Strafrecht overig
Beslag op geluidsband 112-centrale (verpleegkundige ambulancedienst) t.b.v. strafrechtelijk onderzoek naar…
Rechtbank Gelderland, 23 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:8251 · Rechtbank Gelderland · 23 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/beschikking/ecli-nl-rbgel-2026-8251
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 05/381077-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:8251
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beslag op geluidsband 112-centrale (verpleegkundige ambulancedienst) t.b.v. strafrechtelijk onderzoek naar niet-natuurlijk overlijden (artt. 98 en 105 Sv). Ambulancedienst beroept zich op medisch beroepsgeheim en daarmee op (afgeleid) verschoningsrecht (art. 218 Sv). Rb maakt belangenafweging en acht in deze zaak het belang van de waarheidsvinding zwaarwegender dan het belang van het beroepsgeheim.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
raadkamernummer : 26-024616
parketnummer : 05/381077-24
datum : 23 oktober 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 98 jo 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
Ambulancedienst IJsselland B.V.,
[adres]
[vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: klaagster of: de Ambulancedienst.
1 Het beslag
De rechter-commissaris heeft, naar aanleiding van de vordering van het openbaar ministerie van 3 december 2025, op 4 december 2025 de Ambulancedienst IJsselland BV ingevolge artikel 105 Wetboek van Strafvordering (Sv) bevolen een 112-gesprek tussen [persoon 1] en een medewerker van de ambulance spoedlijn 112 op maandag 25 november 2024 om 22.44.18 uur uit te leveren door afgifte aan het kabinet van de rechter-commissaris.
Het bevel is op enig moment aan de Ambulancedienst toegezonden of betekend, waarna deze onder voorbehoud hieraan heeft voldaan.
2 Procedure
De Ambulancedienst heeft op 1 juli 2026 op grond van artikel 98 lid 2 Sv bezwaar gemaakt tegen het bevel van de rechter-commissaris en zich beroepen op een (afgeleid) verschoningsrecht.
De rechter-commissaris heeft op 17 augustus 2026 dat bezwaar verworpen omdat, kort gezegd, er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn waardoor de waarheidsvinding moet prevaleren boven het verschoningsrecht.
Daartegen heeft de Ambulancedienst op 28 augustus 2026 op de voet van artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend.
Het openbaar ministerie heeft in een ongedateerde nadere reactie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 9 oktober 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
Daarbij zijn gehoord:
klaagster, vertegenwoordigd door [persoon ] , [functie] , en [persoon ] , [functie] , beiden bevoegd om de Ambulancedienst te vertegenwoordigen, bijgestaan door mr. R.J.B. Caderius van Veen;
de officier van justitie mr. J. Kolkman.
3 De feiten
De rechtbank stelt voorop dat het door het openbaar ministerie ter beschikking gestelde dossier bijzonder summier is en slechts zeer beperkt inzage geeft in de ontwikkelingen in de zaak. Het volgende valt hieruit op te maken.
Op 28 november 2024 omstreeks 20:16 uur kwam een melding binnen van de forensisch arts, dat even daarvoor in het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen een persoon, [persoon 2] , geboren [geboortedag] -1963, was overleden. Het zou betreffen een niet natuurlijke dood.
Agenten zijn naar haar woning aan [adres] in Westervoort gegaan, waar zij onder meer haar partner, [persoon 1] , aantreffen. Hij verklaart dat hij op 25 november 2024 om 17.15 thuis kwam en [persoon 2] op bed zag liggen, die zei dat ze benauwd was. Hij heeft daarop een ambulance gebeld.
In het Rijnstate Ziekenhuis werd vastgesteld dat [persoon 2] een gat in haar slokdarm had, waarop zij naar het Radboud Ziekenhuis werd vervoerd. Daar constateerden de artsen dat [persoon 2] niet geopereerd kon worden. Bij de sectie door het NFI op 30 november 2024 werd vastgesteld dat [persoon 2] een gat van 25 centimeter in de slokdarm had en was overleden door de inname van een 'looghoudende stof'.
Onderzoek in de woning leverde een pillendoosje op waarvan [persoon 1] zei dat het van [persoon 2] was. In de afvalbak vonden ze een gele fles wc-reiniger.
Voor zover de rechtbank bekend, is er nog niemand aangemerkt als verdachte; de processen-verbaal, de vordering en de beslissingen van de rechter-commissaris vermelden bij verdachte: “N.N.”.
4 Vordering openbaar ministerie
Uit nader onderzoek zou zijn gebleken dat hetgeen [persoon 1] had verklaard, in grote lijnen juist was, behalve wat betreft de tijdlijn; er zou beduidend meer tijd verstreken zijn tussen zijn thuiskomst en de 112-melding, namelijk zo’n vijf uur. Hieruit zou kunnen blijken dat [persoon 1] meer weet over wat heeft plaatsgevonden in hun woning en waardoor [persoon 2] zo benauwd was.
Buurtonderzoek heeft geen concrete informatie opgeleverd, evenmin als telefoontaps op de aansluitingen van [persoon 1] en overledene’s zoon.
