Bestuursrecht overig

Vovo; Wmo; geen spoedeisend belang; verzoek afgewezen.

Rechtbank Midden-Nederland, 10 april 2015

Zaakgegevens

Op 10 april 2015 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
10 april 2015
Datum publicatie
13 april 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1661
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2015:2506
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo; Wmo; geen spoedeisend belang; verzoek afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/1661

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2015 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: [A] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend van maximaal € 180,- per vier weken op basis van 3 uur per week van 1 januari 2015 tot en met 22 maart 2015. Voorts heeft verweerder verzoekster vanaf 23 maart 2015 tot en met 22 september 2017 een pgb toegekend van maximaal € 1170,- per jaar op basis van 78 uur per jaar (1,5 uur per week).

Bij besluit van 20 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 26 maart 2015 heeft de rechtbank verzoekster verzocht om door middel van overlegging van recente bewijsstukken met betrekking tot haar financiële situatie het spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorlopige voorziening nader te onderbouwen. Bij brief van 1 april 2015 heeft verzoekster op die brief gereageerd.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond.

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. In een geschil als het onderhavige, dient de voorzieningenrechter daarbij de vraag te beantwoorden of uitblijven van de gevraagde voorziening in dit geval leidt tot het ontstaan van een zodanige ernstige situatie dat het niet mogelijk is om de behandeling van de beroepsprocedure af te wachten. Bij de beoordeling van het spoedeisend belang wordt rekening gehouden met verzoeksters financiële situatie, in die zin dat relevant is in hoeverre zij de kosten voor de benodigde (aanvullende) zorg tijdelijk op zich kan nemen.

3. Verzoekster heeft hierover in haar brief van 1 april 2015 aangevoerd dat zij niet in staat kan worden geacht om enige huishoudelijke hulp tijdelijk uit inkomen of uit eigen middelen voor te schieten – ook niet voor een korte periode – en zij daarmee een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorlopige voorziening.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de door verzoekster bij haar brief van

1 april 2015 overgelegde inkomens- en vermogensgegevens niet kan worden afgeleid dat in haar geval sprake is van een acute noodsituatie die tot het treffen van een voorlopige voorziening noopt. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag .

5. Uit het bestreden besluit blijkt dat verzoekster tot 22 maart 2015 een pgb is toegekend van maximaal € 180,- per vier weken op basis van 3 uur per week. Dit houdt een jaarbedrag in van € 2.340,- (52 weken : 4 weken = 13 weken. € 180,- x 13 = € 2.340,-) en een maandbedrag van € 195,- (€ 2.340,- : 12 maanden = € 195,-). Vanaf 23 maart 2015 is het pgb verlaagd naar maximaal € 1.170,- per jaar op basis van 78 uur per jaar (1,5 uur per week). Dit houdt een maandbedrag in van € 97,50 (€ 1.170,- : 12 maanden = € 97,50). Dit betekent dat verzoekster vanaf 23 maart 2015 per maand € 97,50 minder aan pgb ontvangt

(€ 195,00 - € 97,50 = € 97,50).

6. Gelet op de door verzoekster overgelegde inkomens- en vermogensgegevens, waaruit onder meer blijkt dat het vermogen ten minste € 2.166,54 bedraagt, valt niet in te zien waarom verzoekster de kosten waarvoor zij geen pgb meer ontvangt, te weten € 97,50 per maand, vooralsnog niet zelf kan dragen tot over het beroep is geoordeeld. De voorzieningenrechter neemt daarom aan dat in dit geval het spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb ontbreekt. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Falkmann, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Jak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.