Verbintenissenrecht

Civiel recht. Eindvonnis na tussenvonnis met bewijsopdracht. Eisende partijen hebben afgezien van nadere…

Rechtbank Limburg, 7 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Datum publicatie
6 oktober 2026
Zaaknummer
C/03/261065 / HA ZA 19-121
Procedure
Bodemzaak
Advocaat
mr. M.C.G. Nijssen te Heerlen, mr. T. Bogers te Utrecht, mr. R.A. Wijnands te Maastricht
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:10637
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Civiel recht. Eindvonnis na tussenvonnis met bewijsopdracht. Eisende partijen hebben afgezien van nadere bewijslevering. Verzoek omkering bewijslastverdeling wordt afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding terug te komen op beslissing bij tussenvonnis inzake de bewijslastverdeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer / rolnummer: C/03/261065 / HA ZA 19-121

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

1 MR. [eiser 1] Q.Q.,

curator in het faillissement van de naamloze vennootschap

naar Luxemburgs recht AMS KONZERN SOCIÉTÉ GÉNÉRALE S.A.,

kantoorhoudend te [plaats 1] (Luxemburg),

hierna te noemen: de Curator,

2. de besloten vennootschap naar Chinees recht

[eiser 2] LTD,

gevestigd te [plaats 2] (China),Sy

hierna te noemen: [eiser 2],

advocaat: mr. M.C.G. Nijssen te Heerlen,

3. [eiser 3],

wonende te [plaats 3] (Australië),

hierna te noemen: [eiser 3],

advocaat: mr. T. Bogers te Utrecht,

eisers,

hierna ook samen te noemen: de Curator c.s.,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 4] (Duitsland),

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. R.A. Wijnands te Maastricht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 22 april 2026,

  • de akte uitlating na tussenvonnis van de Curator en [eiser 2],

  • de akte houdende uitlating na vonnis van [eiser 3], met de producties 9 tot en met 11,

  • de antwoordakte na akten eisers tevens overleggen producties van [gedaagde], met productie 1.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het tussenvonnis en de bewijslevering

2.1.

De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis. In het tussenvonnis zijn de Curator en [eiser 2] (bijgestaan door mr. Nijssen) en [eiser 3] (bijgestaan door mr. Bogers) in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van hun stelling dat het bedrag van € 1.472.337,03, dat op 24 oktober 2018 is bijgeschreven op de ABN AMRO-rekening van [gedaagde], afkomstig is van het op 22 oktober 2018 aan de bankrekening van [eiser 2] (met [bankrekeningnummer]) onttrokken bedrag.

2.2.

De Curator en [eiser 2] hebben bij akte afgezien van bewijslevering. Zij stellen daarbij het volgende. Zij hebben twee alternatieve grondslagen van hun vorderingen aangevoerd, namelijk de erkenning door [gedaagde] en onrechtmatig handelen door [gedaagde]. Nu de rechtbank in het tussenvonnis heeft geoordeeld dat de vorderingen onder 2, 3 (primair) en 4 reeds toewijsbaar zijn, is daarmee het onrechtmatig handelen als grondslag gehonoreerd. De Curator en [eiser 2] zien daarom af van nadere bewijslevering voor de vordering onder 1. Zij hebben de rechtbank verzocht om eindvonnis te wijzen.

2.3.

[eiser 3] heeft eveneens bij akte afgezien van nadere bewijslevering en heeft verzocht om omkering van de bewijslast. Ten slotte heeft [eiser 3] heeft de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen en daarbij tevens te vermelden dat het aangetroffen geld op de ABN AMRO-rekening van [gedaagde] (momenteel in beheer bij [bedrijf]) een rechtmatig verhaalsobject betreft waarop [eiser 3] tot executie kan overgaan.

2.4.

[gedaagde] heeft bij antwoordakte aangevoerd dat de herkomst van het bedrag niet vast is komen te staan nu de Curator, [eiser 2] en [eiser 3] hebben verzuimd om bewijs te leveren. Primair verzoekt [gedaagde] om de vaststelling dat eisers de hun opgedragen bewijslevering niet hebben verricht en dat niet is bewezen dat het bedrag van € 1.472.337,03 dat op 24 oktober 2018 op de ABN AMRO-rekening van [gedaagde] is bijgeschreven afkomstig is van het op 22 oktober 2018 aan de bankrekening van [eiser 2] onttrokken bedrag. Subsidiair verzoekt [gedaagde] voor het geval de bewijsopdracht niet langer in stand behoort te blijven, dat de rechtbank zulks uitdrukkelijk en gemotiveerd beslist. Meer subsidiair verzoekt [gedaagde] dat de rechtbank expliciet beslist of zij terugkomt op de in het tussenvonnis gegeven bewijsopdracht en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.

Daarnaast heeft [gedaagde] een aanvullende productie overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat met ingang van 12 december 2018 niet AMS Konzern Société Générale S.A. maar uitsluitend een andere derde partij in de officiële registers stond ingeschreven in het Register of Members van [eiser 2]. Hij verzoekt de rechtbank deze nieuwe productie in haar verdere beoordeling te betrekken.