Het gaat om de verdenking van moord of doodslag, veroorzaakt door het innemen van een loog-houdende stof. Er zijn geen aanwijzingen voor suïcide. Het is van belang om te verifiëren wat de exacte toestand was van [persoon 2] ten tijde van het 112-gesprek en welke informatie daarbij precies aan de meldkamer is verstrekt door de melder. Ook de toon en letterlijke inhoud van die 112-melding kunnen zeer belangrijk zijn voor het onderzoek. Er was verder niemand aanwezig in de woning die informatie zou kunnen verschaffen over de toedracht.
5 Het standpunt van de Ambulancedienst
Er is geen rechtvaardiging voor doorbreking van de geheimhoudingsplicht. Er is geen concrete verdenking van een strafbaar feit, er is geen verdachte aangehouden. Suïcide en een menselijke vergissing zijn zeer wel denkbaar. En ook al is er sprake van een ernstig delict, dan is dat op zichzelf onvoldoende voor het terzijde stellen van het beroepsgeheim.
Al te gemakkelijke doorbreking van het beroepsgeheim zou ertoe kunnen leiden dat mensen er van afzien om in noodsituaties 112 te bellen, hetgeen zou leiden tot belemmering van de toegang tot de ambulancezorg.
Als er al sprake zou zijn van een zeer uitzonderlijk geval, dan is niet voldaan aan het subsidiariteits- en proportionaliteitsvereiste. Kennelijk verwacht het openbaar ministerie dat het 112-gesprek sluitend bewijs zal opleveren in de strafzaak, maar een 112-melding heeft de bedoeling ambulancezorg te krijgen en een volledige bekentenis valt niet te verwachten. Veel meer dan het inroepen van medische hulp hebben deze gesprekken meestal niet om het lijf.
De verstrekking van de geluidsband is in ieder geval disproportioneel. Het openbaar ministerie zou kunnen volstaan met het inschakelen van een neutrale derde (zoals een advocaat) die de opname beluistert en beoordeelt of het gesprek relevante informatie bevat.
6 Beoordeling
Het verschoningsrecht
Het gaat in onderhavige zaak om een gesprek dat heeft plaatsgevonden tussen de melder en een verpleegkundige van de ambulance hulpdienst 112. Die verpleegkundige heeft een wettelijke geheimhoudingsplicht (artikel 88 Wet beroepen in de individuele gezondheidszorg).
Het staat niet ter discussie dat de inhoud van het 112-gesprek aan de medewerker is toevertrouwd in het kader van diens hoedanigheid van verpleegkundige. Daarmee valt dit 112-gesprek onder diens geheimhoudingsplicht. Ingevolge artikel 218 Sv komt aan de betreffende verpleegkundige een verschoningsrecht toe.
Aan de Ambulancedienst komt als werkgever en coördinator van deze werkzaamheden en houder van de 112-gesprekken een afgeleid verschoningsrecht toe. De rechtbank gaat er van uit dat de Ambulancedienst optreedt met instemming van en namens de betreffende 112-medewerker die als verpleegkundige het originaire verschoningsrecht toekomt.
De kwestie die aan de rechtbank wordt voorgelegd ziet op een conflict tussen twee in een democratische rechtsstaat belangrijke principes. Enerzijds het beginsel dat iedereen die te kampen heeft met medische problemen zich gerust tot een arts of medische hulpverlener moet kunnen wenden in het vertrouwen dat alle daaruit voortkomende gegevens vertrouwelijk zijn en vertrouwelijk blijven, in ieder geval zolang de patiënt dat wil (het individuele aspect). Een al te snelle doorbreking van dat beginsel zou ertoe kunnen leiden dat in de toekomst mensen die medische zorg behoeven, maar ook andere maatschappelijke of juridische problemen hebben, zich niet meer met een gerust hart tot een zorgverlener durven wenden (het maatschappelijke aspect). Hetzelfde probleem geldt overigens bij andere zogeheten professionele geheimhouders zoals advocaten en notarissen die ook een wettelijke geheimhoudingsplicht hebben. In zekere zin geldt dat tegenwoordig ook voor journalisten.
Daar tegenover staat het belang dat ernstige strafbare feiten waarbij mensenlevens te betreuren zijn, door de overheid worden onderzocht, vervolgd en berecht. Uit artikel 2 EVRM wordt een dergelijke plicht voor de overheid afgeleid.
Dat wordt op zichzelf niet betwist door klaagster. Maar zij vindt dat het belang van de geheimhouding desondanks zwaarder moet wegen. De botsing tussen deze twee principes vormt een dilemma dat de rechter dient op te lossen door de hiermee gediende belangen af te wegen in de context van het concrete geval.
