Bestuursrecht overig

Beroep tegen besluit om dertien lasten onder dwangsom op te leggen die allemaal verband houden met het houden…

Rechtbank Limburg, 2 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 2 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Datum publicatie
1 oktober 2026
Zaaknummer
ROE 24/4896
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:10442
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep tegen besluit om dertien lasten onder dwangsom op te leggen die allemaal verband houden met het houden van dieren in strijd met de woonbestemming. Inclusief invorderingsbeschikking. Beroep is gegrond en er dient een nieuwe beslissing op bezwaar te worden genomen. Last 9 is ten onrechte opgelegd en voor lasten 1,4 en 13 is de herstelmaatregel van het college te verstrekkend. De invorderingsbeschikking wordt vernietigd voor zover het gaat over lasten 1,4,9 en 13.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 24/4896


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. R.J. Ruiter),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Simpelveld, het college,

(gemachtigde: mr. G.B. Falkenberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over dertien opgelegde lasten onder dwangsom voor het zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning gebruiken van gronden en bouwwerken en het bouwen van bouwwerken op het adres [adres] in [woonplaats] en een invorderingsbeschikking. Eiser is niet eens met deze lasten onder dwangsom en de invorderingsbeschikking. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Met het primaire besluit van 29 februari 2024 heeft het college aan eiser dertien lasten onder dwangsom opgelegd. Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 11 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

4. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij het opleggen van de lasten onder dwangsom gebleven onder aanvulling van de motivering. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

5. Bij besluit van 20 februari 2026 heeft het college een invorderingsbeschikking genomen. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit mede betrekking op de invorderingsbeschikking. Eiser heeft op de invorderingsbeschikking schriftelijk gereageerd.

6. Het college heeft op het beroep met een verweerschrift gereageerd.

7. De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?

8. Op 11 september 2023 hebben toezichthouders van de gemeente Simpelveld een controle uitgevoerd op de kadastrale percelen [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] , behorende bij het adres [adres] in [woonplaats] . Tijdens die controle is vastgesteld dat een grote hoeveelheid dieren op de percelen worden gehouden. Het gaat om de volgende dieren: één dromedaris, één ezel, drie of vier pony’s, één paard, twee schapen, twee eenden, 30 tot 40 kippen, acht konijnen, tien geiten, één kalf, acht honden, twee of drie servals, meerdere vogels, meerdere stokstaartjes, twee otters en meerdere katten en kittens. Ten behoeve van het huisvesten van de dieren zijn op de percelen met de [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] negen bouwwerken aangetroffen. Ook zijn mest en buitenopslag (zoals bakstenen, afval, ijzeren ton en apparatuur) op het perceel met [kadasternummer 2] aangetroffen. Voor het bouwen van de bouwwerken, het gebruik van gronden en de bouwwerken ten behoeve van de huisvesting van dieren en de mest- en buitenopslag is geen omgevingsvergunning verleend. Ook zijn hekwerken op de percelen met [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] aangetroffen zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning.

9. Gezien de constateringen van de toezichthouders heeft het college bij brief van

20 oktober 2023 aan eiser bericht voornemens te zijn tot het opleggen van dertien lasten onder dwangsom. Daartegen heeft eiser een zienswijze ingediend.

10. Vervolgens hebben de toezichthouders op 18 december 2023 een controle uitgevoerd waarbij is geconstateerd dat de overtredingen niet zijn beëindigd. Tijdens die controle zijn in totaal 58 dieren aangetroffen verspreid over de percelen met [kadasternummer 1] , [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] . Het gaat om de volgende dieren: één dromedaris, één ezel, vier pony’s, één paard, één schaap, twee eenden, vijftien kippen, twee konijnen, één ram, zeven honden, drie servals, elf vogels, zes stokstaartjes en drie katten. Gezien deze constatering heeft het college aan eiser dertien lasten onder dwangsom opgelegd.

