Arbeidsrecht
Affectieve en seksuele relatie met een ondergeschikte levert geen dringende reden op voor een ontslag op…
Rechtbank Limburg, 19 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:11059 · Rechtbank Limburg · 19 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/arbeidsrecht/beschikking/ecli-nl-rblim-2026-11059
Zaakgegevens
Op 19 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 19 oktober 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12269405 \ AZ VERZ 26-109
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:11059
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Affectieve en seksuele relatie met een ondergeschikte levert geen dringende reden op voor een ontslag op staande voet. Billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding afgewezen. Tegenverzoek boete wegens overtreding ronselbeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: 12269405 \ AZ VERZ 26-109
Beschikking van 19 oktober 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[werknemer] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. A.H.J. in 't Zandt,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. J.M.E. Schunseler.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een tegenverzoek
- de mondelinge behandeling van 5 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van beide partijen.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De feiten
[werknemer] , geboren [geboortedag] 1989, is sinds 1 april 2021 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is manager met een loon van € 6.700,00 bruto per maand.
[werknemer] heeft ongeveer een jaar een affectieve en seksuele relatie gehad met een rechtstreeks aan hem ondergeschikte werkneemster ( [persoon 1] ). [werknemer] is hierover enkele malen bevraagd maar heeft de relatie in eerste instantie ontkend.
Op 10 april 2026 heeft [werknemer] tegenover de directeur, [directeur] , toegegeven dat hij een relatie heeft gehad met [persoon 1] . Naar aanleiding hiervan heeft op 13 april 2026 een gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] en namens [werkgever] [directeur] (directeur), [persoon 2] (directie/HR) en [persoon 3] (HR). Daarna heeft [werkgever] met [persoon 1] gesproken.
Op 14 april 2026 is [werknemer] op staande voet ontslagen onder de opschortende voorwaarde van (i) het niet vóór 16 april 2026 om 15.00 uur tekenen van de aangeboden beëindigingsovereenkomst en (ii) het vervolgens ontbinden van de beëindigingsovereenkomst binnen de wettelijke bedenktermijn.
[werknemer] heeft de beëindigingsovereenkomst ondertekend maar heeft de overeenkomst binnen de bedenktermijn ontbonden. Hierdoor werd het gegeven ontslag op staande voet per 29 april 2026 geëffectueerd. [werknemer] berust in het gegeven ontslag.
3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
[werknemer] verzoekt de kantonrechter – samengevat - om:
I. Voor recht te verklaren dat:
-
het door [werkgever] aan [werknemer] op 29 april 2026 en 30 april 2026 bevestigde ontslag op staande voet niet gegeven had mogen worden;
-
er geen sprake was van een geldige ontslagreden;
-
dit ontslag onrechtmatig is en voor vernietiging in aanmerking gekomen zou zijn, ware het niet dat [werknemer] in het ontslag heeft berust;
-
de gronden voor die berusting navolgbaar zijn en gelezen zijn in de risicosfeer van [werkgever] .
II. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding ad € 12.633.00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;
III. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ad € 14.472,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;
IV. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding ad € 50.000,00 bruto, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;
V. [werkgever] te veroordelen om een deugdelijke specificatie van de te betalen bedragen te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 als [werkgever] daarmee in gebreke blijft, te vermeerderen met € 1.000,00 per dag dat [werkgever] daarmee in gebreke blijft;
VI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
Ter onderbouwing stelt [werknemer] dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven omdat er geen dringende reden aan ten grondslag ligt. Het beginsel van hoor- en wederhoor is met voeten getreden door [werkgever] .
[werkgever] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [werkgever] voert ‑ samengevat ‑ aan dat er een ernstige en onherstelbare vertrouwensbreuk is ontstaan. [werknemer] heeft immers langdurig een geheime relatie onderhouden binnen een hiërarchische verhouding, hebben er seksuele handelingen in het bedrijfspand plaatsgevonden en heeft [werknemer] meermalen onjuiste verklaringen afgelegd. Dit levert afzonderlijk maar ook in onderlinge samenhang een dringende reden op als bedoeld in artikel 7:678 BW en vormt daarmee aanleiding voor een ontslag op staande voet.
[werknemer] heeft daarom geen recht op de gevraagde vergoedingen.
[werkgever] heeft een tegenverzoek gedaan. [werkgever] verzoekt veroordeling van [werknemer] wegens overtreding van het ronselbeding tot betaling van een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook verzoekt [werkgever] [werknemer] te gebieden om zijn handelen in strijd met het ronselbeding ex artikel 15 van de arbeidsovereenkomst te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding en een bedrag van € 100,00 per dag dat de overtreding voortduurt, dit alles met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten.
4 De beoordeling van het verzoek
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [werknemer] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. Daarvoor moet eerst beoordeeld worden of het ontslag op staande voet terecht is gegeven.
Het ontslag op staande voet
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
Op staande voet ontslagen worden is iets wat voor zowel werkgever als werknemer zeer ingrijpend kan zijn. Dit is namelijk de zwaarste vorm van ontslag. Er moet echter wel wat aan de hand zijn voordat een rechtsgeldig ontslag op staande voet kan worden gegeven.
Voor een geldig ontslag op staande voet is een dringende reden vereist. Dat betekent dat het gedrag van de werknemer zó ernstig moet zijn dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Die beoordeling gebeurt aan de hand van alle omstandigheden van het geval en vereist een zorgvuldige afweging.
