Verbintenissenrecht

Primair: overeenkomst van bewaarneming met betrekking tot contant geld. Artikel 7:600 BW. Niet voldaan aan…

Rechtbank Limburg, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
6 oktober 2026
Zaaknummer
C/03/350142 / HA ZA 26-93
Procedure
Bodemzaak
Advocaat
mr. V.C.C. Luijten, mr. J.M.P. Schobbers-Deinum
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:10645
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Primair: overeenkomst van bewaarneming met betrekking tot contant geld. Artikel 7:600 BW. Niet voldaan aan stelplicht. Artikel 150 Rv. Subsidiaire grondslagen slagen ook niet. Afwijzing vordering.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/03/350142 / HA ZA 26-93

Vonnis van 14 oktober 2026 (bij vervroeging)

in de zaak van

[broer] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [broer] ,

advocaat: mr. V.C.C. Luijten,

tegen

[zus] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [zus] ,

advocaat: mr. J.M.P. Schobbers-Deinum.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 februari 2026 met producties 1 t/m 6,
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 6,

- de mondelinge behandeling van 24 september 2026 en de tijdens de mondelinge

behandeling overgelegde spreekaantekeningen van [broer] en [zus] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[broer] en [zus] zijn broer en zus. Zij zijn de kinderen van mevrouw [moeder] (hierna te noemen: moeder).

2.2.

Moeder heeft bij testament van 9 januari 2023 laatstelijk over haar nalatenschap beschikt. [broer] en [zus] zijn in het testament benoemd tot haar enige erfgenamen.

2.3.

Op 26 januari 2024 heeft moeder [zus] gedagvaard en vervolgens een procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank. Daarin vorderde moeder kort samengevat dat [zus] werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 40.000,-. Ter onderbouwing daarvan voerde moeder aan dat zij in de periode tussen 2004-2006 een geldbedrag van € 40.000,- aan dochter [zus] heeft overhandigd teneinde dit geldbedrag veilig voor haar te bewaren in de kluis van [zus] (hierna aan te duiden als: de eerste procedure). [zus] heeft in de eerste procedure een conclusie van antwoord genomen. Moeder is lopende de procedure, voordat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, op [datum] 2024 overleden. Op 6 augustus 2024 is de eerste procedure op eenstemmig verzoek van partijen doorgehaald (geroyeerd).

2.4.

Bij akte van 2 september 2024, opgemaakt door de griffier van deze rechtbank, heeft [zus] verklaart de nalatenschap van moeder te verwerpen.

2.5.

Bij brief van 7 oktober 2025 heeft [broer] [zus] verzocht om tot betaling over te gaan. [zus] heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[broer] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • [zus] veroordeelt tot betaling van € 40.000,- aan [broer] , vermeerderd met wettelijke rente;

  • [zus] veroordeelt de door [broer] gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 1.175,- te vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente;

  • [zus] veroordeelt tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van deze vordering voert [broer] kort samengevat het volgende aan. [broer] stelt hij als rechtsopvolger onder algemene titel ex artikel 4:182 BW bevoegd is om de vordering die moeder op [zus] had te gelde te maken. Moeder heeft tijdens haar leven een geldbedrag van € 40.000,- aan [zus] in contanten ter hand gesteld, met de uitdrukkelijke afspraak dat [zus] dit bedrag voor moeder in bewaring zou houden en op eerste verzoek aan haar zou teruggeven. In 2023 heeft moeder om teruggave verzocht. [zus] weigerde en weigert om te voldoen aan haar verplichting tot teruggave. Primair voert [broer] aan dat sprake is van een overeenkomst van bewaarneming als bedoeld in artikel 7:600 BW. Subsidiair beroept [broer] zich op zaakwaarneming (artikel 6:198 BW), meer subsidiair op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) en uiterst subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW).

3.3.

[zus] voert verweer. [zus] voert allereerst aan dat [broer] zijn rechten heeft verwerkt om de ingestelde vordering te gelde te maken. Door het eenstemmig doorhalen van de eerste procedure heeft [broer] het vertrouwen gewekt dat hij af zou zien van het instellen van een vordering omtrent hetzelfde feitencomplex. [zus] betwist verder dat moeder een bedrag van € 40.000,- in contanten aan haar ter hand heeft gesteld. [broer] heeft volgens [zus] niet aan zijn stelplicht op dat punt voldaan. De gestelde feiten zijn onvoldoende duidelijk om het ingeroepen rechtsgevolg te kunnen dragen. De periode die [broer] noemt waarin het bedrag aan haar zou zijn afgegeven is zeer ruim en vaag en is bovendien aantoonbaar onjuist. De stellingen van [broer] zijn bovendien niet consistent.

[zus] voert subsidiair aan dat de vordering van [broer] is verjaard (artikel 3:307 lid 1 BW).

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het beroep op rechtsverwerking

4.1.

