Verbintenissenrecht
Eiser na getuigenbewijs en deskundigenbericht niet geslaagd in het bewijs dat hij € 90.000,00 aan gedaagde…
Rechtbank Limburg, 25 maart 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:2531 · Rechtbank Limburg · 25 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rblim-2026-2531
Zaakgegevens
Op 25 maart 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 25 maart 2026
- Datum publicatie
- 17 maart 2026
- Zaaknummer
- 321075
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.M.J.F Sijben te Heerlen, mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:2531
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eiser na getuigenbewijs en deskundigenbericht niet geslaagd in het bewijs dat hij € 90.000,00 aan gedaagde heeft geleend. Het verweer van de vrouw dat de handtekening onder het contract niet van haar is, slaagt op grond van de conclusies van de deskundige dienaangaande.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/321075 / HA ZA 23-353
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. M.M.J.F. Sijben te Heerlen,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen .
1 De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis van de rechtbank van 16 juli 2025,
-
de rapportage van de door de rechtbank benoemde deskundige van 1 december 2025 van Eurofins Forensic Services/TMFI ( [deskundige] ), hierna te noemen ‘de deskundige’,
-
de conclusies na deskundigenbericht van beide partijen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
Onder verwijzing naar het tussenvonnis van de rechtbank van 21 mei 2025 (zie rechtsoverweging 2.4.) is aan voornoemde deskundige kort gezegd de vraag voorgelegd of de handtekening onder het schriftelijk stuk van 25 maart 2022 (productie 4 bij dagvaarding) van [gedaagde partij] is.
De deskundige vermeldt in zijn deskundigenbericht dat hij, rekening houdend met de geest en bedoeling van de in het tussenvonnis van 16 juli 2025 geformuleerde vragen, deze vragen geherformuleerd heeft om een logisch samenhangende en uitgebreide analyse te kunnen geven:
“a. Beoordeling van Auteurschap
Na beoordeling van de betwiste handtekening op document Q (zijnde het schriftelijk stuk van 25 maart 2022 voornoemd, opmerking de rechtbank) met de referentiehandtekeningen van (…) [gedaagde partij] , in hoeverre ondersteunt het bewijs de hypothese dat het origineel van deze handtekening vrijwillig en op natuurlijke wijze door (…) [gedaagde partij] is geschreven (d.w.z. dat het een echte handtekening is)?
b. Beoordeling van de plaatsingsmethode
Is er bewijs dat de betwiste handtekening op Q digitaal of fysiek in het document is ingevoegd door middel van knippen en plakken, scannen of andere mechanische reproductiemethoden?”
De deskundige concludeert in zijn bericht dat zijn bevindingen “in zeer sterke mate”de hypothese ondersteunen dat de originele betwiste handtekening op het document van 25 maart 2022 “geen echte handtekening is die vrijwillig en op natuurlijke wijze door (…) [gedaagde partij] is geplaatst.”
Bovendien, zo concludeert de deskundige verder, ondersteunen zijn bevindingen “in zeer sterke mate” de hypothese dat het origineel van de betwiste handtekening op het document van 25 maart 2022 een “nabootsing is van de echte natuurlijke handtekeningstijl van (…) [gedaagde partij] ,” zulks met name op basis van de referentiehandtekening op de ‘Deed of Settlement’ van 27 januari 2022 (productie 2 bij dagvaarding), waarbij, aldus de deskundige, het nabootsingsmechanisme hoogstwaarschijnlijk een vorm van overtrekken is.
Op grond van de bevindingen van de deskundige, welke bevindingen de rechtbank tot de hare maakt, is [eisende partij] in het licht van het door [gedaagde partij] gevoerde verweer dat zij het document van 25 maart 2022 niet kent en betwist dit ooit te hebben ondertekend, er niet in geslaagd te bewijzen dat de hierop geplaatste handtekening van [gedaagde partij] is. Dat volgens [eisende partij] sprake zou zijn van onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in het deskundigenbericht, onderschrijft de rechtbank niet.
In het licht van al het voorgaande, waaronder hetgeen de rechtbank reeds eerder in haar tussenvonnissen heeft geoordeeld, is [eisende partij] niet geslaagd in het bewijs dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] € 90.000,00 aan [eisende partij] zou betalen. De vorderingen van [eisende partij] zullen daarom worden afgewezen. [eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
1.301,00 |
|
- kosten getuigen |
€ |
0,00 |
|
- kosten deskundigen |
€ |
0,00 |
|
- salaris advocaat |
€ |
5.160,00 |
(4 punten × € 1.290,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
6.880,55 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3 De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
3.2. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 6.880,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3. veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4. verklaart de veroordelingen onder 3.2 en 3.3 van dit uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas en in het openbaar uitgesproken.