3 De verdere beoordeling

Ten aanzien van de Curator en [eiser 2]

3.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat bij de huidige stand van zaken onvoldoende kan worden vastgesteld dat het bedrag dat op de ABN AMRO-rekening van [gedaagde] is gestort, daadwerkelijk (indirect) afkomstig was van het aan de bankrekening van [eiser 2] onttrokken bedrag. Uit de door de Curator c.s. gestelde toezeggingen van [gedaagde] tot terugbetaling is namelijk niet zonder meer af te leiden dat deze zien op het bedrag op zijn ABN AMRO-rekening en dat dit bedrag (dus) afkomstig is van het aan de bankrekening van [eiser 2] onttrokken bedrag. Nu de Curator en [eiser 2] geen gebruik hebben gemaakt van de aan hen geboden mogelijkheid tot bewijslevering – en niet hebben voldaan aan de bewijsopdracht – is de stand van zaken in dezen gelijk gebleven. Dit heeft tot gevolg dat de vordering onder 1 (nog steeds) onvoldoende is onderbouwd en daarmee niet toewijsbaar is.

Ten aanzien van [eiser 3]

3.2.

[eiser 3] heeft bij akte afgezien van nadere bewijslevering en heeft daarnaast verzocht om omkering van de bewijslast. Hij heeft hiertoe stellingen naar voren gebracht en producties 9 en 10 overgelegd, waaruit volgens hem duidelijk volgt dat [naam] een substantiële rol had in de wijze waarop de geldstromen plaatsvonden of in ieder geval vervlochten was met [eiser 2]. [eiser 3] neemt aan dat het geld dat werd overgemaakt van [naam] naar de ABN AMRO-rekening van [gedaagde] afkomstig is van [eiser 3]. [eiser 3] verkeert op dit punt in bewijsnood en verzoekt daarom om omkering van de bewijslast, inhoudende dat de bewijsopdracht wordt heroverwogen en de rechtbank alsnog aan [gedaagde] een bewijsopdracht geeft.

3.3.

De rechtbank begrijpt dat [eiser 3] verzoekt om terug te komen op eerdere bindende eindbeslissingen inzake de betrokkenheid van [naam] en de bewijsopdracht. Nu [eiser 3] echter geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft gesteld die daartoe aanleiding geven, zal dit verzoek worden afgewezen. De enkele omstandigheid dat [eiser 3] in bewijsnood verkeert is onvoldoende voor de omkering van de bewijslast. De rechtbank komt niet terug op haar beslissing in rov. 4.21. van het tussenvonnis en de hoofdregel van artikel 150 Rv blijft dus gelden. Nu ook [eiser 3] geen gebruik heeft gemaakt van geboden mogelijkheid tot bewijslevering – en niet is geslaagd in de bewijsopdracht – is de vordering onder 1 ook door [eiser 3] onvoldoende onderbouwd en niet toewijsbaar.

3.4.

Daarnaast verzoekt [eiser 3] – voor het geval de vordering onder 1 wordt afgewezen – dat de rechtbank bij eindvonnis zal vermelden dat de aangetroffen som geld op de ABN AMRO-rekening van [gedaagde] (thans in beheer bij [bedrijf]) een rechtmatig verhaalsobject betreft waarop [eiser 3] tot executie kan overgaan, nu geen andere partij hierop rechten heeft doen gelden.

3.5.

Nu de vordering onder 1 wordt afgewezen, zal de rechtbank dit verzoek beoordelen. De rechtbank begrijpt dit verzoek als een wijziging van eis waarbij [eiser 3] een verklaring voor recht vordert. Uitgangspunt is dat een partij haar eis mag veranderen of vermeerderen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, tenzij de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van de goede procesorde. In deze stand van de procedure zal de wijziging van eis worden geweigerd, nu dit naar oordeel van de rechtbank in strijd is met de eisen van de goede procesorde. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat – voor zover de eiswijziging zou worden toegelaten – de vordering niet toewijsbaar is omdat een grond hiertoe ontbreekt. Immers, uit de voorgaande overwegingen, gelezen in combinatie met het tussenvonnis (rov. 4.20-4.12), volgt juist dat niet is komen vast te staan dat het bedrag aan [gedaagde] toebehoort.

Ten aanzien van [gedaagde]

3.6.

[gedaagde] verzoekt om de vaststelling dat eisers niet hebben voldaan aan de aan hen opgedragen bewijsopdracht en dat niet is bewezen dat het bedrag van € 1.472.337,03 dat op 24 oktober 2018 op de ABN AMRO-rekening van [gedaagde] is bijgeschreven afkomstig is van het op 22 oktober 2018 aan de bankrekening van [eiser 2] onttrokken bedrag. Dit heeft de rechtbank reeds geoordeeld in rov. 3.1. en 3.3. van dit vonnis.

Op het verzoek van [gedaagde] om te duiden of de rechtbank al dan niet terugkomt op de bewijsopdracht in het tussenvonnis heeft de rechtbank reeds beslist in rov. 3.3. van dit vonnis.

