Bestuursrecht overig
Geschil inzake premieheffing horeca onderneming.
Rechtbank Groningen, 16 juni 2005
ECLI:NL:RBGRO:2005:1 · Rechtbank Groningen · 16 juni 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-groningen/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbgro-2005-1
Zaakgegevens
Op 16 juni 2005 heeft de Rechtbank Groningen in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank GroningenRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 16 juni 2005
- Datum publicatie
- 9 september 2014
- Zaaknummer
- Awb 04/510
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGRO:2005:1
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geschil inzake premieheffing horeca onderneming.
Uitspraak
RECHTBANK GRONINGEN
SECTOR BESTUURSRECHT
ENKELVOUDIGE KAMER
Reg.nr.: AWB 04/5 10 CSV STRA
UITSPRAAK
in het geschil tussen
Horeca Poelestraat Groningen B.V., gevestigd te Groningen, eiseres,
gemachtigde: mr. B.N. Kloostra, advocaat en procureur te Groningen,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),
rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) per 1 januari 2002,
verweerder.
1 ONDERWERP VAN GESCHIL
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV (afdeling te Amsterdam)
van 30 maart 2004.
Bij dat besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de beslissingen van
28 april 2003, waarbij aan eiseres correctienota’s over de premiejaren 1999, 2000 en 2001
zijn opgelegd, ongegrond verklaard
2 ZITTING
Het geschil is behandeld op de zitting van 14 juni 2005.
Beide partijen zijn na voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
3 BEOORDELING VAN HET GESCHIL
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 10, eerste lid, Coördinatiewet Sociale verzekering (CSV) voert de
werkgever een administratie met inachtneming van door Onze Minister daaromtrent te
stellen regels.
Ingevolge het tweede lid van dat artikel doet de werkgever, met inachtneming van door
Onze Minister daaromtrent te stellen regels, opgave van het door de werknemer genoten
loon aan het UWV.
Ingevolge artikel 12, eerste lid, CSV, stelt, indien een werkgever niet, niet juist of niet
volledig voldoet aan een op grond van artikel 10, tweede lid, gestelde verplichting, het
UWV ambtshalve het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of
voorschotpremie vast.
Met betrekking tot het geschil
Eiseres, met als enig aandeelhouder/directeur (naam directeur), heeft zich ten tijde hier in
geding bezig gehouden met de exploitatie van de bar Bodega (naam bar) (tot
1 februari 2002) en café (naam café) (tot en met 31 december 2001), beide te
Groningen.
Op 20 december 2002 heeft de looninspecteur (naam looninspecteur) rapport uitgebracht inzake een namens verweerder bij eiseres in oktober 2002 uitgevoerde looncontrole met betrekking tot de periode van 1999 tot en met 2001. Blijkens dit rapport is met betrekking tot de horecabedrijven geconcludeerd, dat:
- ten aanzien van een aantal werknemers geen loonbelastingverklaring (LB-verklaring)
is overgelegd;
- ten aanzien van een aantal werknemers in het kader van de Wet op de
identificatieplicht (WID) geen (afschriften van) legitimatiebewijzen zijn aangetroffen;
- in een aantal gevallen het brutoloon lager is vastgesteld dan het loon ingevolge de
van toepassing zijnde Cao voor het Nederlandse Horeca Gilde, terwijl geen
toepassing is gegeven aan het Fooienbesluit;
- bij de vaststelling van het bruto-uurloon geen rekening is gehouden met
vakantietoeslag en een vergoeding van niet opgenomen dagen.
- op basis van de verstrekte jaaropgaven het premieloon over alle jaren in het
controletijdvak niet op de juiste wijze is vastgesteld.
Vervolgens is de looninspecteur overgegaan tot herberekening van het premieloon over
de jaren 1999 tot en met 2001, waarbij de vaststelling van het premieloon over het jaar
2000 tot stand is gebracht door middel van extrapolatie van de premiejaren 1999 en
2001.
Namens eiseres zijn bij brief van 13 februari 2003 aanvullende stukken ingezonden, in de
vorm van LB-verklaringen en ID-bescheiden.
Naar aanleiding van die aanvullende stukken is door de looninspecteur op
21 februari 2003 een aanvullend looncontrolerapport opgesteld. In dat rapport heeft, met
inachtneming van de aanvullende stukken, op grond waarvan is geconcludeerd dat
alsnog in een groot aantal gevallen is voldaan aan het vereiste van een LB-verklaring en
een kopie van een WID-bewijs, een herberekening plaats gevonden.
Eiseres heeft naar aanleiding van het aanvullend looncontrolerapport nader gereageerd
bij schrijven van 31 maart 2003.
Bij correctienota’s van 28 april 2003 heeft verweerder eiseres een afrekening gezonden
met betrekking tot de door haar over de premiejaren 1999, 2000 en 2001 verschuldigde
nadere sociale verzekeringspremies.
