Verbintenissenrecht

Effectenlease. Dexia. Ongeoorloofde advieswerkzaamheden tussenpersoon. Dexia dient schade te vergoeden.

Rechtbank Limburg, 15 april 2026

Zaakgegevens

Op 15 april 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
15 april 2026
Datum publicatie
9 april 2026
Zaaknummer
11903417 CV EXPL 25-3915
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:3330
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Effectenlease. Dexia. Ongeoorloofde advieswerkzaamheden tussenpersoon. Dexia dient schade te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 11903417 \ CV EXPL 25-3915

Vonnis van 15 april 2026

in de zaak van

1 [persoon 1] ,

2. [persoon 2],

beiden wonende te [plaats] ,

eisende partij in conventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,

tegen

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,

gemachtigde: USG Legal Professionals.

Partijen worden hierna [partij 1] (mannelijk enkelvoud) en Dexia genoemd.

1 Kern van de zaak

1.1.

[partij 1] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [partij 1] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [partij 1] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [partij 1] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij 1] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij 1] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 24 september 2025, met een incidenteel verzoek ;

  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie tevens houdende conclusie van antwoord in het incident, met een incidenteel verzoek;

  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie tevens houdende conclusie van antwoord in het incident;

  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;

  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.

2.2.

De bij de laatste conclusie overgelegde producties zullen buiten beschouwing worden gelaten. Het is daarom niet nodig Dexia daarop nog afzonderlijk te laten reageren

2.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

[partij 1] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

I.

[contractnummer]

05-03-2002

AEX Plus Effect

3.2.

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

I.

23-04-2007

€ 14.339,96

3.3.

Volgens opgave van Dexia heeft [partij 1] op grond van de overeenkomst op 26 april 2002 een bedrag van € 21.600,00 aan maandtermijnen bij vooruitbetaling aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [partij 1] geen bedrag aan dividenden ontvangen evenmin fiscaal voordeel genoten. Op 15 januari 2025 heeft Dexia (naar eigen zeggen onverplicht) een bedrag van € 6.571,52 aan [partij 1] uitgekeerd, volgens Dexia € 2.904,02 aan schade en € 3.667,50 aan reeds verschenen rente.

3.4.

De gemachtigde van [partij 1] , Leaseproces, heeft bij brief van 19 maart 2007 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

4. De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak en de verzoeken in het incident

4.1.

[partij 1] vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- in het incident:

 Dexia zal veroordelen het aanvraagformulier aan [partij 1] te verstrekken,

- in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij 1] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,

 voor recht zal verklaren dat [partij 1] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,

 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [partij 1] van al datgene dat [partij 1] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [partij 1] , met rente,

 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.

4.2.

Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- in het incident:

 [partij 1] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [partij 1] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,

- in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [partij 1] verschuldigd is,

 [partij 1] zal veroordelen in de proceskosten.

4.3.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

5. De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en de verzoeken in het incident

algemeen
5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij 1]

5.2.

De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

5.3.

Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. [partij 1] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

verjaring

5.4.

Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij 1] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

nadere toelichting door [partij 1]

5.5.

stelt dat hij de overeenkomst met Dexia is aangegaan op advies van een tussenpersoon. [partij 1] zou zijn hypotheek hebben willen verhogen en omzetten om diverse uitgaven te kunnen financieren. Om een en ander te realiseren heeft [partij 1] zich gewend tot zijn vaste verzekeringsagent, die de verzekeringen en hypotheek van [partij 1] regelde. Toen deze constateerde dat [partij 1] met de gewenste bedragen niet de volledige overwaarde opnam, wees de contactpersoon [partij 1] op de mogelijkheid van een effectenleaseproduct van Dexia, aldus [partij 1]

5.6.

Ter onderbouwing van zijn verhaal verwijst [partij 1] – onder andere – naar de nota van afrekening van de notaris die destijds de verhoging/omzetting van de hypotheek heeft geregeld. Uit die afrekening blijkt dat de akte is gepasseerd op 2 mei 2002. De eerste betaling aan Dexia heeft plaatsgevonden op 26 april 2002. Dit zou betekenen dat de vooruitbetaling van de overeenkomst niet voldaan kan zijn middels de hypothecaire financiering, zoals [partij 1] stelt. Ter aanvulling (als reactie op hetgeen Dexia te dien aanzien aanvoert) voert [partij 1] onder randnummer 33. van de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie aan

“Wat daar verder ook van zij, het bedrag uit de overwaarde is daadwekelijk opgenomen en in die zin aangewend voor de financiering van het AEX Plus Effect”.

5.7.

De kantonrechter wenst een nadere toelichting door [partij 1] op dit punt. Wat bedoelt [partij 1] bijvoorbeeld te stellen met “in die zin”? De zaak zal worden verwezen naar de rol van 6 mei 2026 voor akte aan de zijde van [partij 1] Na ontvangst van de nadere akte zijdens [partij 1] , zal Dexia de gelegenheid worden geboden om bij antwoordakte te reageren op de akte van [partij 1]

5.8.

Bij het voorgaande wordt opgemerkt dat partijen enkel en alleen op dit punt dienen te reageren en/of hun stellingen dienen te verduidelijken. Al hetgeen eventueel nog verder wordt aangevoerd, zal buiten beschouwing worden gelaten.

5.9.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

6.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 13 mei 2026 voor het nemen van een akte door [partij 1] over wat is vermeld onder rov. 5.6. en 5.7., waarna de wederpartij op de rol van vier weken weken daarna een antwoordakte kan nemen,

6.2.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

6.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.