Bestuursrecht overig
verzet; ongegrond; rekening en risico van vwr dat ze niet hebben laten weten dat er al bob lag
Rechtbank Midden-Nederland, 3 augustus 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:6972 · Rechtbank Midden-Nederland · 3 augustus 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2021-6972
Zaakgegevens
Op 3 augustus 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2021
- Datum publicatie
- 15 september 2025
- Zaaknummer
- UTR 20/2684
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6972
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
verzet; ongegrond; rekening en risico van vwr dat ze niet hebben laten weten dat er al bob lag
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2684-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2021 op het verzet van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente], opposante.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat [persoon] te [plaats] heeft ingediend omdat opposante niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag.
In de uitspraak van 9 december 2020 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 december 2020 het beroep gegrond verklaard. Omdat opposante nog geen (nieuw) besluit heeft genomen heeft de rechtbank bepaalt dat zij dit alsnog moet doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak van
9 december 2020. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 9 december 2020 niet juist omdat zij reeds op 6 november 2020 de gevraagde stukken aan de heer [persoon] hebben gemaild. Aan de in de uitspraak gegeven opdracht is dus reeds voldaan op 6 november 2020. Door de drukte heeft opposante de rechtbank hiervan niet op de hoogte gesteld. Opposante is het wel eens met het feit dat zij niet tijdig een besluit op het verzoek hebben genomen en dat zij het griffierecht aan de heer [persoon] betalen.
4. Op 8 juli 2021 heeft de heer [persoon] via Zivver gereageerd op het verzetschrift van opposante. Hij stelt dat opposante vanaf het eerste moment informatievoorziening op basis van de WOB heeft getraineerd en gesaboteerd door zich niet te houden aan de wettelijke termijnen, niet te reageren op een aantal herinneringen en zich consequent niet te houden aan eerder gemaakte afspraken of toezeggingen. Formeel zou de gemeente gelijk kunnen hebben dat de beslissing en de gevraagde informatie heeft plaatsgevonden vóór de uitspraak van 9 december 2020, maar het geeft tegelijkertijd een vrijbrief af voor iedere overheidsinstelling om zich niets aan te trekken van de gestelde wettelijke termijnen. Op deze manier heeft de klager geen enkele sanctiemogelijkheid tegen de vertragende acties van overheidsinstanties.
5. De rechtbank was ten tijde van de uitspraak van 9 december 2020 niet op de hoogte van de genomen beslissing op bezwaar van 12 november 2020 en de verzonden gevraagde stukken van 6 november 2020. Het komt voor rekening en risico van opposante dat zij de rechtbank hiervan niet (tijdig) op de hoogte hebben gesteld. De rechtbank heeft de uitspraak van 9 december 2020 gebaseerd op de aanwezige stukken en informatie. Nu beide partijen de rechtbank hiervan niet op de hoogte hebben gesteld, heeft de rechtbank in haar uitspraak van 9 december 2020 terecht opposante opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit bekend te maken en dat opposante aan de heer [persoon] een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de genoemde termijn wordt overschreden met een maximum van € 15.000,-.
6. Dat opposante na het instellen van haar verzet kenbaar heeft gemaakt dat de beslissing op bezwaar en de gevraagde stukken al reeds in het bezit waren van de heer [persoon] vóór de uitspraak van de rechtbank van 9 december 2020, doet hier niet aan af. De rechtbank is het wel met opposante eens dat zij hebben voldaan aan de uitspraak van de rechtbank van 9 december 2020. Er kan dus geen sprake (meer) zijn van een nog te nemen besluit of verschuldigde dwangsom.
7. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 9 december 2020 in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is uitgesproken op 3 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: