Vreemdelingenrecht
Beroepen tegen besluiten tot niet-ontvankelijkheid verklaren bezwaren eisers en tegen besluit tot…
Rechtbank Limburg, 3 mei 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:2288 · Rechtbank Limburg · 3 mei 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rblim-2024-2288
Zaakgegevens
Op 3 mei 2024 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 mei 2024
- Datum publicatie
- 3 mei 2024
- Zaaknummer
- NL24.1626
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2024:2288
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroepen tegen besluiten tot niet-ontvankelijkheid verklaren bezwaren eisers en tegen besluit tot gedeeltelijk ongegrond verklaren bezwaar overige eisers tegen verleende omgevingsvergunning. Verweerder heeft de bezwaren van eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eisers ondervinden geen feitelijke gevolgen van enige betekenis en zijn niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Verweerder mocht daarnaast de bezwaren van de overige eisers gedeeltelijk ongegrond verklaren. Niet in geschil is dat verweerder met toepassing van de kruimelgevallenregeling van het bestemmingsplan mocht afwijken. Beroepsgronden van eisers ten aanzien van parkeeroverlast, geluidsoverlast en strijd met de redelijke eisen van welstand slagen niet. Strandpaviljoen is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Beroepen ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.1626
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [nummer] ), eiser,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 29 augustus 2022 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), ingediend.
Op 4 december 2023 is een ingebrekestelling naar verweerder gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag.
Eiser heeft vervolgens op 16 januari 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. W. de Vilder, advocaat te Beek.
Geen van beide partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gesloten.
Overwegingen
1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
In artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven.
In artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden kan worden verlengd, indien:
a. complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn;
b. een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; of
c. de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven.
2. Op 27 september 2022 is WBV 2022/22 in werking getreden. Met WBV 2022/22 heeft verweerder gebruik gemaakt van de in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid om in asielzaken de beslistermijn met negen maanden te verlengen. Deze verlenging geldt voor alle asielaanvragen waarvan de beslistermijn nog niet is verstreken op de datum van inwerkingtreding van WBV 2022/22 en voor aanvragen die na die datum tot 1 januari 2023 zijn ingediend. De aanvraag van eiser valt ook hieronder.
3. Vastgesteld moet worden dat verweerder niet binnen de (met WBV 2022/22 verlengde) termijn heeft beslist. Omdat hij dit heeft nagelaten en hij een geldige ingebrekestelling heeft ontvangen, was bij het instellen van het beroep voldaan aan de eisen genoemd in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Nu niet gebleken is dat verweerder inmiddels op de aanvraag van eiser heeft beslist en in dit geval niet geoordeeld kan worden dat het beroep onredelijk laat is ingediend, is dit beroep kennelijk gegrond en dient het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag te worden vernietigd.
4. De rechtbank zal voorts een termijn stellen waarbinnen verweerder het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken. Zij hanteert daarbij in vreemdelingenzaken in beginsel de volgende termijnen. Indien de vreemdeling nog niet is gehoord ten aanzien van de reden voor zijn aanvraag: een termijn van acht weken om hem alsnog te horen en daarna een termijn van acht weken om te beslissen, waarbij verweerder in ieder geval binnen zestien weken dient te beslissen. Indien de vreemdeling wel al is gehoord: een termijn van acht weken om te beslissen. Indien de bovengrens van 21 maanden, genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de Procedurerichtlijn), (bijna) is overschreden: een termijn van vier weken om alsnog te beslissen.
5. Omdat vanaf de datum van de aanvraag van eiser (op 29 augustus 2022) inmiddels bijna 21 maanden zijn verstreken, betekent het bovenstaande dat de rechtbank verweerder zal opdragen om binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een beslissing op de aanvraag van eiser bekend te maken.
6. De rechtbank zal verder op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven. Zij gaat hiertoe over omdat (ook) uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 2022 volgt dat artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, zoals die luidt sinds 11 juli 2021, onverbindend is voor zover daarin is bepaald dat de artikelen 8:55d, tweede lid, en 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Vw 2000. Dit betekent dat de bestuursrechter óók in asielprocedures, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt dat verweerder binnen de door hem gestelde termijn alsnog een besluit neemt en aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Verder betekent dit dat de bestuursrechter óók in asielprocedures kan bepalen dat, indien of zolang verweerder niet voldoet aan een uitspraak, hij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt.
7. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB), waarin alle zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag zijn vertegenwoordigd, heeft op 25 maart 2020 unaniem de beleidslijn vastgesteld dat verweerder in gevallen als deze een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, tot een maximum van € 7.500,00. De rechtbank ziet geen aanleiding van die beleidslijn af te wijken.
8. De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 437,50 waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser één punt met een waarde van € 875,00 wordt toegekend (voor het indienen van het beroepschrift). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht (wegingsfactor 0,5) omdat het hierbij uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op om binnen vier weken na de bekendmaking van deze het besluit op de aanvraag te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00;
- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, begroot op € 437,50 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiser.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 3 mei 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag van bekendmaking hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.