiets tot stilstand kwam, liet verdachte aangever los. Verdachte ging recht tegenover aangever staan en sloeg hem op zijn rechterwang. Daarna gingen direct drie andere jongens om aangever heen staan. Aangever werd hierdoor ingesloten. Er kwam een vierde jongen aan op een fiets, [persoon 1] . Hij haalde daarna met kracht uit naar het gezicht van aangever. Direct daarna werd aangever door [persoon 2] nogmaals met kracht in het gezicht geslagen.
Verdachte heeft bekend dat hij degene is die aangever van de fiets trok. Hij ontkent echter aangever daarna geslagen te hebben. Volgens verdachte was sprake van een schijnbeweging. Gelet op de hierboven beschreven camerabeelden van het incident, vindt de rechtbank echter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever van zijn fiets heeft getrokken én dat hij hem daarna ook tegen zijn gezicht heeft geslagen. Daarmee heeft verdachte deelgenomen aan het openlijk geweld zoals primair ten laste is gelegd. Gelet op de eerste overweging van de beoordeling van dit parketnummer hierboven, waarin de vereisten ten aanzien openlijk geweld zijn weergegeven, passeert de rechtbank het opzetverweer en vindt de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
4 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer 05/093324-25:
primair
hij op of omstreeks 15 februari 2025 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[aangever 1] en/of [aangever 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan tankstation Esso en/of [aangever 3]
en/of een derde toebehoorde(n),
- de winkel van het tankstation heeft betreden en/of zich naar de balie heeft
begeven,
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, en/of een klauwhamer in de
richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft getoond,
- (daarbij) tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] (dreigend) heeft geroepen “geld,
geld, opschieten, ik steek je dood”, en/of “snel snel geld geld”, althans woorden van
gelijke aard of strekking,
- die [aangever 2] vast heeft gepakt en/of heeft geduwd,
- meerdere malen met een mes op de toonbank heeft geslagen,
- met een klauwhamer in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft
uitgehaald, en/of (daarbij) die [aangever 1] met die klauwhamer heeft geslagen,
en/of
- die [aangever 2] een of meerdere malen tegen zijn ribben, althans zijn lichaam heeft
getrapt, waardoor hij ten val kwam,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Parketnummer 05/032863-25:
hij op of omstreeks 11 oktober 2024 te Nijkerk
[aangever 4] heeft mishandeld door die [aangever 4]
- één of meermalen, tegen/op zijn gezicht, althans zijn lichaam, te slaan en/of
- eenmaal, tegen/op zijn rug, althans zijn lichaam, te trappen.
Parketnummer 05/033082-25:
primair
hij op of omstreeks 14 september 2024 te Nijkerk
openlijk, te weten, ter hoogte van Vetkamp 10, in elk geval op of aan de openbare
weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 5] ,
door die [aangever 5]
- van zijn fiets te trekken en/of
- één of meermalen, tegen/op zijn gezicht, althans zijn lichaam, te slaan en/of te
stompen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05/093324-25 primair:
Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Parketnummer 05/032863-25:
Mishandeling
Parketnummer 05/033082-25 primair:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
6 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
7 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
8 De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
-
een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden die zien op het hebben van dagbesteding, medewerking aan diagnostiek en behandeling, begeleiding door een coach, een contactverbod met de slachtoffers van de overval en een locatieverbod voor het tankstation in Nijkerkerveen;
-
een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen jeugddetentie bij het niet verrichten van die straf.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij een bewezenverklaring een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
-
het uittreksel justitiële documentatie van 27 mei 2026;
-
het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 11 juni 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie geweldsfeiten. In september 2024 heeft verdachte een jongen van zijn fiets getrokken en daarna samen met anderen geslagen. De jongen heeft een gebroken neus aan het geweld overgehouden. Een maand later heeft verdachte opnieuw een jongen mishandeld door hem in zijn gezicht te slaan en daarna in zijn rug te trappen. Beide slachtoffers hebben pijn, angst en gevoelens van onveiligheid aan het geweld overgehouden. Een getuige die het tweede slachtoffer wilde helpen, werd door verdachte en zijn groep uitgescholden en er werd gedreigd met het gooien van een flesje water naar getuige. Dit soort geweldsuitbarstingen op de openbare weg en dus voor iedereen zichtbaar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid bij de maatschappij en getuigen die erbij aanwezig zijn.
Tot slot heeft verdachte samen met een ander een tankstation in Nijkerkerveen overvallen. Hij en zijn medeverdachte gingen het tankstation binnen met een mes en klauwhamer. De medewerkster van het tankstation werd bedreigd. Haar partner die haar kwam ophalen werd geduwd, geslagen en getrapt. Met het mes werd er op de toonbank geslagen. Dankzij het optreden en het verzet van de medewerkster en haar partner gingen verdachte en zijn medeverdachte er zonder buit vandoor. Tijdens het verzet van de medewerkster waarbij zij de klauwhamer wegduwde, heeft verdachte haar hand met de klauwhamer verwond. Verdachte heeft bij dit feit wederom (fors) geweld gebruikt. Hij ging kennelijk enkel uit van zijn eigen (financiële) gewin en dacht niet aan de gevolgen voor de slachtoffers. Uit de feiten blijkt dat verdachte niet schuwt om snel (fors) geweld te gebruiken. Dit alles neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een taakstraf in de vorm van een leerstraf ‘So Cool regulier’ op te leggen. Daarnaast adviseert de Raad een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met daarbij jeugdreclasseringstoezicht en het hebben van dagbesteding als bijzondere voorwaarden.