As eerste moet worden beoordeeld of het beroep van [zus] op rechtsverwerking slaagt. [zus] stelt dat zij door het eenstemmig doorhalen van de eerste procedure erop mocht vertrouwen dat [broer] (als rechtsopvolger van moeder) de oorspronkelijke vordering van moeder niet meer te gelde zou maken.

4.2.

Vast staat dat de eerste procedure is geëindigd middels doorhaling. Doorhaling op zichzelf heeft geen rechtsgevolg. Onder omstandigheden kan doorhaling wel als rechtsgevolg hebben dat de procedure nadien niet meer kan worden hervat en/of dat nadien een nieuwe procedure wordt gestart. Dat is het geval indien partijen dit op die wijze vastleggen in een overeenkomst. In voorkomend geval kan ook met toepassing van de vertrouwensleer (artikel 3:35 BW) uit gedragingen van partijen een overeenkomst worden afgeleid dan wel afstand van recht of rechtsverwerking worden afgeleid. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. Uit de eigen stellingen van [zus] volgt dat in het overleg tussen de raadslieden over de voortgang van de eerste procedure niet expliciet aan de orde is geweest dat [broer] na doorhaling af zou zien van het entameren van een nieuwe procedure. Gelet daarop heeft (het overleg over) de doorhaling naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet ertoe geleid dat [broer] zijn rechten heeft verwerkt. Het enkele feit dat [zus] (en haar raadsvrouwe) daar zelf vanuit ging omdat voor doorhaling in plaats van schorsing van de procedure werd gekozen, is daarvoor onvoldoende.

De primaire grondslag: overeenkomst van bewaarneming

4.3.

De rechtbank komt daarmee toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering van [broer] . [broer] baseert de vordering primair op tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst van bewaarneming. Bewaarneming is de overeenkomst waarbij de ene partij, de bewaarnemer, zich tegenover de andere partij, de bewaargever, verbindt, een zaak die de bewaargever hem toevertrouwt of zal toevertrouwen, te bewaren en terug te geven (artikel 7:600 BW).

4.4.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [broer] , als degene die zich beroept op de rechtsgevolgen van een door hem gesteld feit, de stelplicht en de bewijslast daarvan. De stelplicht houdt in dat de partij die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept, een voldoende feitelijke grondslag moet stellen, waarin alle noodzakelijke feitelijke elementen zijn terug te vinden die rechtstreeks voortvloeien uit de vereisten van een wettelijke bepaling (artikel 149 lid 1, tweede volzin, Rv en artikel 150 Rv). De stelplicht valt samen met een motiveringsplicht: de feiten die worden gesteld moeten gemotiveerd en/of concreet onderbouwd zijn met (bewijs)stukken. Hierbij geldt dat alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid moeten worden aangevoerd (artikel 21 Rv). Het niet voldoen aan de stelplicht heeft tot gevolg dat de vordering of het verzoek in beginsel niet toewijsbaar is, vanwege het ontbreken van een feitelijke grondslag.

4.5.

De rechtbank oordeelt dat [broer] in dit geval niet aan zijn stelplicht zoals hiervoor geschetst heeft voldaan. Zij is als volgt tot dat oordeel gekomen.

4.5.1.

In het kader van de stelplicht moet [broer] in ieder geval stellen en onderbouwen dat zijn moeder als zijn rechtsvoorganger, een bedrag van € 40.000,- in contanten aan [zus] heeft toevertrouwd om dit voor haar te bewaren. In dat kader mag van hem worden verwacht dat hij duidelijk aangeeft wanneer en op welke wijze het bedrag door moeder aan [zus] is verstrekt en dat hij daarbij ook de omstandigheden schetst die tot het verstrekken van het geld hebben geleid.

4.5.2.

[broer] heeft in de dagvaarding gesteld dat de € 40.000,- in contanten, in twee enveloppen van ieder € 20.000,-, in de periode tussen 2004 en 2006 door moeder aan [zus] is verstrekt met doel om dit voor haar te bewaren. Voor wat betreft de omstandigheden waaronder dit zou hebben plaatsgevonden heeft [broer] aangevoerd dat het geld afkomstig was uit de verkoop van de woning van moeder en dat [zus] in haar woning, in tegenstelling tot moeder zelf, beschikte over een veilig opbergmiddel (een kluis). [broer] heeft bij de dagvaarding (als productie 3) een schriftelijke verklaring gevoegd die volgens hem in september 2023 door moeder is opgesteld en ondertekend. Daarin is opgenomen dat moeder medio 2007 aan haar dochter een geldbedrag van € 40.000,-, opgeborgen in twee enveloppen, in bewaring heeft gegeven. Ook staat daarin vermeld dat het geld bij haar “dochter thuis in [plaats] aan haar is overhandigd” in het bijzijn van haar zoon.

4.5.3.

