Bestuursrecht overig
8:54 verzet ongegrond. Verzoek om stukken openbaar te maken die al openbaar zijn is geen Wob-verzoek…
Rechtbank Midden-Nederland, 19 oktober 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:6351 · Rechtbank Midden-Nederland · 19 oktober 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2021-6351
Zaakgegevens
Op 19 oktober 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 19 oktober 2021
- Datum publicatie
- 3 januari 2022
- Zaaknummer
- 20/3856-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6351
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
8:54 verzet ongegrond. Verzoek om stukken openbaar te maken die al openbaar zijn is geen Wob-verzoek waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20 / 3856-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2021 op het verzet van
[opposant] , te [woonplaats] , opposant.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het uitblijven van een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort. Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en verzocht om een veroordeling in de proceskosten.
In de uitspraak van 3 juni 2021 heeft de rechtbank het verzoek om een proceskostenveroordeling afgewezen.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 3 juni 2021 het verzoek om een proceskostenveroordeling afgewezen. Opposant heeft een Wob-verzoek ingediend voor het openbaar maken van een raadsbesluit. Dit besluit was al openbaar en daarom is de Wob niet van toepassing en is er nooit niet tijdig beslist. Dit betekende dat het beroep van opposant nooit ontvankelijk is geweest en daarom zag de rechtbank geen aanleiding om tot een proceskosten veroordeling over te gaan. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2021 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2021 niet juist. De uitspraak waarnaar de rechtbank verwijst ziet niet op dezelfde situatie als in het onderhavige geval speelt. Opposant stelt dat het college heeft nagelaten hem mede te delen dat de stukken openbaar waren. Hierdoor heeft hij een ingebrekestelling verstuurd en is hij in beroep gegaan bij de rechtbank. Daarnaast verzoekt opposant alsnog een vergoeding van de proceskosten.
4. De rechtbank is het niet eens met opposant. Zoals in de uitspraak staat vermeldt is een reactie op een verzoek om stukken openbaar te maken die al openbaarzijn geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit komt omdat deze reactie niet is gericht op een rechtsgevolg. Een ingebrekestestelling kan alleen worden ingediend indien er een besluit niet tijdig wordt gegeven. Aangezien de reactie op het verzoek van opposant geen besluit is, is de ingebrekestelling ongeldig. Hierdoor kon er ook geen beroep ingesteld worden voor het uitblijven van een besluit bij de rechtbank. Zoals de rechtbank heeft aangegeven in haar uitspraak van 3 juni 2021 had het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als opposant het beroep had gehandhaafd. Als dit het geval is dan krijgt opposant geen proceskostenvergoeding.
5. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
3 juni 2021 in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier. De beslissing is uitgesproken op 19 oktober 2021 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: