Bestuursrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland, 28 april 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:1532 · Rechtbank Midden-Nederland · 28 april 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2020-1532
Zaakgegevens
Op 28 april 2020 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 28 april 2020
- Datum publicatie
- 17 april 2020
- Zaaknummer
- 19/5437
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2020:1532
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vergoeding proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/5437
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2020 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Lagas),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Zeist, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft op 8 januari 2020 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op 6 november 2020 een besluit genomen. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 8 januari 2020 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op het besluit van 6 november 2019 en dat hij dit besluit intrekt. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster voor door een derde verleende rechtsbijstand op grond van het Bpb vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Het is niet gebleken dat verzoekster andere proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
5. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41, zevende lid van de Awb). Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor dus tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 525,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van L.J.N. van der Linden, griffier, op 28 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
de griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.