Het beoordelingskader
De Hoge Raad heeft in een bestendige lijn het juridische kader voor deze belangenafweging uiteen gezet. Daarbij geldt het volgende uitgangspunt:
“Het verschoningsrecht van onder meer de arts is in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht (vgl. HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280). De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel samen te vatten. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt een aantal factoren te destilleren die bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld in de afweging kunnen worden betrokken, zoals de omstandigheid dat sprake is van ernstige delicten en de omstandigheid dat de gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen (vgl. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205). In dit verband geldt verder dat als moet worden geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren, die inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit. (Vgl. HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070.)”
Voor het onderzoek of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een doorbreking van het beroepsgeheim rechtvaardigen, kunnen uit deze rechtspraak enkele gezichtspunten worden gedistilleerd, waarbij de rechtbank er niet van uitgaat dat deze opsomming limitatief is:
-
het gaat om de verdenking van een ernstig strafbaar feit;
-
het gaat om een kwetsbaar slachtoffer;
-
er bestaat een ernstige verdenking tegen de verdachte;
-
het is van groot maatschappelijk belang dat ter staving dan wel ter ontkrachting van deze verdenking een gedegen, objectief en zo volledig mogelijk onderzoek wordt ingesteld;
-
de gevraagde gegevens zijn noodzakelijk voor de waarheidsvinding;
-
de inbreuk op het beroepsgeheim blijft zo beperkt mogelijk;
-
de gevraagde gegevens kunnen niet op andere wijze worden verkregen;
-
het slachtoffer heeft al dan niet toestemming verleend voor het prijsgeven van de medische informatie.
De rechtbank neemt dit beoordelingskader tot uitgangspunt. Daarbij zij aangetekend dat de Ambulancedienst of de verpleegkundige zelf uiteraard niet als verdachte worden beschouwd.
Nadere beoordeling van het verschoningsrecht
De ernst van het feit en maatschappelijk belang
Bij sectie bleek dat de slokdarm van [persoon 2] nagenoeg was verdwenen. Zij is overleden als gevolg van inname van een looghoudend middel. Loog is een bijtende stof, die wordt gebruikt voor het schoonmaken van zwaar verontreinigde voorwerpen en als oplosmiddel (in bijv. gootsteenontstopper of bleekmiddel). Het is moeilijk voorstelbaar dat iemand vrijwillig of per vergissing voldoende van een dergelijk schoonmaakmiddel inneemt om dit gevolg te veroorzaken. De rechtbank gaat daarom vooralsnog uit van een gewelddadig handelen. Er is dan ook een groot maatschappelijk belang bij opheldering van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het overlijden van [persoon 2] .
Het belang voor het strafrechtelijk onderzoek
Er is klaarblijkelijk heel weinig informatie bekend rondom het overlijden van [persoon 2] (zie hiervoor onder 3 en 4). Haar partner [persoon 1] heeft haar als laatste bij bewustzijn meegemaakt. Het heeft kennelijk enkele uren geduurd voordat hij 112 belde. Buurt-onderzoek, het bekijken van camerabeelden rondom de woning en het tappen van de telefoons van enkele personen uit de omgeving van [persoon 2] hebben niets opgeleverd.
Het is inderdaad niet heel waarschijnlijk dat het 112-gesprek een bekentenis of in andere zin sluitend bewijs zal opleveren, zoals klaagster stelt. Dat is echter ook niet de reden voor de vordering. Juist als er zo weinig bekend is omtrent een kennelijk gewelddadig overlijden, kan ieder puzzelstukje relevant zijn voor opheldering van de omstandigheden tijdens de laatste uren van [persoon 2] vóór opname in het ziekenhuis. Het 112-gesprek kan aanknopingspunten opleveren voor nader onderzoek.
De omvang van de inbreuk
Zonder iets af te willen doen aan het belang van de geheimhouding, ook voor 112 gesprekken, de inbreuk hierop zou beperkt zijn, nu, zoals klaagster ook zelf heeft aangevoerd, de beller primair de bedoeling heeft ambulancehulp in te schakelen.
Subsidiariteit en proportionaliteit
Als hiervoor overwogen (6.11) heeft het openbaar ministerie andere onderzoeks-methoden ingezet, maar de informatie die het 112-gesprek zou kunnen opleveren, kan niet op andere wijze worden verkregen. Het inschakelen van een vertrouwenspersoon die het gesprek zou beluisteren en daarover rapporteren, biedt geen soelaas. Ook een vertrouwens-persoon zou geen gegevens mogen onthullen die onder de geheimhoudingsplicht vallen en bewijstechnisch zou deze werkwijze discutabel zijn.
Slotsom
Alles afwegende, komt de rechtbank tot de conclusie dat, hoe belangrijk de medische geheimhoudingsplicht en het daaruit voortvloeiende verschoningsrecht ook zijn, er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn die in de voorliggende zaak een uitzondering daarop rechtvaardigen. Vrijwel alle in overweging 6.8 genoemde gezichtspunten geven hieraan steun.
Het door klaagster gedane beroep op het verschoningsrecht wordt verworpen en het beklag ongegrond verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door
mr. F.J.H. Hovens, voorzitter, mrs. I. de Bruin en J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Teger, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.
Mrs. I. de Bruin en J.M. Breimer zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.