Verbintenissenrecht
Vorderingen afgewezen. Betalingsverplichting gedaagde is niet komen vast te staan omdat eiser onvoldoende…
Rechtbank Limburg, 16 september 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:9489 · Rechtbank Limburg · 16 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rblim-2026-9489
Zaakgegevens
Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Datum publicatie
- 7 september 2026
- Zaaknummer
- 12180060 \ CV EXPL 26-1960
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:9489
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vorderingen afgewezen. Betalingsverplichting gedaagde is niet komen vast te staan omdat eiser onvoldoende onderbouwd heeft gesteld wat partijen hebben afgesproken.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12180060 \ CV EXPL 26-1960
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] , gemeente Súdwest-Fryslân,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2] , gemeente Eijsden-Margraten,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 27 maart 2026 met producties 1 tot en met 5;
- de brief van [gedaagde] met producties 1 en 2, die bij de rechtbank is binnengekomen op 15 april 2026 en die wordt aangemerkt als conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek met producties 6 tot en met 9;
- de brief van [gedaagde] die bij de rechtbank is binnengekomen op 13 juli 2026 en die wordt aangemerkt als conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eiseres] aan [gedaagde] een auto-onderdeel heeft geleverd tegen betaling van € 100,00 inclusief btw en verzendkosten. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiseres] van toepassing.
Op 23 augustus 2025 heeft [gedaagde] de factuur met [factuurnummer 1] ten bedrage van € 100,00 betaald.
3 Het geschil
[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 128,81, vermeerderd met handelsrente over € 85,00 en kosten. Het bedrag van € 128,81 bestaat uit € 85,00 aan hoofdsom, € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 3,81 aan rente.
[eiseres] legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat op 27 augustus 2025 tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan zij aan [gedaagde] een auto-onderdeel heeft verkocht en geleverd. [eiseres] heeft conform de overeenkomst geleverd waarna zij de factuur met [factuurnummer 2] aan [gedaagde] heeft verzonden. De factuur is tot op heden niet betaald zodat [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen. [eiseres] zal worden veroordeeld in de proceskosten. Daartoe wordt als volgt overwogen.
[eiseres] roept het rechtsgevolg in van de afspraken die partijen zouden hebben gemaakt, namelijk dat [gedaagde] de op hem rustende betalingsverplichting moet nakomen. Dit betekent dat het op de weg van [eiseres] ligt om voldoende onderbouwd feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan blijken dat partijen dat [gedaagde] een tweede onderdeel geleverd zou krijgen ofwel tegen betaling van € 85,00 ofwel dat [gedaagde] het oorspronkelijk geleverde onderdeel zou terugsturen waarna € 85,00 door [eiseres] wordt gecrediteerd, en dat heeft zij niet gedaan. [gedaagde] heeft namelijk voldoende gemotiveerd betwist dat partijen dat hebben afgesproken en [eiseres] heeft geen onderbouwing verstrekt waar dat uit kan blijken, zoals bijvoorbeeld een schriftelijke melding van [gedaagde] die op grond van artikel 9.3 van haar algemene voorwaarden nodig is bij verkeerd geleverde producten. Wel heeft [eiseres] het DHL-retouretiket overgelegd die zij aan [gedaagde] zou hebben gestuurd, maar daaruit kunnen de gestelde afspraken niet worden afgeleid. Omdat [eiseres] haar vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd, wordt geen bewijsopdracht gegeven.
Uit rov. 4.2 volgt dat niet is komen vast te staan dat op [gedaagde] een betalingsverplichting rust voor het vervangende onderdeel dat zou zijn geleverd. Dit betekent dat de door [eiseres] gevorderde hoofdsom zal worden afgewezen. Ook zullen de daarmee samenhangende buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente worden afgewezen.
Dat [gedaagde] volgens [eiseres] buiten rechte heeft beweerd het onderdeel via PostNL retour te hebben gestuurd, maakt geen verschil. In rechte heeft [gedaagde] deze stelling namelijk niet ingenomen waardoor de kantonrechter dit niet in de beoordeling kan betrekken.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op nihil.