11. Deze opgelegde lasten houden in dat eiser de volgende dertien overtredingen moet beëindigen en beëindigd houden:

  • lasten een tot en met negen: de bouwwerken in de rode kleur en met cijfer één tot en met negen aangeduid op de als bijlage twee bijgevoegde foto in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow);

  • last tien: de mestopslag in de rode kleur en met cijfer tien aangeduid op de als bijlage twee bijgevoegde foto in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow;

  • last elf: de buitenopslag in de rode kleur en met cijfer elf aangeduid op de als bijlage twee bijgevoegde foto in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow;

  • last twaalf: de hekwerken in de rode kleur en met cijfer twaalf aangeduid op de als bijlage twee bijgevoegde foto in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow;

  • last dertien: het houden van dieren in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow.

12. Het college heeft aan iedere last afzonderlijk een dwangsom van € 500,- per week, met een maximum van € 3.000,- verbonden. De begunstigingstermijn bedraagt voor deze lasten twaalf weken na de dag waarop het primaire besluit is verzonden.

13. Tegen de lasten onder dwangsom heeft eiser bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 11 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar, omdat - kortgezegd - de lasten ten aanzien van de bouwwerken en het houden van de dieren te verstrekkend zijn en onvoldoende is onderzocht welke bouwwerken onder het overgangsrecht vallen en het bezwaar dus een redelijke kans van slagen heeft.

14. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen de lasten onder dwangsom heeft de bezwaarschriftencommissie aan het college geadviseerd om de lasten onder dwangsom te herroepen, omdat de bezwaarschriftencommissie de nog in bezwaar aanwezige 34 dieren in overeenstemming acht met de woonbestemming, gelet op de directe omgeving en de overgangssituatie (het op natuurlijke wijze sterven van dieren). Verder is de bezwaarschriftencommissie van mening dat op basis van het overgangsrecht sprake is van maximaal 150 m² aan vergunningvrije bijgebouwen en maximaal 30 m² aan overkappingen. Verder zijn de bakstenen gebruikt om het achtererf te bestraten. Gelet op het voorgaande acht de bezwaarschriftencommissie de lasten te verstrekkend.

15. In de beslissing op bezwaar heeft het college het advies van de bezwaarschriftencommissie niet gevolgd. Volgens het college is niet vastgesteld dat ten tijde van bezwaar nog 34 dieren aanwezig zijn. Het college is van mening dat ook deze hoeveelheid aan dieren in strijd met de woonbestemming is. In het geval het gebruik wel in overeenstemming met de woonbestemming zou zijn, dan nog kan het college de lasten niet herroepen, omdat het primaire besluit rechtmatig is. Daarbij verwijst het college naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ten aanzien van de heroverweging in bezwaar. Daarnaast is het college van mening dat de bouwwerken niet onder het overgangsrecht vallen en dat de lasten niet te verstrekkend zijn. Verder is het college van standpunt dat niet is vastgesteld dat de bakstenen inderdaad niet meer worden opgeslagen en in het geval geen overtreding meer zou zijn, dan nog betekent dit geen herroeping van de last, gelet op de genoemde jurisprudentie van de Afdeling. Ten slotte heeft het college last dertien als volgt aangevuld: “U kunt aan de voornoemde last voldoen door het houden van dieren op de voornoemde percelen te beëindigen en beëindigd te houden, dan wel door het houden van dieren op de voornoemde percelen te beëindigen en beëindigd te houden met behoud van maximaal twee grote hoefdieren naast de dieren die doorgaans binnenshuis worden gehouden en het op reguliere en regelmatige wijze afvoeren van de mest afkomstig van de voornoemde dieren.” Daartegen heeft eiser dit beroep ingesteld.

