Strafrecht overig
Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden ter zake van het…
Rechtbank Limburg, 18 oktober 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:10205 · Rechtbank Limburg · 18 oktober 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rblim-2017-10205
Zaakgegevens
Op 18 oktober 2017 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 18 oktober 2017
- Datum publicatie
- 23 oktober 2017
- Zaaknummer
- 03/866401-14 OWV
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2017:10205
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden ter zake van het meermalen plegen van verduistering gepleegd in de uitoefening van zijn beroep (financieel adviseur) en ter zake van het witwassen van geld. Verdachte bekent de verduisteringen gedeeltelijk.
Uitspraak
RECHTbANK Limburg
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03/866401-14 OWV
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 18 oktober 2017 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen:
[naam verdachte 3] ,
geboren te [geboortegegevens verdachte] ,
wonende te [adresgegevens verdachte] ,
hierna te noemen: [naam verdachte 2] .
[naam verdachte 2] wordt bijgestaan door mr. L. Bien, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 oktober 2017. [naam verdachte 2] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/866401-14. Op 18 oktober 2017 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.
2 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [naam verdachte 2] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 413.480,--. Onder verwijzing naar voornoemde strafzaak heeft de officier van justitie gesteld dat [naam verdachte 2] dit bedrag heeft witgewassen. Gelet hierop heeft [naam verdachte 2] volgens de officier van justitie ook voordeel genoten ten bedrage van € 413.480,-- .
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat [naam verdachte 2] het bedrag van € 413.480,-- heeft witgewassen. Gelet hierop dient de onderhavige vordering te worden afgewezen.
3 Het oordeel van de rechtbank
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [naam verdachte 2] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [naam verdachte 2] zijn begaan.
Bij vonnis van heden heeft de rechtbank bewezen geacht dat [naam verdachte 2] een bedrag van
€ 86.417, 43 heeft witgewassen. Aan dat oordeel heeft de rechtbank onder meer ten grondslag gelegd dat dit bedrag niet is te herleiden uit de administratie van de vennootschap of de eenmanszaak van [naam verdachte 2] en dat [naam verdachte 2] van het geldbedrag geen aangifte heeft gedaan bij de belastingdienst. [naam verdachte 2] heeft dit geldbedrag aangewend in het economisch verkeer. Uit het procesdossier blijkt immers dat hij op 3 mei 2012 en op 11 mei 2012 grote geldbedragen heeft overgeboekt naar een buitenlandse bankrekening van “ [naam bedrijf 1] ”, een Chinees bedrijf dat gespecialiseerd is in de vervaardiging en verkoop van chemicaliën. Ter terechtzitting heeft [naam verdachte 2] verklaard dat hij chemische stoffen heeft besteld voor derden in verband met zijn groothandelbedrijf “ [naam bedrijf 2] ”. [naam verdachte 2] heeft ervoor gekozen het voor de fiscus verzwegen geld aan te wenden in het economisch verkeer. Het volledige bedrag van € 86.417, 43 komt derhalve voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking. De ontnemingswetgeving is er immers op gericht de integriteit van het financiële en economische verkeer te beschermen door te bestrijden dat opbrengsten van misdrijven aan het oog van justitie worden onttrokken en de bedreiging van de openbare orde aldus een halt toe te roepen. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:693).
4 Het wettelijke voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5 De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
€ 86.417, 43;
- legt [naam verdachte 2] de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 86.417, 43.
Deze uitspraak is gegeven door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en
mr. J.M.G. Gunsing , rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Wenders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2017.
Buiten staat
Mr. J.M.G. Gunsing is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.