Eiseres heeft daartegen op 6 juni 2003 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Nadat eiseres bij brief van 29 oktober 2003 te kennen heeft gegeven af te zien van
deelname aan een hoorzitting, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit van
30 maart 2004 de correctienota’s van 28 april 2003 met betrekking tot de premiejaren
1999, 2000 en 2001 gehandhaafd. Tevens heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres haar in aanmerking
te brengen voor vergoeding van door haar in bezwaar gemaakte kosten. Verweerder
heeft daarbij onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 7:15 Awb overwogen, dat zich
in casu geen situatie heeft voorgedaan waarin de primaire beslissing is herroepen
wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Eiseres heeft tegen dat besluit bij beroepschrift van 10 mei 2004 beroep ingesteld.
Daarbij heeft eiseres zich op het standpunt gesteld, dat:
- verweerder met name buiten de periodes waarin de horeca-cao algemeen
verbindend was verklaard, onterecht toepassing heeft gegeven aan artikel 3 van het
Fooienbesluit en deze bepaling bovendien alleen van toepassing is op medewerkers
die recht hebben op bedieningsgeld;
- vaste krachten steeds vakantiegeld en vakantie hebben genoten en dat het berekenen
van een toeslag wegens niet genoten vakantiedagen en/of vakantietoeslag voor deze
categorie werknemers onterecht is;
- over het premiejaar 2000 de benodigde gegevens zijn aangeleverd, zodat verweerder
niet via extrapolatie de correctienota over het jaar 2000 had mogen vaststellen.
Eiseres heeft voorts verwezen naar de door haar in bezwaar aangevoerde grieven en
verzocht het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit en de daarbij
gehandhaafde correctienota’s te vernietigen met veroordeling van verweerder tot
vergoeding van de kosten van eiseres in zowel bezwaar als beroep.
Verweerder heeft blijkens zijn verweerschrift van 28 mei 2004 het bestreden besluit ook
na kennisneming van de in beroep aangevoerde grieven gehandhaafd.
Aan de rechtbank staat thans ter beoordeling de vraag of het bestreden besluit, waarbij
na bezwaar de aan eiseres opgelegde correctienota’s van 28 april 2003 over de
premiejaren 1999, 2000 en 2001 zijn gehandhaafd, in rechte kan stand houden.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Op grond van de hiervoor deels weergegeven rapportage van de looninspecteur stelt de
rechtbank vast, dat verweerder met betrekking tot de jaren 1999, 2000 en 2001 het
standpunt heeft kunnen innemen dat eiseres niet, niet juist of niet volledig, heeft
voldaan aan haar verplichting als bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid CSV.
Op grond van met name het tweede lid van dat artikel is een werkgever verplicht een
administratie te voeren met inachtneming van nader te stellen regels, welke nadere
regels zijn neergelegd in het Loonadministratiebesluit.
Weliswaar wordt de werkgever in het Loonadministratiebesluit enkel de verplichting
opgelegd tot het aanleggen van een loonstaat en het invullen van een jaaropgavekaart,
doch uit artikel 90, lid 1, van de eveneens van toepassing zijnde Organisatiewet Sociale
Verzekeringen (OSV) vloeit tevens voort dat de administratie verifieerbaar moet zijn.
Een dergelijke verificatie is alleen mogelijk, indien de aan de loonstaat en jaaropgave ten
grondslag liggende - primaire - bescheiden aanwezig zijn.
Van een aantal werknemers is geen loonbelastingverklaring aangetroffen. Daarnaast
ontbreekt van een aantal werknemers de kopie van een op grond van de WID toegelaten
identiteitsbewijs. Ook de rechtbank is op grond van die gebreken van oordeel dat eiseres
niet heeft voldaan aan haar verplichting als bedoeld in voornoemd artikel 10 CSV.
Verweerder was gelet op het voorgaande op grond van artikel 12, lid 1, CSV gehouden
ambtshalve het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie vast te
stellen.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder, nu eiseres geen volledige
administratie heeft bijgehouden, op goede gronden is overgegaan tot schatting van de
door eiseres verschuldigde premie. De rechtbank merkt daarbij op dat het risico van een
dergelijke schatting door verweerder, nu dat het gevolg is van het ontbreken van een
heldere administratie bij eiseres, voor rekening van eiseres moet worden gelaten.
Voorwaarde bij die schatting is wel dat deze zo veel mogelijk gebaseerd dient te zijn op
bekende feitelijke gegevens en met de nodige zorgvuldigheid tot stand komt.
Met betrekking tot dit laatste aspect en met betrekking tot hetgeen eiseres in beroep
heeft aangevoerd overweegt de rechtbank het volgende.
Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 3 van liet
Fooienbesluit, buiten de periodes waarin de horeca-cao algemeen verbindend was
verklaard. Voorts is deze bepaling alleen van toepassing op werknemers die recht
hebben op bedieningsgeld.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van
15 januari 2004, RSV 2004, 108 stelt de rechtbank vast dat voor de toepassing van
artikel 3 van het Fooienbesluit niet relevant is in welke perioden de horeca-cao
algemeen verbindend is verklaard. Uit die uitspraak blijkt dat met artikel 3 van het
Fooienbesluit niet anders is beoogd dan het in het leven roepen van een voor de praktijk
eenvoudig te hanteren waarderingsregel van de fooien die het personeel in de horeca
ontvangt. Daarbij is aangesloten bij de horeca-cao, hetgeen niet betekent dat voor de
toepassing van die waarderingsregel is vereist dat die cao algemeen verbindend
verklaard dient te zijn dan wel anderszins doorwerkt in de arbeidsovereenkomsten van
werknemers in de horeca.