16. In de invorderingsbeschikking heeft het college naar aanleiding van een controle op 13 maart 2025 een bedrag ter hoogte van € 33.000,- aan van rechtswege verbeurde dwangsommen ingevorderd wegens het niet beëindigen en beëindigd houden van het gestelde in de lasten een tot en met vier, zes tot en met tien, twaalf en dertien. Eiser heeft bij brief van 23 maart 2026 voor de beroepsgronden tegen deze invorderingsbeschikking verwezen naar zijn gronden in bezwaar en beroep die in het kader van de lasten onder dwangsom zijn aangevoerd.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

17. Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Ow in werking getreden. De Afdeling heeft in een overzichtsuitspraak van 3 juli 2024 overwogen dat als een bestuursorgaan ter voorbereiding van een bestuurlijk sanctiebesluit vóór 1 januari 2024 toepassing heeft gegeven aan artikel 4:8 van de Awb, op het bestuurlijk sanctiebesluit oud recht van toepassing is, ook als het sanctiebesluit na 1 januari 2024 is genomen.

18. Eiser is in de brief van 20 oktober 2023 door het college in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot handhavend optreden. Hiermee is toepassing gegeven aan artikel 4:8 van de Awb. Dat betekent dat op het bestreden besluit oud recht van toepassing is.

19. De rechtbank stelt vast dat het college het bestreden besluit heeft gebaseerd op de Ow. Dat is onjuist en dus een gebrek in het bestreden besluit. De rechtbank oordeelt dat het besluit door dit gebrek vernietigd moet worden. Dit betekent echter niet automatisch dat de rechtsgevolgen van de opgelegde lasten onder dwangsom niet in stand kunnen blijven. Het college heeft namelijk de lasten opgelegd, omdat het bouwen van diverse bouwwerken en het huisvesten van dieren in strijd met de planregels van bestemmingsplannen zijn. Die planregels zijn met de inwerkingtreding van de Ow niet gewijzigd. De conclusie is dat de materiële normstelling bij de vergelijking tussen oud en nieuw recht niet is gewijzigd en dat de toepassing van oud recht niet leidt tot andere lasten. Daarom zal de rechtbank nagaan of de door het college opgelegde lasten onder dwangsom inhoudelijk in stand kunnen blijven.

Is het houden van dieren in strijd met het bestemmingsplan?

20. Eiser stelt dat ten aanzien van het houden van dieren, last dertien, geen sprake is van een overtreding. Daartoe voert hij aan dat de bezwaarschriftencommissie in zijn advies heeft geconcludeerd dat de ruimtelijke uitstraling van de woonbuurt - op een groot terrein aan de rand van de bebouwde kom dat direct grenst aan agrarische bestemmingen en natuurgebieden - zodanig is dat het houden van meerdere dieren geacht wordt binnen de woonbestemming te passen. Ook voert eiser aan dat het standpunt van het college dat hij te veel dieren zou houden te algemeen is. De meeste dieren leven in zijn huis. Het college heeft verder niet gemotiveerd betwist dat het aantal dieren niet naar 34 is verminderd. Ook heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat de huisvesting van de dieren slecht is en bovendien is dit standpunt niet relevant voor de vraag of het huisvesten van dieren al dan niet bedrijfsmatig plaatsvindt.

20.1.

De rechtbank stelt vast dat tijdens de controles op de percelen met [kadasternummer 1] , [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] in totaal 58 dieren zijn aangetroffen. Op de percelen met [kadasternummer 1] en deels op [kadasternummer 2] geldt de bestemming ‘Wonen’ van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2016’. Op deze percelen bevinden zich de bouwwerken waarin de dieren verblijven. Het andere deel van het perceel met [kadasternummer 2] en het perceel met [kadasternummer 3] hebben de bestemming ‘Agrarisch’. Tussen partijen is niet in geschil dat het houden van dieren binnen de agrarische bestemming in strijd met het bestemmingsplan is en daarmee sprake is van een overtreding waartegen het college handhavend mag optreden. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het houden van 58 dieren van verschillende soorten niet passend is bij de woonbestemming zoals de voorzieningenrechter in zijn uitspraak en de bezwaarschriftencommissie in haar advies hebben geconcludeerd en waar eiser zich bij dat advies aansluit. Partijen zijn wel in geschil over de vraag of het college de in de bezwaarprocedure door eiser gestelde vermindering van het aantal dieren van 58 naar 34 bij de beslissing op bezwaar had moeten betrekken en zo ja, of die vermindering ertoe leidt dat dit aantal dieren wel binnen de woonbestemming zou passen.

