Bestuursrecht overig
Proceskostenveroordeling, afwijzing verzoek.
Rechtbank Midden-Nederland, 19 juni 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:2572 · Rechtbank Midden-Nederland · 19 juni 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2020-2572
Zaakgegevens
Op 19 juni 2020 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 19 juni 2020
- Datum publicatie
- 3 juli 2020
- Zaaknummer
- UTR 20/682
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2020:2572
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proceskostenveroordeling, afwijzing verzoek.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/682
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2020 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,
en
de Belastingdienst / Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft op 14 april 2020 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op 23 december 2019 een besluit genomen. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 25 maart 2020 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op het besluit van 23 december 2019 en dat hij dit besluit intrekt. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Alleen de kosten die gemaakt zijn door een professionele (juridische) hulpverlener kunnen worden vergoed. Door verzoekster is niet aannemelijk gemaakt dat verzoekster een advocaat of een beroepsmatig rechtsbijstandverlener heeft aan wie zij een vergoeding verschuldigd is voor hulp in deze procedure. De rechtbank stelt vast dat geen van de proceshandelingen in beroep is verricht door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat verzoekster in beroep proceskosten heeft gemaakt die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.
4. Verweerder moet wel het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41 van de Awb).
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2020 door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.