Verbintenissenrecht
Inschrijving met betalingsverplichting. Vordering toegewezen. Hoge School, dus een ambtshalve toetsing.
Rechtbank Limburg, 1 april 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:2664 · Rechtbank Limburg · 1 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rblim-2026-2664
Zaakgegevens
Op 1 april 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 1 april 2026
- Datum publicatie
- 19 maart 2026
- Zaaknummer
- 11978575 \ CV EXPL 25-5069
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:2664
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Inschrijving met betalingsverplichting. Vordering toegewezen. Hoge School, dus een ambtshalve toetsing.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11978575 \ CV EXPL 25-5069
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
STICHTING ZUYD HOGESCHOOL,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Zuyd Hogeschool,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde] heeft zich via Studielink ingeschreven voor het volgen van een opleiding.
Hij heeft ervoor gekozen om het verschuldigde collegegeld in tien termijnen te voldoen.
In de periode van 18 november 2024 tot 9 mei 2025 zijn bij zeven facturen een bedrag van € 1.512,54 in rekening gebracht. Deze facturen zijn niet betaald.
3 Het geschil
Zuyd Hogeschool vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.854,25 (€ 1.512,54 aan hoofdsom, € 67,19 aan rente en € 274,52 aan incassokosten), vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen van Zuyd Hogeschool dan wel tot matiging daarvan.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
In deze procedure gaat het om de vraag of [gedaagde] de vorderingen van Zuyd Hogeschool moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Hierna zal dit worden uitgelegd.
[gedaagde] erkent dat er een overeenkomst met een betalingsverplichting is gesloten. Hij voert aan dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden die eruit bestaan dat zijn echtgenote ernstig psychisch ziek werd waardoor hij niet in staat was om de lessen te volgen. [gedaagde] stelt dat hij hierdoor ook niet in staat was om de administratieve uitschrijving te regelen. Verder beroept [gedaagde] zich op de beperkte deelname aan de cursus en verzoekt hij om matiging en beoordeling van de redelijkheid.
Zuyd Hogeschool heeft het verweer van [gedaagde] besproken en zij heeft haar eigen stellingen toegelicht. Met name heeft zij uitgelegd dat het heel eenvoudig is om zich uit te schrijven voor de opleiding. Volgens de Regeling Toelating, Inschrijving en Uitschrijving Zuyd Hogeschool 2024-2025 wordt de uitschrijving beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op het verzoek.
[gedaagde] is bij brief van de griffier van 4 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de conclusie van repliek van Zuyd Hogeschool. [gedaagde] heeft echter niet gereageerd en heeft de mogelijkheid onbenut gelaten om zijn verweer verder toe te lichten en eventueel te onderbouwen. De kantonrechter houdt daarom geen rekening met het verweer van [gedaagde] . Dit houdt in dat de stellingen van Zuyd Hogeschool als niet weersproken vast staan en dat haar vordering wordt toegewezen.
Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat er ook geen aanleiding was om de vordering af te wijzen of te matigen op basis van de redelijkheid en billijkheid. Zoals Zuyd Hogeschool al opmerkt slaagt een beroep daarop alleen als onverkorte toepassing van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld om dit te kunnen beoordelen.
Omdat [gedaagde] met de betaling in verzuim is, is hij wettelijke rente verschuldigd. Het aan rente gevorderde bedrag is niet betwist en wordt toegewezen.
Zuyd Hogeschool vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 274,52 worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zuyd Hogeschool worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
146,14 |
|
|
- griffierecht |
€ |
385,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
434,00 |
(2 punten × € 217,00) |
|
- nakosten |
€ |
108,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.073,64 |
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Zuyd Hogeschool te betalen een bedrag van € 1.579,73, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.512,54, met ingang van 4 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Zuyd Hogeschool te betalen een bedrag van € 274,52 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.073,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.