Civiel recht overig
Zorgverzekeringsovereenkomst, onbetaalde facturen, toepassing van artikl 6:44 BW. De toepassing van artikel…
Rechtbank Limburg, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:11653 · Rechtbank Limburg · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rblim-2026-11653
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12233431 \ CV EXPL 26-2758
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:11653
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Zorgverzekeringsovereenkomst, onbetaalde facturen, toepassing van artikl 6:44 BW. De toepassing van artikel 6:44 BW leidt tot de conclusie dat de verschenen rente tot en met 2 september 2026 en de hoofdsom inmiddels zijn voldaan, waardoor een bedrag van € 243,24 aan gedane betaling resteert. Op verzoek van FBTO zal dit restant worden verrekend met de proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12233431 \ CV EXPL 26-2758
Vonnis van 28 oktober 2026
in de zaak van
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 en 2,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de conclusie van repliek,
- de productie zijdens [gedaagde] ,
- de akte van FBTO, tevens houdende vermindering van eis.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde] is met FBTO een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan, uit hoofde waarvan [gedaagde] aan FBTO premie verschuldigd is alsmede kosten van zorg ter hoogte van maximaal het eigen risico. Op de overeenkomst zijn de ‘Voorwaarden Zorg basisverzekeringen’ ingaande 1 januari 2018 van toepassing.
[gedaagde] heeft € 91,43 aan premie over de maand mei 2018 en € 23,33 aan zorgkosten d.d. 25 juni 2018 niet betaald.
FBTO (c.q. haar toenmalig incassogemachtigde) heeft in de periode van 2018 tot en met 2023 [gedaagde] meermaals aangemaand tot betaling van de onbetaald gebleven premie en zorgkosten. [gedaagde] is daarop niet tot betaling overgegaan.
Bij brief van 15 juli 2025 heeft de huidige incassogemachtigde van FBTO [gedaagde] aangemaand om binnen vijftien dagen na bezorging van de brief het openstaande bedrag van in totaal € 114,65 te voldoen, bij gebreke waarvan [gedaagde] € 48,40 (inclusief btw) aan incassokosten in het vooruitzicht zijn gesteld. [gedaagde] heeft niet binnen de gestelde termijn betaald.
Bij brief van 27 januari 2026 heeft de incassogemachtigde van FBTO [gedaagde] nogmaals gesommeerd tot betaling van de premie, de zorgkosten en de buitengerechtelijke incassokosten. Ook daarop is niets betaald.
Op 8 juli 2026, na het uitbrengen van de dagvaarding, heeft [gedaagde] € 392,20 aan FBTO betaald.
3 Het geschil
FBTO heeft aanvankelijk gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 195,43, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2026 over een bedrag van € 114,65, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Het bedrag van € 195,43 kan als volgt worden gespecificeerd:
-
€ 114,65 bestaande uit € 91,43 aan premie over de maand mei 2018 en € 23,22 aan zorgkosten d.d. 25 juni 2018 (hierna: de hoofdsom),
-
€ 32,38 aan rente tot 30 maart 2026,
-
€ 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw).
FBTO legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] met FBTO een zorgverzekeringsovereenkomst is aangegaan en dat zij op grond van die overeenkomst aan haar periodiek premie en eigen risico verschuldigd is, voor zover dat laatste is verbruikt. [gedaagde] heeft € 91,43 aan premie over de maand mei 2018 en € 23,22 aan eigen risico niet betaald.
[gedaagde] heeft bij de conclusie van antwoord verweer gevoerd, maar vervolgens, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet meer inhoudelijk gereageerd op de nadere stellingen van FBTO in de conclusie van repliek. Zij heeft enkel een bankafschrift als productie overlegd zonder nadere toelichting.
Op 8 juli 2026, na het uitbrengen van de dagvaarding en de indiening van de conclusie van repliek, heeft [gedaagde] € 392,20 aan FBTO betaald.
