Bestuursrecht overig

Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig

Rechtbank Midden-Nederland, 27 juli 2021

Zaakgegevens

Op 27 juli 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
27 juli 2021
Datum publicatie
24 augustus 2021
Zaaknummer
UTR 19/1656, UTR 19/2183, UTR 19/3500 en UTR 19/35
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2021:4034
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

8:54; proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/1656, UTR 19/2183, UTR 19/3500 en UTR 19/3502

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.

Verweerder heeft op 28 juni 2021 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 17 december 2018, 18 december 2018 en 7 augustus 2019 besluiten genomen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 17 december 2020 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op de besluiten van 17 december 2018, 18 december 2018 en 7 augustus 2019 en dat hij deze besluiten intrekt. Verweerder heeft op 2 december 2020 een nieuw verzamelbesluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna de beroepen ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.

2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).

3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoeker te betalen.

4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 2992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift per zaak, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

5. Verweerder moet ook het griffierecht van in totaal € 696,- aan verzoeker betalen (artikel 8:41 van de Awb).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 2992,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van

J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 27 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd om

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.