20.2.

Over de vermindering van het aantal dieren overweegt de rechtbank dat eiser in de bezwaarprocedure heeft aangevoerd dat hij het aantal dieren van 58 naar 34 heeft verminderd en daarvan een overzicht heeft overgelegd. In dat overzicht is het volgende opgenomen: drie papegaaien (in de woning), drie parkieten (in de woning), vijf stokstaartjes, één paard, één dromedaris, één ezel, drie pony’s, twee servals, vijf honden (waarvan vier in de woning), één kat (in de woning), twee otters, één schaap, twee eenden en vijf kippen. Het college heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de vermindering van het aantal dieren niet is vastgesteld en ook al zou dat zo zijn, dan nog kan het college het aantal dieren van 34 niet bij de beslissing op bezwaar betrekken. Daarbij verwijst het college naar de jurisprudentie van de Afdeling. Desondanks heeft het college aangegeven dat ook het houden van dit aantal dieren, met uitzondering van de dieren die in de woning worden gehouden en die volgens het college buiten beschouwing worden gelaten, niet passend is binnen de woonbestemming.

20.3.

Over de heroverweging van besluiten tot het al dan niet treffen van herstelsancties heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 28 oktober 2020 geoordeeld dat de heroverweging moet leiden tot een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving van de desbetreffende norm. Daarvoor moet het bestuursorgaan bij de heroverweging feiten en omstandigheden betrekken die hebben geleid tot het eerdere besluit, maar ook nieuwe ontwikkelingen. De heroverweging kent bij dit soort besluiten volgens de Afdeling dus een tweeslag. In de eerste plaats moet het bestuursorgaan bezien of het op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van het primaire besluit destijds terecht zijn besluit heeft genomen. In de tweede plaats dient het bestuursorgaan feiten en omstandigheden die zich ná de oplegging van een herstelsanctie hebben voorgedaan bij zijn heroverweging te betrekken. In afwijking van de hoofdregel van ex nunc-toetsing in bezwaar kan het bestuursorgaan hierbij echter geen gevolgen verbinden aan feiten en omstandigheden van ná het eerdere besluit, voor zover doel en strekking van de te handhaven norm of fundamentele rechtsbeginselen zich daartegen verzetten.

20.4.

De rechtbank is van oordeel dat het college de door eiser gestelde vermindering van het aantal dieren in de bezwaarprocedure niet bij de heroverweging in bezwaar had hoeven te betrekken. De aard en de strekking van het primaire besluit vormt namelijk de aanleiding om juist geen rekening te houden met de gestelde vermindering van het aantal dieren van na dat besluit. Dat besluit is immers genomen op grond van omstandigheden die zich binnen een bepaalde periode hebben voorgedaan. Door de gestelde vermindering wel mee te nemen zou een effectieve en evenredige handhaving juist belemmeren. Eiser zou dan zijn dieren tijdelijk naar een andere locatie kunnen verplaatsen en daarmee kunnen bewerkstelligen dat van handhavend optreden moet worden afgezien nu de overtreding zou zijn beëindigd. Het doel en de strekking van de te handhaven norm verzet zich tegen een dergelijke gang van zaken.

20.5.

