Bestuursrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland, 25 januari 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:470 · Rechtbank Midden-Nederland · 25 januari 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2021-470
Zaakgegevens
Op 25 januari 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 25 januari 2021
- Datum publicatie
- 9 februari 2021
- Zaaknummer
- UTR 18/3080
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2021:470
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
verzoek PKV no
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/3080
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2021 in de zaak tussen
ASR Schadeverzekering N.V., te Utrecht, verzoekster,
(gemachtigde: mr. G. van Zon),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op 18 juli 2018 een besluit genomen. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Verzoekster heeft het beroep op 30 december 2019 ingetrokken en de rechtbank heeft de intrekking op 20 januari 2020 bevestigd aan partijen. Verzoekster heeft vervolgens op 7 december 2020 een brief naar de rechtbank gestuurd met het verzoek om een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder heeft namelijk op 24 november 2020 alsnog een IVA uitkering toegekend.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Een verzoek om vergoeding van de proceskosten moet gelijk worden gedaan met de intrekking van het beroep. Indien er niet aan dit vereiste wordt voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard (8:75a, lid 1, van de Awb). Het verzoek is binnengekomen na de intrekking van het beroep. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van de Awb).
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 25 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.