Materieel strafrecht

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 99,95 gram…

Rechtbank Gelderland, 3 april 2026

Zaakgegevens

Op 3 april 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
3 april 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
05-092892-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:5775
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 99,95 gram cocaïne (artikel 2 onder C van de Opiumwet) tot een gevangenisstraf van 30 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 150 uur.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/092892-25

Datum uitspraak : 3 april 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] (Somalië),

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat in Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 december 2024 te Nijmegen in een woning, gelegen op/aan [adres] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 149,26 gram cocaïne en/of 2,58 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Daarbij geldt dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte kon beschikken over de drugs die zijn aangetroffen in de vriezer. Van dat onderdeel van de tenlastelegging moet verdachte worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het aanwezig hebben van drugs.

Beoordeling door de rechtbank

De bewijsmiddelen

Op 17 december 2024 hield de politie verdachte aan in de woning aan [adres] in Nijmegen. Over één van de stoelen bij de eetkamertafel in de woonkamer hing een jas. Verdachte verklaarde dat dit zijn jas was.

Op de eetkamertafel lagen onder andere de volgende goederen: een plastic zakje met wit poeder, twee klein sealbags met wit, kristallig poeder, een geknoopt, doorzichtig zakje met onbekende inhoud, drie kleine zakjes met wit poeder, een tasje van de Smartshop met daarin een klein, geknoopt zakje met wit poeder en een grote, witte brok in een doorzichtig plastic zakje. In totaal ging dit om 99,95 gram cocaïne.

Verdachte heeft verklaard dat ze met zijn drieën in de woning waren. Verdachte was in de woonkamer.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de cocaïne die op tafel lag van hem is.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat de jas die aan een stoel bij de eetkamertafel hing van hem is. Gelet hierop acht de rechtbank zijn verklaring – dat hij niet heeft gezien dat er cocaïne op tafel lag – niet aannemelijk. Verdachte bevond zich in dezelfde ruimte waar de cocaïne is aangetroffen. De cocaïne lag zichtbaar op de eetkamertafel. Daarmee had hij wetenschap van en de beschikkingsmacht over die cocaïne. Verdachte heeft zich echter niet uit die ruimte verwijderd. Daarom vindt de rechtbank dat hij vol opzet had op het aanwezig hebben van die cocaïne. Nu verdachte heeft verklaard dat er nog meer mensen in de woning aanwezig waren en medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdovende middelen van hem zijn, vindt de rechtbank ook dat er sprake is van medeplegen.

De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte wetenschap van en dus de beschikkingsmacht had over de verdovende middelen die in de diepvries zijn aangetroffen. In zoverre zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het hem tenlastegelegde. Dat betekent dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte met één of meer anderen in totaal 99,95 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 17 december 2024 te Nijmegen in een woning, gelegen op/aan [adres] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 99,95 gram cocaïne en/of 2,58 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aandacht gevraagd voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van het feit

Verdachte heeft bijna honderd gram cocaïne aanwezig gehad. Het bezit van harddrugs is slecht voor de volksgezondheid. Niet alleen omdat het gebruik van drugs niet goed is voor de gezondheid en leidt tot verslavingen, maar ook omdat de productie van en handel in drugs vaak onderdeel is van de georganiseerde criminaliteit en gepaard gaat met allerlei andere strafbare feiten. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij een bijdrage heeft geleverd aan de instandhouding van deze vorm van criminaliteit.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

Verdachte heeft in verband met deze verdenking twee dagen vast gezeten.

Uit het strafblad van verdachte d.d. 10 februari 2026 blijkt dat hij op 17 maart 2020 is veroordeeld wegens het overtreden van artikel 2 onder C van de Opiumwet. Kennelijk heeft verdachte hier weinig van geleerd, want hij wordt nu opnieuw veroordeeld voor een soortgelijk feit. Verder is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing, gelet op de strafbeschikking die hem op 14 juli 2025 is opgelegd.

Reclassering Nederland heeft op 16 oktober 2025 een advies over verdachte uitgebracht. Verdachte huurt een kamer en heeft een bijstandsuitkering. Momenteel heeft hij geen werk. Het gaat niet goed met de gezondheid van een familielid. Met die situatie heeft verdachte het erg moeilijk. Verdachte blowt dagelijks, maar zou geen harddrugs meer gebruiken. Verdachte kan contact opnemen met de gemeente als hij hulp nodig heeft bij praktische zaken. Hij heeft geen verdere hulpvragen. De reclassering schat het risico op onttrekken aan voorwaarden in als laag, maar kan de risico’s op recidive en letsel niet inschatten. De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor het opleggen van bijzondere voorwaarden. Daarom adviseert de reclassering een afdoening zonder reclasseringsbemoeienis, mocht het tot een veroordeling komen.

Conclusie

Verdachte is eerder veroordeeld voor Opiumwet-feiten. Daarom vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte een stok achter de deur krijgt om hem er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw bezig te houden met drugs. Daarom legt de rechtbank hem een gevangenisstraf van 30 dagen met aftrek op, waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarbij is aangesloten bij de LOVS-oriëntatiepunten.

Dit is een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank het niet opportuun acht dat verdachte terug naar de cel moet. Daarom heeft de rechtbank een lagere gevangenisstraf, maar een hogere taakstraf opgelegd dan geëist.

8 De beoordeling van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aangetroffen geld verbeurd moeten worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het inbeslaggenomen geld.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het geld niet aan verdachte toebehoort en dat niet kan worden vastgesteld aan wie dit voorwerp toebehoort. Daarom zal worden overgegaan tot verbeurdverklaring.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet.

10 De beslissing

De rechtbank:

? verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

? veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen;

? beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

? bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 28 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

? legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;

? verklaart verbeurd het bedrag van € 1.445,- met goednummer PL0600-2024580348-G3356182.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. R.M.H. Pennings en

mr. J.L. Wesstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2026.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024580348, gesloten op 27 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van binnentreden in woning, p. 22 en proces-verbaal van bevindingen, p. 27. Proces-verbaal van bevindingen, p. 34-35. Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 114-124 en NFI-rapporten, p. 126-127 en 130-134; Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 239. .’k, Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 267.