Ook al zou het college de gestelde vermindering wel moeten meenemen, wat het college in zijn subsidiaire standpunt ook heeft gedaan, kan ook in dat geval de conclusie worden getrokken dat dit aantal dieren van 34 niet binnen de woonbestemming past. Daarbij is van belang dat, hoewel de percelen van ruime omvang zijn, deze percelen wel zijn gelegen binnen een woonomgeving waarbij de percelen aan de rand van een aaneengesloten gebied met (vrijstaande) woningen liggen die op korte afstand van elkaar liggen. Dat achter de percelen ook een agrarische bestemming ligt, doet er niet aan af dat de percelen met [kadasternummer 1] en deels [kadasternummer 2] zelf een woonbestemming hebben en onderdeel uitmaken van een woonwijk en daar de verblijven van de dieren zijn gelegen. Daarbij heeft het college ook het soort en aantal dieren kunnen betrekken en de huisvesting van hen in bouwwerken en bijkomende voorzieningen voor voer- en mestopslag. Ook is het aannemelijk dat, gelet op het aantal en soort dieren, daarvan hinder in de omgeving wordt ondervonden zoals geurhinder.

Is er voor het overige sprake van overtredingen?

21. Eiser voert als het gaat om de overige lasten aan dat het overgangsrecht van het bestemmingsplan ‘Herziening bestemmingsplan Buitengebied 2021 Simpelveld’ van toepassing is zoals ook volgt uit het advies van de bezwaarschriftencommissie. Volgens eiser laat het overgangsrecht in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2016’, uitgaande van een woonbestemming, bijgebouwen tot een oppervlakte van 150 m² en een carport van minder dan 30 m² toe. Eiser is dan ook niet in overtreding met de bouwregels van dit bestemmingsplan. Het college heeft ook niet nader gemotiveerd waarom het overgangsrecht hier niet van toepassing zou zijn.

21.1.

De rechtbank stelt vast dat de lasten onder dwangsom zien op negen bouwwerken op de percelen met [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] die ten behoeve van de huisvesting van dieren worden gebruikt. Op deze gronden gelden de bestemmingsplannen ‘Buitengebied 2016’ en ‘Herziening bestemmingsplan Buitengebied 2021 Simpelveld’.

21.2.

In artikel 27.2.1 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2016’ is bepaald dat op de voor 'Wonen' aangewezen gronden uitsluitend het volgende mag worden gebouwd: woningen (onder a), de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken bijgebouwen (onder b) en de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde (onder c). Op grond 27.2.3 onder a, geldt dat voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bijgebouwen de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 60% mogen worden bebouwd, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken aanbouwen en bijgebouwen en open overkappingen maximaal 150 m² mag bedragen.

21.3.

In het bestemmingsplan ‘Herziening bestemmingsplan Buitengebied 2021 Simpelveld’ is in artikel 23.1 opgenomen dat het artikel 27.2.3 over bijbehorende bouwwerken van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2016’ geheel komt te vervallen.

Bouwwerken één, vier en vijf

21.4.

Over de bouwwerken één, vier en vijf overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat het gaat om bouwwerken, geen gebouw zijnde, omdat deze bouwwerken met gaas zijn uitgevoerd en niet overdekt zijn. Ook is niet in geschil dat deze bouwwerken niet in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2016’ zijn, maar wel in strijd met de gebruiksregels vanwege het gebruik ten behoeve van dieren. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze bouwwerken in strijd met de gebruiksregels zijn, omdat deze bouwwerken niet binnen de woonbestemming passen. Deze bouwwerken worden ten tijde van het bestreden besluit gebruikt ten behoeve van de huisvesting van dieren in strijd met de woonbestemming en daarover heeft de rechtbank onder 20.1 tot 20.5 overwogen dat dit gebruik niet bij de woonbestemming past. Er is dan ook sprake van overtredingen.

Bouwwerken twee, drie, zes, zeven en acht

21.5.

Over de bouwwerken twee, drie, zes, zeven en acht overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwen van die bouwwerken in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan ‘Herziening bestemmingsplan Buitengebied 2021 Simpelveld’. Vervolgens is de vraag of de bouwwerken onder de overgangsrechtelijke bescherming van het bestemmingsplan vallen en zo ja, of dit betekent dat geen sprake is van een overtreding.

21.6.