3.7.

In de randnummers 1 tot en met 10 van zijn antwoordakte gaat [gedaagde] in op de bestuursbevoegdheid van [eiser 2]. De rechtbank zal hieraan voorbijgaan omdat [gedaagde] hiertoe geen gelegenheid heeft gekregen. [gedaagde] heeft slechts de gelegenheid gekregen om bij akte te reageren op de aktes van de Curator, [eiser 2] en [eiser 3]. De nieuwe ‘productie 1’ zal niet worden toegelaten in de procedure.

Conclusie

3.8.

De rechtbank concludeert dat de Curator c.s. hebben afgezien van nadere bewijslevering. Zij zijn daarom niet geslaagd in de bewijsopdracht. Daarmee is dus niet komen vast te staan dat het bedrag op de bankrekening van [gedaagde] afkomstig was van [eiser 2]. Dit heeft tot gevolg dat de vordering onder 1 voor afwijzing gereed ligt.

3.9.

Zoals reeds bij tussenvonnis overwogen liggen de vorderingen onder 2, 3 (primair) en 4 voor toewijzing gereed. De rechtbank zal deze vorderingen dan ook toewijzen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de onder 3 (primair) gevorderde wettelijke rente over het bedrag van 2.492.000 AUD (€ 1.472.337,03), toewijsbaar is vanaf 22 oktober 2018, aangezien op dat moment de schade is opgetreden en wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het moment dat de schade optreedt zonder ingebrekestelling.

Buitengerechtelijke kosten

3.10.

De Curator c.s. vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de Curator c.s. in dit verband voldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering van € 6.675,00 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief bij een hoofdsom van € 1.472.337,03. De tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden geacht redelijk te zijn. De rechtbank wijst daarom € 6.675,00 toe. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal ook worden toegewezen.

Proceskosten

3.11.

[gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van eisers betalen. Daarbij zal de rechtbank de advocaatkosten gedeeltelijk splitsen nu eisers aanvankelijk door dezelfde advocaat werden vertegenwoordigd (mr. Nijssen), maar [eiser 3] vanaf 18 december 2024 door een eigen advocaat werd bijgestaan (mr. Bogers).

3.12.

De proceskosten (met gezamenlijke advocaatkosten tot 18 december 2024) van de Curator c.s. worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

169,81

- griffierecht

€

3.404,00

(€ 4.030,00 - € 626,00)

- salaris advocaat

€

11.577,50

(2,5 punten x € 4.631,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

15.340,31

3.13.

De advocaatkosten van de Curator en [eiser 2] vanaf 18 december 2024 worden begroot op € 9.262,00 (2 punten × € 4.631,00).

3.14.

De advocaatkosten van [eiser 3] vanaf 18 december 2024 worden begroot op € 9.262,00 (2 punten × € 4.631,00).

3.15.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Ten aanzien van het certificaat

3.16.

De Curator c.s. hebben verzocht het te wijzen vonnis te voorzien van het certificaat als bedoeld in artikel 53 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012. Dit verzoek zal worden gehonoreerd.

De beslissing

De rechtbank

3.17.

verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Curator c.s. en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die de Curator c.s. als gevolg van het onrechtmatig handelen hebben geleden;

3.18.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 3] te voldoen het bedrag van 2.492.000 AUD, althans € 1.472.337,03 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2018 tot aan de dag van volledige voldoening;

3.19.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de overige schade geleden door de Curator c.s. als nader op maken bij staat;

3.20.

veroordeelt [gedaagde] om aan de Curator c.s. te voldoen een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 6.675,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het uitbrengen van de dagvaarding tot aan de dag van volledige voldoening;

3.21.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van de Curator c.s. van € 15.340,31;

3.22.

veroordeelt [gedaagde] (daarnaast) in de advocaatkosten (vanaf 18 december 2024), aan de zijde van de Curator en [eiser 2] tot op heden begroot op € 9.262,00;

3.23.

veroordeelt [gedaagde] (daarnaast) in de advocaatkosten, aan de zijde van [eiser 3] (vanaf 18 december 2024) tot op heden begroot op € 9.262,00;

3.24.

bepaalt dat de veroordelingen onder 4.5 tot en met 4.7 worden vermeerderd met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan die veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze kosten niet binnen acht dagen na dagtekening van dit vonnis zijn betaald tot aan de dag van volledige betaling;

3.25.

beveelt de afgifte van het certificaat ex artikel 53 van Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012;

3.26.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.27.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Zie rov. 4.17. in het tussenvonnis. Zie rov. 4.20. in het tussenvonnis. Artikel 130 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zie rov. 4.12. in het tussenvonnis. Zie rov. 4.20-4.21 en 5.1. in het tussenvonnis. Zie rov. 4.17. in het tussenvonnis. Zie rov. 2.6. in het tussenvonnis. Artikel 6:83 sub b BW. Explootkosten dagvaarding (€ 98,01) plus kosten Zustellungsurkunde (€ 71,80) Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).