Verbintenissenrecht
Procedure zorgverzekering over achterstallige maandpremie. Eiseres heeft de vordering erkend.
Rechtbank Limburg, 1 april 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:3014 · Rechtbank Limburg · 1 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rblim-2026-3014
Zaakgegevens
Op 1 april 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 1 april 2026
- Datum publicatie
- 31 maart 2026
- Zaaknummer
- 11994186 \ CV EXPL 25-5519
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:3014
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Procedure zorgverzekering over achterstallige maandpremie. Eiseres heeft de vordering erkend.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11994186 \ CV EXPL 25-5519
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- het mondelinge antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de mondelinge dupliek,
- de akte van [gedaagde] bij e-mail van 24 februari 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde] en CZ hebben een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten (basispakket) op basis waarvan [gedaagde] iedere maand bij vooruitbetaling premie moet betalen.
De premie over maart 2024 ten bedrage van € 145,85 is onbetaald gebleven.
3 Het geschil
CZ vordert – samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 145,85 aan achterstallige premie over maart 2024, vermeerderd met de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Partijen hebben in deze procedure getwist over de vraag of [gedaagde] de verschuldigde premie over maart 2024 heeft voldaan of niet. In de laatste akte heeft [gedaagde] gereageerd en erkend dat de premie over maart 2024 niet is afgeschreven en onbetaald is gebleven. Zij heeft daarbij toegelicht dat met ingang van april 2024 een automatische incasso is ingesteld en dat voorafgaand daaraan naar alle waarschijnlijkheid een administratieve fout is ontstaan. Deze toelichting is voor de kantonrechter te volgen en leidt tot de eindconclusie dat de premie van maart 2024, zij het onbedoeld, onbetaald is gebleven.
Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij geen betalingsherinneringen of aanmaningen heeft ontvangen en dat niet objectief kan worden vastgesteld of en wanneer deze door haar zijn ontvangen omdat een document met een bepaalde datering ook op een later moment zou kunnen worden gegenereerd, overweegt de kantonrechter als volgt.
CZ heeft bij conclusie van repliek meerdere aanmaningen in het geding gebracht, waaruit blijkt dat deze zijn geadresseerd aan het juiste adres van [gedaagde]. De stelling van [gedaagde] dat een document ook op een later moment zou kunnen worden gegenereerd, is niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om aan de juistheid van de aanmaningen te twijfelen. Gelet hierop slaagt het verweer van [gedaagde] niet.
De gevorderde hoofdsom van € 145,85 zal worden toegewezen.
[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat de door CZ in rekening gebrachte incasso- en bijkomende kosten disproportioneel hoog zijn en, gelet op haar afhankelijkheid van een uitkering, voor haar niet draagbaar zijn. De kantonrechter merkt op dat CZ in deze procedure geen buitengerechtelijke incassokosten heeft gevorderd. Verder ziet de kantonrechter ook geen aanleiding om de proceskosten te matigen of te compenseren. De omstandigheid dat [gedaagde] stelt dat zij de kosten financieel moeilijk kan dragen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij weegt mee dat CZ [gedaagde] herhaaldelijk heeft aangemaand op het juiste adres, zodat [gedaagde] met de achterstallige premie bekend had kunnen zijn en betaling van extra kosten had kunnen voorkomen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
145,45 |
|
|
- griffierecht |
€ |
135,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
86,00 |
(2 punten × € 43,00) |
|
- nakosten |
€ |
21,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
387,95 |
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 145,85,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 387,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.