De rechtbank overweegt in dat kader dat tussen partijen niet in geschil is dat voor de bouwwerken twee, drie, zes, zeven en acht een vergunning voor bouwen niet is verleend. Zonder vergunning kunnen de bouwwerken niet zijn gelegaliseerd door de overgangsbepaling uit artikel 27.1 van de planregels. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geeft een eventueel met succes gedaan beroep op het overgangsrecht voor bouwwerken geen omgevingsvergunning vervangende titel en worden de bouwwerken daardoor ook niet op een andere manier gelegaliseerd. Reeds daarom was het college bevoegd om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de bouwwerken wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

21.7.

Voor zover eiser stelt dat deze bouwwerken niet in strijd met de gebruiksregels zijn, volgt de rechtbank dat standpunt niet. Deze bouwwerken worden ten tijde van het bestreden besluit gebruikt ten behoeve van de huisvesting van dieren in strijd met de woonbestemming en daarover heeft de rechtbank onder 20.1 tot 20.5 overwogen dat dit gebruik niet bij de woonbestemming past. Er is dan ook sprake van overtredingen.

Bouwwerk negen

21.8.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het bouwwerk negen geen sprake is van een overtreding en het college om die reden niet bevoegd was om daartegen handhavend op te treden. Voor dit bouwwerk is namelijk op 12 juli 1988 een omgevingsvergunning verleend voor een paardenstal van ongeveer 78 m². Het bouwwerk voldoet hieraan. Dat dit bouwwerk als paardenstal in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2016’ zou zijn, omdat daarin slechts twee paarden mogen verblijven terwijl vier boxen in de paardenstal zijn gebouwd zoals verweerder op zitting heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. Er is een paardenstal vergund zonder daarbij het aantal paarden te noemen. Deze paardenstal van ongeveer 78 m2 mag dan ook voor het houden van paarden worden gebruikt. Van een overtreding is dan ook geen sprake. Deze grond slaagt.

Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?

22. Eiser voert aan dat van handhaving moet worden afgezien, omdat met een uitsterfconstructie de dieren op een natuurlijke manier zullen doodgaan en de overtreding daarmee wordt beëindigd. Het is maatschappelijk ongewenst om die dieren in te laten slapen. Ook is het volgens eiser onmogelijk om een opvang voor de dieren te vinden.

22.1.

Zoals onder 20.1 tot 20.5 is overwogen houdt eiser dieren die niet binnen de woonbestemming vallen en is daarmee sprake van een overtreding. In dat geval volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dat als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is.

22.2.

Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

22.3.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat dieren na verloop van tijd zullen doodgaan geen grond biedt voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan om die reden behoort af te zien. Om te beginnen overweegt de rechtbank dat niet handhaven om deze reden niet alleen tot gevolg zou hebben dat eiser zijn huidige dieren tot hun dood zou kunnen houden, maar eiser er ook niets aan de in de weg zou staan om nieuwe dieren te huisvesten. Er is dan immers geen stok meer achter de deur. De rechtbank overweegt verder dat ook niet is gebleken dat de dieren op een andere locatie of locaties kunnen worden opgevangen. Op zitting heeft eiser hierover alleen gesteld dat hij heeft geprobeerd om de dieren elders te laten opvangen, maar hij heeft echter niet met stukken onderbouwd dat hij concrete pogingen heeft ondernomen en opvang onmogelijk zou zijn. Ook is het niet wenselijk om dit aantal dieren op eisers percelen te houden zonder daarbij te weten voor hoe lang dat strijdig gebruik zou voortduren, gelet op de onzekerheid van de daadwerkelijke levensduur van de dieren. Ter zitting gaf eiser toe dat er nog maar weinig was veranderd in de aantallen dieren ten opzichte van zijn eigen opgave van 34 dieren ten tijde van het bestreden besluit. Ook betrekt de rechtbank in haar afweging dat eiser ervoor heeft gekozen om een groot aantal dieren te houden dat in strijd met de woonbestemming is. Dat eiser niet wist dat hij daarmee in strijd handelde zoals hij op zitting heeft betoogd, is geen reden om van handhavend optreden af te zien. Het college heeft het algemeen belang en de belangen van buurtbewoners, die regelmatig meldingen over dit gebruik indienen, zwaarder kunnen wegen dan het belang van eiser bij het voortzetten van het strijdig gebruik.

