Verbintenissenrecht
Non dupliek. vordering tot nakoming overeenkomst o.s.v. dwangsom toegewezen.
Rechtbank Limburg, 29 juli 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:7153 · Rechtbank Limburg · 29 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rblim-2026-7153
Zaakgegevens
Op 29 juli 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 juli 2026
- Zaaknummer
- 12030361 \ CV EXPL 25-6006
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:7153
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Non dupliek. vordering tot nakoming overeenkomst o.s.v. dwangsom toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12030361 \ CV EXPL 25-6006
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. S. van Gansewinkel (DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.),
tegen
[gedaagde partij] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eisende partij] heeft op 26 september 2024 een overeenkomst van opdracht gesloten met [gedaagde partij] . Op grond van deze overeenkomst zou [gedaagde partij] de GMC-bus van [eisende partij] “recht” maken. Daarnaast zou zij aan die bus opvul-, herstel- en spuitwerkzaamheden uitvoeren. [eisende partij] zou voor deze werkzaamheden € 5.000,00 betalen aan [gedaagde partij] . [eisende partij] en [gedaagde partij] zijn verder overeengekomen dat de werkzaamheden eind oktober 2024 afgerond dienden te zijn.
[eisende partij] heeft dezelfde dag - 26 september 2024 - aan [gedaagde partij] een aanbetaling gedaan van € 2.500,00.
[gedaagde partij] heeft de overeengekomen werkzaamheden aan de bus niet voltooid op het afgesproken tijdstip: eind oktober 2024.
[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben daarna regelmatig contact gehad waarbij zij afspraken hebben gemaakt over de dag waarop de werkzaamheden alsnog voltooid zouden zijn. [gedaagde partij] is al die afspraken niet nagekomen. [gedaagde partij] heeft namelijk aanvankelijk beloofd dat de bus op 21 maart 2025 gereed zou zijn. De bus was op die datum echter niet voltooid. Ook op de daarna door [gedaagde partij] beloofde data (28 maart 2025 en 8 april 2025) waren de overeengekomen werkzaamheden aan de bus niet voltooid.
[eisende partij] heeft [gedaagde partij] vervolgens bij brief van 8 april 2025 in gebreke gesteld en haar gesommeerd de werkzaamheden aan de bus op uiterlijk 16 april 2025 gereed te hebben.
[gedaagde partij] heeft niet op de ingebrekestelling gereageerd en de werkzaamheden aan de bus heeft zij niet voltooid op 16 april 2025.
De gemachtigde van [eisende partij] heeft daarna [gedaagde partij] diverse keren de mogelijkheid geboden de werkzaamheden aan de bus te voltooien, voor het laatst bij brief van 6 oktober 2025. In die brief is [gedaagde partij] gesommeerd de werkzaamheden te voltooien vóór
1 november 2025. Ook aan die sommatie heeft [gedaagde partij] niet voldaan.
3 Het geschil
[eisende partij] vordert [gedaagde partij] te veroordelen om:
-
uiterlijk binnen twee weken na het in deze zaak te wijzen vonnis over te gaan tot nakoming van de overeenkomst: het recht maken van de bus, het uitvoeren van opvul- en herstelwerkzaamheden alsmede het uitvoeren van spuitwerkzaamheden aan de bus en het opleveren van de bus aan [eisende partij] , op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagde partij] na betekening van het vonnis in gebreke blijft om aan het voorgaande te voldoen, tot een maximum van € 16.000,00;
-
de proceskosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[gedaagde partij] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Niet in geschil is dat [eisende partij] met [gedaagde partij] is overeengekomen dat zij de bus recht zou maken en dat zij opvul- en herstel- en spuitwerkzaamheden aan de bus zou uitvoeren.
[gedaagde partij] voert in haar antwoord aan dat zij het dak niet wil insnijden en geen verhoging wil plaatsen omdat dit voor haar een te groot risico is.
In reactie hierop heeft [eisende partij] bij repliek aangevoerd dat het insnijden van het dak en het vervolgens plaatsen van een verhoging op het dak, onderdeel uitmaakt van de werkzaamheden die [gedaagde partij] op basis van de overeenkomst dient uit te voeren. De kantonrechter gaat ervan uit dat deze stelling van [eisende partij] juist is aangezien [gedaagde partij] die stelling niet betwist heeft. [gedaagde partij] dient dus ook die werkzaamheden aan de bus te verrichten. Bovendien is onduidelijk gebleven waarom sprake zou zijn van het door [gedaagde partij] gestelde te grote risico bij deze werkzaamheden. [eisende partij] heeft daar bij repliek terecht op gewezen. [gedaagde partij] heeft vervolgens in deze procedure nog de kans gekregen om dit verder uit te leggen, maar die kans heeft zij voorbij laten gaan. Zij heeft immers niet meer gereageerd op de repliek van [eisende partij] . Dat sprake is van een te groot risico bij deze specifieke werkzaamheden aan het dak, is dus niet gebleken.
Op grond van de overeenkomst met [eisende partij] is [gedaagde partij] verplicht de gevorderde werkzaamheden te verrichten. Zij is reeds lange tijd in verzuim met het voltooien van deze werkzaamheden. Zij zal dan ook worden veroordeeld om die werkzaamheden alsnog te verrichten en de bus op te leveren, een en ander binnen de door [eisende partij] gevorderde termijn van twee weken na vandaag.
Tegen de door [eisende partij] gevorderde dwangsom heeft [gedaagde partij] geen verweer gevoerd. De dwangsom zal eveneens toegewezen worden
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
149,71 |
|
|
- griffierecht |
€ |
93,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
576,00 |
(2 punten × € 288,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
962,71 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen twee weken na vandaag de bus “recht” te maken, de opvul-, herstel- en spuitwerkzaamheden uit te voeren en de bus op te leveren aan [eisende partij] ,
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij na betekening van dit vonnis niet aan de veroordeling onder 5.1. voldoet, tot een maximum van € 16.000,00 is bereikt,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 962,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.