De wet beschrijft een dringende reden als een zodanige gedraging van de werknemer die ertoe leidt dat van de werkgever niet verlangd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De wet geeft daarvoor een aantal voorbeelden. Zo wordt onder meer diefstal, dronkenschap, mishandeling en het weigeren te voldoen aan redelijke opdrachten, aangemerkt als dringende reden voor ontslag. Deze voorbeelden zijn echter niet uitputtend.
In deze zaak bestaat de dringende reden eruit dat er [werknemer] gedurende langere tijd een affectieve en seksuele relatie met een ondergeschikte heeft gehad, er seksuele handelingen in het bedrijfspand hebben plaatsgevonden en dat [werknemer] desgevraagd hierover meerdere malen heeft gelogen. Volgens [werkgever] is er hiermee een ernstige en langdurige vertrouwensbreuk ontstaan.
De kantonrechter is van oordeel dat voornoemde gedragingen een werknemer niet passen, en al zeker niet bij een werknemer met een leidinggevende functie zoals [werknemer] . De vraag of het personeelshandboek van toepassing is, kan buiten beschouwen blijven. Ook zonder het beleid vast te leggen had het voor [werknemer] duidelijk moeten zijn dat zijn gedrag niet door de beugel kon. Dat hierdoor een vertrouwensbreuk is ontstaan is invoelbaar en dat [werkgever] beëindiging van de arbeidsrelatie nastreeft is dan ook niet onbegrijpelijk. Gelet op de omstandigheden van het geval en alle consequenties die een ontslag op staande voet met zich meebrengen, is de kantonrechter van oordeel dat ontslag op staande voet niet proportioneel is. Er had een minder zwaar middel ingezet kunnen worden zoals een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De conclusie luidt dan ook dat er geen dringende reden aanwezig is voor een ontslag op staande voet. Omdat [werknemer] al eerder de zogenoemde switch heeft gemaakt en berust in een einde van de arbeidsovereenkomst, behoeft het gegeven ontslag op staande voet niet vernietigd te worden.
Billijke vergoeding
Het verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
[werknemer] onderbouwt zijn verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding door te stellen dat hij altijd uitstekend heeft gefunctioneerd en dat, gelet op de bestaande ziekte- en burn-outklachten het dienstverband nog zeker 12 maanden had geduurd. Het inkomensverlies becijfert [werknemer] op € 86.832,00 bruto, terwijl hij ook pensioenopbouw mist.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 2.000,00 bruto. Daarbij is in aanmerking genomen dat [werknemer] kort na zijn ontslag per 1 juni 2026 een dienstverband is aangegaan met een aan [bedrijf] gelieerde vennootschap. Het inkomensverlies en gemiste pensioenopbouw is hierdoor beperkt. Verder zijn de ziekte- en burnoutklachten niet onderbouwd of aangetoond. Wat daar ook van zij, deze hebben kennelijk niet aan de indiensttreding per 1 juni 2026 in de weg gestaan. Op de mondelinge behandeling heeft [werknemer] bovendien verklaard dat
[werkgever] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 2.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 14.472,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 29 april 2026.
Transitievergoeding
Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [werkgever] wordt veroordeeld tot betaling van verzochte bedrag van € 12.633,00 bruto, welk bedrag niet is betwist. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 30 mei 2026.
De verklaringen voor recht
[werknemer] verzoekt een aantal verklaringen voor recht. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat [werknemer] geen belang heeft bij de gevraagde verklaringen voor recht. Welk belang hij heeft bij de gevraagde verzoeken is door hem ook gemotiveerd of aangetoond. Deze worden daarom afgewezen bij gebrek aan belang.
De proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beoordeling van het tegenverzoek
[werkgever] verzoekt om betaling van een bedrag van € 10.000,00 in verband met het overtreden van het ronselbeding. Ook verzoekt [werkgever] te gebieden dat [werknemer] zijn handelen in strijd met het ronselbeding staakt en gestaakt houdt.
In artikel 15 van de arbeidsovereenkomst is het volgende opgenomen:
“Het is werknemer niet toegestaan om tijdens of na het einde van het dienstverband, direct dan el indirect, voor zichzelf als voor derden, werknemers van Werkgever te benaderen teneinde hen te bewegen het dienstverband met Werkgever dan wel met een aan Werkgever gelieerde onderneming te beëindigen”.
In artikel 19 is een boetebeding opgenomen en overtreding van het ronselbeding levert een onmiddellijk opeisbare boete op van € 5.000,00 en een aanvullende boete van € 100,00 dat de overtreding voortduurt.
[werkgever] stelt vernomen te hebben dat [werknemer] actief meerdere planners van [werkgever] heeft benaderd met een overstap naar [bedrijf] . Zij noemt hierbij de namen: [planner 1] en [planner 2] .
[werknemer] betwist uitdrukkelijk dat hij het ronselbeding heeft geschonden. De personen die genoemd zijn, zijn goede vrienden/kennissen al dan niet via de ouders. Het is niet waar dat [werknemer] deze personen heeft benaderd.
De kantonrechter is van oordeel dat de nevenverzoeken moeten worden afgewezen. Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden die erop wijzen dat [werknemer] het ronselbeding heeft geschonden. “Te hebben vernomen” is in elk geval onvoldoende. In elk geval is niet aangetoond dat werknemers bij een [bedrijf] , dan wel een daaraan gelieerde vennootschap, in dienst zijn getreden nadat deze actief door [werknemer] zijn benaderd.
De proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 865,00 aan salaris gemachtigde.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6 De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 2.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 14.472,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 12.633,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
op het tegenverzoek
wijst het verzoek af,
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
op het verzoek en op het tegenverzoek
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
wijst het meer of anders verzochte af,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.