De Raad heeft haar advies (deels) gebaseerd op de ontkenning van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting de overval bekend en de rechtbank vindt dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan de andere tenlastegelegde geweldsfeiten. De jeugdreclassering vindt een leerstraf niet meer passend. Ook is het van belang dat er diagnostiek komt en verdachte meewerkt aan de behandeling die daar eventueel uit voorkomt. Verdachte is in staat om een werkstraf te verrichten volgens de jeugdreclassering.
De richtlijnen die rechtbanken hanteren, schrijven bij dit soort ernstige feiten (met name de overval) jeugddetentie als straf voor. De rechtbank ziet in de ernst van het handelen van verdachte geen reden om daarvan af te wijken. Wel ziet de rechtbank dat het niet in het belang is van verdachte om terug de jeugddetentie in te gaan. Dat zal namelijk de prille positieve ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt doorkruisen en het risico op recidive alleen maar verhogen. De rechtbank zal daarom, net zoals geëist, drie maanden jeugddetentie voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank ziet net als de jeugdreclassering de noodzaak om uit te zoeken waar het gedrag van verdachte vandaan komt (met name in verband met het voorkomen van geweld in de toekomst) en vindt het daarom van belang dat verdachte onderzocht wordt en eventueel behandeling krijgt. Daarnaast zal de rechtbank een contactverbod met de medewerkster van het tankstation en haar partner opleggen en een locatieverbod voor het tankstation in Nijkerkerveen. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit in het kader van een artikel 38v Wetboek van Strafrecht maatregel op te leggen. Tot slot vindt de rechtbank van belang dat verdachte dagbesteding heeft en zich laat begeleiden door de jeugdreclassering en de jeugdcoach. Verdachte heeft zich de afgelopen periode aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en is niet meer in beeld geweest bij politie en justitie. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het jeugdreclasseringstoezicht.
De rechtbank ziet, gelet op de begeleiding en het persoonlijk onderzoek die worden opgelegd in het kader van de bijzondere voorwaarden, geen reden voor een leerstraf. Wel vindt de rechtbank dat verdachte ook direct een consequentie moet ervaren van zijn gedrag.
De rechtbank legt daarom naast de voorwaardelijke jeugddetentie ook een taakstraf in de vorm van een werkstraf op voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen jeugddetentie als verdachte die werkstraf niet naar behoren verricht. De rechtbank beveelt daarbij dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, twee uren in mindering worden gebracht.
De rechtbank zal het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.
10 De beoordeling van de civiele vorderingen
Parketnummer 05/093324-25:
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V.
[aangever 3] heeft namens de benadeelde partij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert (na een wijziging ter terechtzitting) € 5.250,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat het KVK-uittreksel ontbreekt. Als de rechtbank dat uittreksel niet noodzakelijk vindt, zijn slechts de materiële kosten voor het opvragen van de videogegevens toewijsbaar en moet de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege het ontbreken van het KVK-uittreksel. Subsidiair moet de vordering worden afgewezen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting voldoende blijkt dat [aangever 3] gemachtigd is om namens de benadeelde partij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een vordering in te dienen ondanks het ontbrekende KVK-uittreksel. [aangever 3] heeft namelijk ook aangifte gedaan als eigenaar van het tankstation. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan zijn verklaring dat hij eigenaar is en dus bevoegd is om een vordering in te dienen.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die materiële schade gehouden. De kosten voor het opvragen van de videogegevens zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en toewijsbaar. De overige kosten (vernieling balie en extra inzet personeel) zijn betwist en niet onderbouwd. Voor een (nadere) onderbouwing en bewijslevering van de gestelde schade is in het strafproces geen plaats omdat dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Deze kosten zijn daarom niet toewijsbaar. De rechtbank wijst dus toe aan materiële kosten: € 213,75.
Voor de overige gevorderde materiële kosten verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachte (die in een later stadium nog zal worden berecht) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte de schade heeft vergoed.
Verdachte is vanaf 15 februari 2025 (datum strafbaar feit) wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[aangever 2]
De benadeelde partij [aangever 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 691,15 aan materiële schade en € 3.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die materiële schade gehouden. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank niet betwist en voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de gevorderde materiële schade € 691,15 toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
- verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
- de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
- de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
- de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
In dit geval is sprake van geestelijk letsel en daarmee is de benadeelde partij op andere wijze in de persoon aangetast. Daarnaast is sprake van lichamelijk letsel Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Gelet daarop vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 3.500,- passend en wijst de rechtbank dit bedrag dus toe.