Bij akte uitlating producties, tevens houdende vermindering van eis, heeft FBTO haar vordering vervolgens verminderd met € 392,20 aan gedane betaling en gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van het restant van € 97,93 aan dagvaardingskosten en betaling van het salaris van de gemachtigde en de nakosten. De verrekening van FBTO conform art. 6:44 BW ziet er als volgt uit:
-
€ 392,20 - € 48,40 (buitengerechtelijke incassokosten) = € 343,80;
-
€ 343,80 - € 34,31 (verschenen rente tot en met 2 september 2026) = € 309,49;
-
€ 309,49 - € 114,65 (hoofdsom) = € 194,84;
-
€ 194,84 - € 139,00 (griffierecht) = € 55,84;
-
€ 153,77 (dagvaardingskosten) - € 55,84 (restant betaling) = € 97,93.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Toerekening betaling geldsom
[gedaagde] heeft bij antwoord verweer gevoerd, er voornamelijk op neerkomend dat zij met FBTO een betalingsregeling had afgesproken die zij was nagekomen. FBTO heeft dit bij repliek weerlegd. Vervolgens is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om te reageren op de repliek van FBTO. Zij heeft echter slechts een bankafschrift als productie overlegd zonder enige toelichting, ten aanzien waarvan FBTO nog heeft gesteld dat de daarop vermelde betaling aan haar gemachtigde betrekking had op een ander dossier. Aangezien [gedaagde] verder niet inhoudelijk heeft gereageerd op de repliek van FBTO zal de kantonrechter uitgaan van de juistheid van de in deze akte ingenomen stellingen van FBTO. In deze zaak staat om die reden vast dat [gedaagde] de facturen van in totaal € 114,65 ondanks diverse aanmaningen lange tijd onbetaald heeft gelaten en deze pas tijdens deze procedure heeft voldaan door € 392,20 aan FBTO te betalen.
Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW strekt een betaling ter voldoening van een geldsom eerst in mindering van de buitengerechtelijke incassokosten, vervolgens van de verschenen rente en tot slot van de hoofdsom. Daarom moet beoordeeld worden of [gedaagde] bijkomende kosten verschuldigd is naast de hoofdsom. De kantonrechter oordeelt daartoe als volgt.
Ambtshalve toetsing algemene voorwaarden
FBTO vordert betaling van rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak.
Buitengerechtelijke incassokosten
FBTO vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De algemene voorwaarden bevat een incassokostenbeding in artikel 6.10 (ten aanzien van het verplicht eigen risico) en in artikel 9.2 (ten aanzien van de premie). Het zijn bedingen die zijn bedoeld om in meer overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of deze bedingen oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). De bedingen wijken ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling (meer specifiek artikel 6:96 lid 6 BW) die zonder deze bedingen (dwingend) zou gelden. De bedingen zijn daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. FBTO kan in dat geval geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder de oneerlijke bedingen. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De kantonrechter vernietigt de bedingen en zal daarom de gevorderde incassokosten van € 48,40 (inclusief btw) afwijzen. Dat heeft tot gevolg dat deze kosten niet in mindering strekken op het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 392,20.
Verschenen rente
FBTO vordert betaling van € 34,31 aan verschenen rente tot en met 2 september 2026. De kantonrechter stelt vast dat de toepasselijke algemene voorwaarden in artikel 6.10 en in artikel 9.2 ook een beding bevat op grond waarvan FBTO aanspraak kan maken op vergoeding van wettelijke rente. De kantonrechter is van oordeel dat deze bedingen ten aanzien van de wettelijke rente eerlijk zijn. Hieruit volgt dat deze bedingen niet ambtshalve vernietigd zullen worden.
De rente is eveneens toewijsbaar op de wijze zoals vermeld onder overweging 4.3, omdat FBTO voldoende heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat vervolgens onvoldoende heeft betwist. Dat heeft tot gevolg dat de door FBTO gevorderde € 34,31 aan verschenen rente tot en met 2 september 2026 verrekenbaar is met het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 392,20.
Conclusie
De toepassing van artikel 6:44 BW leidt tot de conclusie dat de verschenen rente tot en met 2 september 2026 en de hoofdsom inmiddels zijn voldaan, waardoor een bedrag van € 243,24 aan gedane betaling resteert. Op verzoek van FBTO zal dit restant hierna worden verrekend met de proceskosten.
Proces- en nakosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FBTO worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,77 |
|
|
- griffierecht |
€ |
139,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
107,50 |
(2,5 punten × € 43,00) |
|
- nakosten |
€ |
21,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
421,77 |
Het restant van € 243,24 aan gedane betaling zal eerst worden verrekend met het griffierecht van € 139,00, waardoor € 104,24 aan gedane betaling resteert. Dit bedrag wordt vervolgens afgetrokken van de € 153,77 aan kosten van de dagvaarding, waardoor nog
€ 49,53 aan kosten van de dagvaarding resteert. Dat heeft tot gevolg dat [gedaagde] in totaal nog € 178,53 aan proceskosten moet betalen.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO te betalen € 178,53 aan proceskosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.