Strekken de lasten verder dan de overtreding?

23. Eiser voert onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie dat diverse lasten te verstrekkend zijn.

23.1.

De rechtbank zal hieronder beoordelen of de herstelmaatregel van de lasten één, vier, vijf en dertien te verstrekkend zijn.

23.2.

Artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen omschrijft. Vaste rechtspraak is dat de overtreder een keuze moet worden gelaten ten aanzien van de middelen die hij wenst toe te passen om aan de overtreding een einde te maken. Vaste rechtspraak is ook dat een herstelmaatregel niet verder mag strekken dan nodig voor opheffing van de overtreding.

23.3.

Over de lasten één, vier en vijf overweegt de rechtbank als volgt. In het primaire besluit heeft het college eiser gelast om de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow te beëindigen en beëindigd te houden. In deze lasten is aangegeven dat de overtreding kan worden beëindigd door de bouwwerken één, vier en vijf te verwijderen en verwijderd te houden.

23.4.

De rechtbank is van oordeel dat de herstelmaatregel in de lasten één, vier en vijf te verstrekkend is. Zoals onder 21.4 is overwogen zien deze lasten op het beëindigen van het strijdige gebruik van de bouwwerken één, vier en vijf. De herstelmaatregel bij deze lasten sluit echter niet aan bij het beëindigen van de overtreding. De overtreding ziet namelijk op het beëindiging van het strijdig gebruik terwijl de herstelmaatregel juist ziet op het verwijderen van de bouwwerken. Hoewel met het verwijderen van de bouwwerken vanzelfsprekend ook het gebruik wordt beëindigd, strekt deze herstelmaatregel onnodig verder dan enkel het beëindigen van het strijdige gebruik. Er is dan immers geen enkel gebruik meer mogelijk. Een herstelmaatregel wat bij de lasten aansluit is bijvoorbeeld het staken en het gestaakt houden van het gebruik. Deze grond slaagt.

23.5.

Over last dertien overweegt de rechtbank als volgt. In het primaire besluit heeft het college eiser gelast om de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow te beëindigen en beëindigd te houden. In het bestreden besluit is in de last, mede naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter, als nieuwe herstelmaatregel aangegeven dat de overtreding kan worden beëindigd door het houden van dieren op de percelen te beëindigen en beëindigd te houden, dan wel door het houden van dieren op de percelen te beëindigen en beëindigd te houden met behoud van maximaal twee grote hoefdieren naast de dieren die doorgaans binnenshuis worden gehouden en het op reguliere en regelmatige wijze afvoeren van de mest afkomstig van de voornoemde dieren.

23.6.

De rechtbank is van oordeel dat de herstelmaatregel in last dertien (nog steeds) te verstrekkend is. Om aan de last te voldoen mag eiser in feite al zijn dieren, met uitzondering van de dieren die doorgaans in de woning worden gehouden, niet meer binnen de woonbestemming houden. De twee grote hoefdieren die volgens de herstelmaatregel van last dertien gehouden mogen worden en die volgens het college op zitting gekoppeld zijn aan de al vergunde paardenstal, worden met de herstelmaatregel van last negen weer niet toegestaan nu daarin staat dat het houden van dieren in bouwwerk negen, wat de paardenstal is, moet worden beëindigd en beëindigd gehouden. Of het nu om nul dieren of twee hoefdieren gaat, in beide gevallen heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom deze herstelmaatregel niet verder strekt dan het beëindigen van de overtreding. Daarbij overweegt de rechtbank dat het college voor het nemen van de herstelmaatregel onvoldoende rekening heeft gehouden met de vaste jurisprudentie van de Afdeling over de vraag of het gebruik van de percelen voor het houden van dieren in strijd is met de woonfunctie wat wordt beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik heeft gezien zijn aard, omvang en intensiteit. Bij het nemen van een nieuwe herstelmaatregel kan gedacht worden aan een categorie dieren in combinatie met aantallen dieren.