[zus] heeft vervolgens gemotiveerd betwist dat zij voornoemd bedrag in contanten van moeder heeft ontvangen. [zus] heeft daarnaast aangevoerd dat zowel de door [broer] gestelde periode waarin het geld aan haar zou zijn afgegeven als de stelling van [broer] met betrekking tot de herkomst van het geld, aantoonbaar onjuist is. [zus] heeft onder overlegging van een afrekening van de notaris aangevoerd dat: (i) de verkoop van de woning van moeder heeft plaatsgevonden op 28 februari 2003 en (ii) de opbrengst van die verkoop giraal heeft plaatsgevonden op de bankrekening van moeder. De stellingen van [broer] dat het geld afkomstig was uit de verkoop van de woning van moeder en dat het bedrag ergens in de periode tussen 2004 en 2006 aan [zus] zou zijn verstrekt, kan volgens [zus] dan ook niet juist zijn. [zus] voert verder, onder overlegging van een akte van levering, aan dat zij haar woning aan de [straat] in [plaats] pas op 1 mei 2006 heeft aangekocht. Voor zover er al een overdracht van geld zou hebben plaatsgevonden aan [zus] in haar woning aan de [straat] te [plaats] , kan dit volgens haar niet vóór die datum hebben plaatsgevonden.

4.5.4.

[broer] heeft vervolgens eerst pas tijdens de mondelinge behandeling met betrekking tot de herkomst van het geld de stelling ingenomen dat moeder op zijn uitdrukkelijke advies “€ 40.000,00 in contant heeft opgenomen om vermogensbelasting te voorkomen”. [broer] heeft daarmee zijn stelling omtrent de herkomst van het geld gewijzigd ten opzichte van de stelling die is opgenomen in de door hem en overigens ook die door moeder uitgebrachte dagvaarding. Daaruit volgt dat [broer] de voor de beslissing van belang zijnde feiten in de dagvaarding niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd.

4.5.5.

[zus] heeft betwist dat moeder het bedrag in contanten zou hebben opgenomen om de heffing van vermogensbelasting te voorkomen. [broer] heeft de stelling dat moeder het bedrag contant zou hebben opgenomen niet onderbouwd door bijvoorbeeld bankafschriften te overleggen waaruit die opname blijkt. [broer] heeft gesteld dat hij de afschriften bij de bank heeft opgevraagd en dat de bank hem heeft medegedeeld dat hij daarover niet meer beschikt. [broer] heeft ook die stelling evenwel niet onderbouwd door bijvoorbeeld een brief van de bank te overleggen waaruit dit volgt.

4.5.6.

[broer] heeft bovendien vervolgens ook niet duidelijk voor het voetlicht gebracht omstreeks welke periode moeder [zus] dan wél de € 40.000,- in contanten aan [zus] zou hebben verstrekt. Dat had van hem in het licht van de betwisting door [zus] en mede gezien het feit dat hij volgens zijn eigen stellingen zelf bij het verstrekken van het geld aanwezig is geweest, wel verwacht mogen worden. Verwacht had mogen worden dat hij minst genomen globaal zou reconstrueren wanneer één en ander volgens hem heeft plaatsgevonden. De enkele niet onderbouwde stelling dat dit mogelijk medio 2007 is geweest, zoals uit de verklaring van moeder blijkt, is onvoldoende in het licht van de gemotiveerde betwisting door [zus] , temeer nu [zus] betwist dat deze verklaring daadwerkelijk van moeder afkomstig is.

4.5.7.

Hieruit volgt dat [broer] wisselende, onderling niet consistente en onduidelijke stellingen heeft ingenomen met betrekking tot het moment van verstrekken van het geld aan [zus] en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat [broer] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Gezien die conclusie komt de rechtbank niet toe aan nadere bewijslevering, zodat het door [broer] gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd.

4.6.

De vordering voor zover gebaseerd op tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst tot bewaarneming wordt dan ook afgewezen.

De subsidiaire grondslagen

4.7.

[broer] grondt zijn vordering subsidiair op zaakwaarneming (artikel 6:198 BW), meer subsidiair op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) en uiterst subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Al deze grondslagen zijn gestoeld op de stellingname dat moeder een bedrag van € 40.000,- in contanten aan [zus] heeft gegeven. Voor al deze grondslagen geldt dat [broer] moet stellen en onderbouwen dat moeder het bedrag van € 40.000,- in contanten aan [zus] heeft gegeven en de omstandigheden moet stellen waaronder dit heeft plaatsgevonden. De onder r.o. 4.5.7. opgenomen conclusie heeft daarmee ook te gelden voor de door [broer] aangevoerde subsidiaire grondslagen. Dit brengt mee dat de vordering van [broer] wordt afgewezen.

Het beroep op verjaring

4.8.

Gelet op deze conclusie behoeft het beroep dat [zus] subsidiair op verjaring heeft gedaan, geen nadere bespreking meer.

Proceskosten

4.9.

[broer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [zus] worden begroot op:

- griffierecht

€

343,00

- salaris advocaat

€

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

3.112,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [broer] af,

5.2.

veroordeelt [broer] in de proceskosten van € 3.112,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [broer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

type:

onder zaaknummer C/03/327154 randnummer 7 van de dagvaarding productie 5 bij conclusie van antwoord pagina 2 van de spreekaantekeningen van [broer]