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte de schade heeft vergoed.
Verdachte is vanaf 15 februari 2025 (datum strafbare feit) wettelijke rente over de bedragen verschuldigd.
Als de bedragen niet worden betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Klinken
De benadeelde partij [aangever 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
- verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
- de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
- de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
- de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
In dit geval is sprake van psychisch letsel en daarmee is de benadeelde partij op andere wijze in de persoon aangetast. Daarnaast is sprake van lichamelijk letsel. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Gelet daarop vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 3.500,- passend en wijst de rechtbank dit bedrag dus toe.
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte de schade heeft vergoed.
Verdachte is vanaf 15 februari 2025 (datum strafbare feit) wettelijke rente over het bedrag verschuldigd.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Parketnummer 05-032863-25:
De benadeelde partij [aangever 4] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 64,95 aan materiële schade en € 359,40 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade gematigd moet worden.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die materiële schade gehouden. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank niet betwist en voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de gevorderde materiële schade € 64,95 toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
- verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
- de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
- de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
- de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
In dit geval is sprake van lichamelijk letsel. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Gelet daarop vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 359,40 passend en wijst de rechtbank dit bedrag dus toe.
Verdachte is vanaf 11 oktober 2024 (datum strafbare feit) wettelijke rente over de bedragen verschuldigd.
Als de bedragen niet worden betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Parketnummer 05-033082-25:
De benadeelde partij [aangever 5] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade gematigd moet worden gelet op de beperkte rol van verdachte.
De beoordeling door de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
- verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
- de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
- de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
- de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
In dit geval is sprake van lichamelijk letsel. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Verdachte is gestart met het geweld en heeft aangever van zijn fiets getrokken en hem geslagen. Er is dus geen sprake van een beperkte rol volgens de rechtbank.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Gelet daarop vindt de rechtbank een bedrag van € 750,- passend en toewijsbaar.
Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de immateriële vordering.
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
Verdachte is vanaf 14 september 2024 (datum strafbare feit) wettelijke rente over het bedrag aan immateriële schadevergoeding verschuldigd.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
11 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141, 300, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
12 De beslissing
De rechtbank:
? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
? veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:
een jeugddetentie voor de duur van drie maanden;
bepaalt dat die jeugddetentie van drie maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en
stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:
-
zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
-
meewerkt aann diagnostiek en zich laat behandelen door een instelling of zorgverlener indien dit voortvloeit uit de diagnostiek, te bepalen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
-
meewerkt aan het hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding (werk en/of school);
-
zich laat begeleiden door een jeugdcoach (de heer. Azarfane zijn huidige coach of een vervanger);
-
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
slachtoffers [aangever 1] , geboren op [geboortedag] 1970 en [aangever 2] , geboren op [geboortedag] 1969;
- zich niet bevindt in of op het terrein van het Esso Tankstation aan [adres] , zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen of aan de verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in het verboden gebied te bevinden;
geeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, afdeling jeugdreclassering locatie Arnhem, de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
en onder de voorwaarden dat verdachte:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in art. 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, afdeling jeugdreclassering locatie Arnhem, waaronder de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen;
en
een taakstraf, te weten een werkstraf van 160 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;
? beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, twee uren in mindering worden gebracht;
? heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;
Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen
-
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V. veroordeelt verdachte ten aanzien van het primaire feit onder parketnummer 05/093324-25 betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V., van een bedrag van € 213,75 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
-
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
-
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
-
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
-
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V. een bedrag te betalen van € 213,75 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
-
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
-
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
[aangever 2]
-
veroordeelt verdachte ten aanzien van het primaire feit onder parketnummer 05/093324-25 betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] , van een bedrag van € 691,15 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
-
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
-
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
-
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] een bedrag te betalen van € 691,15 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
-
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
-
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
[aangever 1]
-
veroordeelt verdachte ten aanzien van het primaire feit onder parketnummer 05/093324-25 betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] , van een bedrag van € 3.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
-
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
-
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
-
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] een bedrag te betalen van € 3.500,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
-
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
-
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
[aangever 4]
-
veroordeelt verdachte ten aanzien van het feit onder parketnummer 05/032863-25 betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 4] , van een bedrag van € 64,95 aan materiële schade en € 359,40 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
-
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
-
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 4] een bedrag te betalen van € 64,95 aan materiële schade en € 359,40,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
-
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
[aangever 5]
-
veroordeelt verdachte ten aanzien van het primaire feit onder parketnummer 05/033082-25 betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 5] , van een bedrag van € 750,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
-
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
-
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
-
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
-
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 5] een bedrag te betalen van € 750,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
-
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
-
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
|
Dit vonnis is gewezen door G.M.L. Tomassen (voorzitter en kinderrechter), mr. A.M.F. Geerling en mr. A. van Veldhuizen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Duis-van Grol, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juli 2026. |
||
De griffier is buiten staat dit
vonnis mede te ondertekenen.