Bestuursrecht overig

Proceskosten in bezwaar (art. 7:15 lid 2 Awb); het primaire besluit is herroepen wegens aan verweerder te…

Rechtbank Midden-Nederland, 13 mei 2015

Zaakgegevens

Op 13 mei 2015 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Amersfoort
Datum uitspraak
13 mei 2015
Datum publicatie
13 mei 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6994
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2015:3316
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskosten in bezwaar (art. 7:15 lid 2 Awb); het primaire besluit is herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid; beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Amersfoort

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/6994

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. S. Çakici-Reinders),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C.G. Hoebergen).

Procesverloop

Bij brief van 18 juni 2014 heeft eiseres verweerder verzocht om aan haar en haar dochter [A] opvang te verlenen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en om haar een uitkering te verstrekken op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) naar de norm van een alleenstaande ouder.

Bij brief van 24 juni 2014 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld omdat de beslistermijn op 23 juni 2014 om 17.00 uur was verstreken.

Eveneens op 24 juni 2014 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.

Eiseres heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 4 juli 2014 (zaaknummer: UTR 14/3765) afgewezen.

Eiseres heeft de voorzieningenrechter op 7 juli 2014 wederom verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 18 juli 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en onder toepassing van

artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet tijdig beslissen

niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 21 juli 2014 heeft eiseres de voorzieningenrechter nogmaals verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 22 juli 2014 (zaaknummer: UTR 14/4342) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Op 22 juli 2014 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Eveneens op 22 juli 2014 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 14/4338.

Bij besluit van 23 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om opvang op grond van de Wmo afgewezen.

Bij besluit van 17 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit herroepen en de aanvraag van eiseres om opvang alsnog toegewezen. Verweerder heeft het verzoek van eiseres tot vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken in de bezwaarprocedure afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Eiseres heeft het op 22 juli 2014 ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen (zaaknummer UTR 14/4338) ter zitting ingetrokken.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen e-mails te overleggen met daarin informatie over de dagen waarop eiseres en haar dochter opvang hebben genoten en met welke reden deze opvang is geboden. Verweerder heeft deze e-mails bij brief van 12 januari 2015 overgelegd. In deze brief heeft verweerder tevens een overzicht gegeven van de genoten opvang vanaf 21 juli 2014. Eiseres heeft hierop bij brief van 14 januari 2015 gereageerd. Nadat partijen de rechtbank toestemming hebben gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat haar belang bij haar beroep enkel gelegen is in het verkrijgen van een vergoeding van de proceskosten die zij in bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarnaast heeft eiseres verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade.

2. Verweerder heeft het verzoek van eiseres tot vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken in de bezwaarprocedure afgewezen op de grond dat geen sprake is van aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.

3. Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing.

4. Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

5. Gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het primaire besluit is herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank beantwoordt die vraag positief. Aan dat oordeel ligt het volgende ten grondslag.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen en is eiseres alsnog opvang verleend met het oog op de belangen van het minderjarige kind.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn brief van 12 januari 2015 heeft toegelicht dat hij, vanwege de dreiging dat eiseres met haar dochter opnieuw op straat zou gaan slapen, in het belang van de dochter van eiseres, aan eiseres van 21 juli 2014 tot 24 juli 2014 noodopvang heeft geboden bij de crisisopvang in de regio. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de dreiging dat eiseres met haar dochter op straat zou gaan slapen, wat voor verweerder de aanleiding vormde om met het oog op het belang van de dochter bij het bestreden besluit alsnog opvang te verlenen, zich niet pas na de datum van het primaire besluit van 23 juli 2014 heeft voorgedaan. Dit betekent dat het primaire besluit, anders dan verweerder stelt, niet is herroepen vanwege een verandering van feiten of omstandigheden. De nadere toelichting die verweerder heeft gegeven in zijn brief van 12 januari 2015 biedt geen aanknopingspunten om daar anders over te oordelen. Naar het oordeel van de rechtbank berust verweerders herroeping van het primaire besluit op een andere waardering van de feiten en omstandigheden zoals die zich op het moment van het primaire besluit reeds voordeden. Hieruit volgt dat het primaire besluit onrechtmatig is, welke onrechtmatigheid aan verweerder is te wijten. Verweerder heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding op grond van artikel 17, tweede lid, van de Awb, dan ook ten onrechte afgewezen.

8. Het verzoek van eiseres om vergoeding van immateriële schade, omdat zij door de situatie in een psychose is gekomen en veel stress heeft ondervonden, wordt afgewezen. Aan dat oordeel ligt ten grondslag dat eiseres dit verzoek niet heeft onderbouwd met medisch objectiveerbare stukken. Daardoor is niet duidelijk welk eventueel ziektebeeld is ontwikkeld, waaruit de schade van eiseres bestaat en hoe deze heeft kunnen ontstaan.

9. Het verzoek van eiseres om vergoeding van materiële schade wordt eveneens afgewezen, nu eiseres eventuele gemaakte kosten heeft aangevoerd noch onderbouwd.

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij niet de proceskosten in bezwaar aan eiseres heeft vergoed.

11. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat verweerder alsnog de in bezwaar gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand dient te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van

€ 490,- en een wegingsfactor 1).

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

13. Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres gemaakt in de beroepsfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-

(1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op de

proceskostenvergoeding in bezwaar;

- bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiseres in de bezwaarfase dient te vergoeden

ten bedrage van € 980,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de beslissing op bezwaar voor zover

vernietigd;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de kosten van dit geding ten bedrage van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Jak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.