Niet gezegd kan worden dat artikel 3 van het Fooienbesluit een beperkte reikwijdte heeft
als door eiseres gesteld, in die zin dat dit artikel slechts ziet op een beperkte groep in de
horeca werkzame werknemers, namelijk die werknemers die aanspraak hebben op
bedieningsgeld. De tekst van dit artikel, noch de toelichting bieden steun voor die
opvatting. In alle gevallen waarin minder betaald wordt dan het minimumloon ingevolge
artikel 7 van de horeca-cao, dient bijtelling van fooien en dergelijke prestaties van
derden te geschieden. De toelichting biedt enkel steun voor de gedachte dat
administratief personeel buiten de strekking van het Fooienbesluit valt, maar gesteld
noch gebleken is dat daarvan sprake is.
Deze gronden kunnen derhalve niet leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit.
In beroep heeft eiseres voorts aangevoerd dat bij de vaststelling van het premieloon ten
onrechte rekening is gehouden met een toeslag voor de categorie vaste krachten in
verband met niet genoten vakantietoeslag en vakantiedagen.
De rechtbank is echter niet gebleken dat voor die categorie werknemers een toeslag is
berekend. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen daaromtrent door
verweerder is opgemerkt in het bestreden besluit en in het verweerschrift. Daarnaast
verwijst de rechtbank naar het rapport van de looninspecteur onder punt 2.5.4. De
rechtbank leidt uit die stukken af dat de door eiseres bedoelde toeslag kennelijk
uitsluitend is toegepast op een groep parttime medewerkers, die als oproep- of
hulpkracht werkzaam waren en niet op de categorie vaste krachten waarop eiseres doelt.
Mede gelet op de omstandigheid, dat eiseres haar standpunt niet nader heeft
onderbouwd, terwijl uit de voorhanden zijnde gegevens voorts niet is gebleken dat het
ter zake door verweerder ingenomen standpunt voor onjuist zou moeten worden
gehouden, dient deze grief in beroep te falen.
Met betrekking tot de toepassing van extrapolatie overweegt de rechtbank het volgende.
De door de looninspecteur over de controlejaren 1999 en 2001 verzamelde gegevens zijn
geëxtrapoleerd naar het andere van belang zijnde jaar 2000. Voor de berekening van de
correctie over het jaar 2000 is gekozen voor een middeling van de correcties over de
jaren 1999 en 2001. Daarnaast is door verweerder nog een marge van 10% gehanteerd,
waarmee de berekende correctiefactor naar beneden is bijgesteld.
Met betrekking tot deze werkwijze heeft verweerder onder meer aangegeven dat de
hoogte van het oorspronkelijke premieloon in liet jaar 2000 zich bevindt tussen die van
1999 en 2001 en dat er, mede gelet op de loonontwikkeling, met betrekking tot de hoogte
van die premielonen, geen sprake is van een onderlinge bijzondere of ernstige afwijking.
Daarnaast heeft verweerder er op gewezen dat de berekeningen in de onderhavige
situatie behoorlijk arbeidsintensief zijn en de keuze voor extrapolatie zeker niet
onlogisch is en - mede gelet op voornoemde marge van 10% - niet resulteert in een
onjuiste berekening.
Eiseres heeft zich aanvankelijk in bezwaar op het standpunt gesteld dat alle benodigde
gegevens over 2000 zijn verstrekt, en dat die gegevens voor de vaststelling van de
correctienota over 2000 als uitgangspunt dienen te worden genomen, indien deze leiden
tot een voor eiseres gunstiger resultaat. In beroep heeft zij onder meer aangevoerd dat
voor haar de methode van extrapolatie tot nadeel leidt.
De rechtbank stelt vast dat concrete informatie waaruit zou kunnen blijken dat het
resultaat van de extrapolatie tot een voor eiseres ongunstige afwijking heeft geleid, door
eiseres niet is overgelegd. Ook de rechtbank is niet gebleken van feiten en/of
omstandigheden welke de conclusie rechtvaardigen dat de looninspecteur niet mocht
volstaan met onderzoek naar alleen, althans met name de jaren 1999 en 2001.
Dit betekent dat ook deze grief in beroep faalt.
Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
4 BESLISSING
De rechtbank Groningen,
RECHT DOENDE,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. P.W. van Straalen en in het openbaar door hem uitgesproken op
16 juni 2005, in tegenwoordigheid van M. Lammerts-Rannenburg als griffier.
De griffier De rechter
De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na
de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij
de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
Afschrift verzonden op: 7 juli 2005 Bijlage: Staat van kosten
typ: GR