Moest het college aan eiser proceskostenvergoeding in bezwaar toekennen?

24. Eiser stelt zich op het standpunt dat het college in het bestreden besluit last dertien heeft gewijzigd en niet aangevuld zoals het college stelt. Dit betekent dat het college zijn bezwaar gegrond had moeten verklaren en aan hem een proceskostenvergoeding had moeten toekennen.

24.1.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Herroeping, zo volgt uit artikel 7:11, tweede lid, van de Awb, vindt plaats, wanneer heroverweging daartoe aanleiding geeft. In dit geval heeft het bezwaar geleid tot een wijziging van de herstelmaatregel van last dertien. Daarmee is het primaire besluit naar het oordeel van de rechtbank echter niet gewijzigd voor wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg. De overtreding was er nog gewoon voor last dertien en de last onder dwangsom zelf is onverkort in stand gebleven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college het primaire besluit voor wat betreft last dertien niet heeft of had moeten herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het college heeft dan ook terecht geweigerd om eiser op zijn verzoek een vergoeding van de proceskosten in bezwaar toe te kennen. Dit betoog slaagt niet.

Heeft het college de invorderingsbeschikking mogen nemen?

25. Eiser voert aan dat het college ten onrechte de invorderingsbeschikking heeft genomen, omdat de lasten onder dwangsom ten onrechte zijn opgelegd. Voor de onderbouwing daarvan verwijst eiser naar de gronden die hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd.

25.1.

Omdat het bestreden besluit geen stand kan houden, heeft dit ook gevolgen voor de invorderingsbeschikking. Daarover oordeelt de rechtbank als volgt. Omdat hiervoor is geoordeeld dat last negen niet opgelegd had mogen worden omdat geen sprake is van een overtreding, ontbreekt daarvoor ook de basis voor de invordering. Als het gaat om lasten één, vier en dertien overweegt de rechtbank dat hiervoor is geoordeeld dat de genoemde herstelmaatregelen te verstrekkend zijn. Verder geldt voor die lasten dat het college de bevoegdheid tot invordering van dwangsommen gebaseerd op lasten één, vier en dertien motiveert door aan te voeren of wel of niet aan de genoemde herstelmaatregelen is voldaan. Daarom is door het college onvoldoende onderbouwd of de overtredingen wel of niet zijn opgeheven en dus of dwangsommen zijn verbeurd. Daarom zal de rechtbank voor die lasten de invorderingsbeschikking vernietigen.

25.2.

De invordering van de dwangsommen voor de overige lasten twee, drie, zes, zeven, acht, negen, tien en twaalf is naar het oordeel van de rechtbank terecht. Eiser betwist niet dat de overtredingen door hem niet zijn opgeheven en daarmee zijn dus de dwangsommen verbeurd. Van een reden om alsnog van invordering af te zien is de rechtbank, mede gelet op het voorgaande, ook niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

26. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, omdat het besluit meerdere gebreken bevat. Het college zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit. De rechtbank vernietigt ook de invorderingsbeschikking voor zover die ziet op de invordering van de verbeurde dwangsommen voor de lasten één, vier, negen en dertien. Voor het overige blijft de invorderingsbeschikking in stand.

27. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank het college in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • vernietigt de invorderingsbeschikking zover die ziet op de invordering van de verbeurde dwangsommen voor de lasten één, vier, negen en dertien;

  • draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen;

  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;

  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Kloos, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 2 oktober 2026

de griffier is verhinderd om deze

rechter

uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 2 oktober 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

ECLI:NL:RBLIM:2024:4218. Zie de uitspraak van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645. De uitspraak van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571. ECLI:NL:RVS:2020:2571. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:251 en 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2642. In de uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2303 en 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2430, en van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2700. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5174.