Bestuursrecht overig

Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig

Rechtbank Midden-Nederland, 18 januari 2021

Zaakgegevens

Op 18 januari 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
18 januari 2021
Datum publicatie
9 februari 2021
Zaaknummer
UTR 20/4283
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2021:463
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20 / 4283

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2021 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers,

(gemachtigde: mr. M.A. de Boer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere , verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekers om vergoeding van de proceskosten.

Verweerder heeft op 5 januari 2021 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 20 oktober 2020 een besluit genomen. Verzoekers zijn hiertegen in beroep gegaan, omdat verweerder bij dit besluit geen beslissing heeft genomen over de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij niet tijdig beslissen en dit nadien ook niet alsnog gedaan heeft. Op 18 december 2020 heeft verweerder hier alsnog een besluit over genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekers wilden. Verzoekers hebben daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor de proceskosten.

2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).

3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekers en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekers te betalen.

4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekers die verweerder moet betalen vast op
€ 267,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534,-en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak alleen gaat over de vaststelling van de dwangsom wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5).

5. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekers betalen (artikel 8:41 van de Awb).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 267,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van

K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 18 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.