Bestuursrecht overig
Wet hersteloperatie toeslagen, kindregeling. Verwijzing naar eerdere uitspraken van deze rechtbank omdat (de…
Rechtbank Midden-Nederland, 27 februari 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:1233 · Rechtbank Midden-Nederland · 27 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2025-1233
Zaakgegevens
Op 27 februari 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 27 februari 2025
- Datum publicatie
- 21 maart 2025
- Zaaknummer
- UTR 24/3839 en UTR 24/3841
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:1233
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet hersteloperatie toeslagen, kindregeling. Verwijzing naar eerdere uitspraken van deze rechtbank omdat (de gemachtigde) van eisers dezelfde gronden heeft aangevoerd en geen toelichting of argumenten geeft waarom er anders geoordeeld zou moeten worden.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/3839 en UTR 24/3841
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2025 in de zaken tussen
[eisers] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen,
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de hoogte van de tegemoetkoming die zij op grond van artikel 2.12 van de Wet herstel toeslagen (de kindregeling) hebben ontvangen.
Met afzonderlijke besluiten van 21 februari 2024 heeft Dienst Toeslagen de ambtshalve tegemoetkomingen van € 6.000,- (voor eiser [eiser 1] ) en € 8.000 (voor eiser [eiser 2] ) in stand gelaten. De bedragen waren toegekend op grond van de kindregeling.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 februari 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en meteen mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond:
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Beoordeling door de rechtbank
1. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Eisers zijn kinderen van een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Daarom hebben zij een tegemoetkoming op grond van de kindregeling gekregen. Vanwege hun leeftijden op 1 juli 2023 bedraagt deze tegemoetkoming € 6.000,- en € 8.000,-.
3. Eisers voeren aan dat de tegemoetkoming niet de schade dekt, dat de Dienst Toeslagen zou moeten afwijken van het vaste bedrag dat is genoemd in de wet en dat hiervoor de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht moet worden toegepast. Verder voeren zij aan dat zij geen zelfstandige rechtsbescherming hebben en ze afhankelijk zijn van een ouder die bij de Commissie Werkelijke Schade een verzoek indient om hun schade vergoed te krijgen. Daarbij merken eisers op dat zaken van de gedupeerde ouders en hun kinderen niet parallel lopen. Verder eisen zij (immateriële) schadevergoeding, stellen ze dat Dienst Toeslagen vooringenomen handelt en verzoeken ze om het dossier van hun ouders.
4. De rechtbank heeft in vergelijkbare zaken eerder geoordeeld dat er niet van de vaste bedragen uit de kindregeling kan worden afgeweken. Samengevat komen de uitspraken erop neer dat er sprake is van dwingend recht waarbij de wetgever rekening heeft gehouden met een situatie van kinderen van gedupeerde ouders, en uitdrukkelijk de keuze heeft gemaakt om bij de kindregeling niet de daadwerkelijke (immateriële) schade te betrekken. Ook de hardheidsclausule biedt geen mogelijkheid om af te wijken van de hoogte van de tegemoetkoming. Daarnaast is in deze uitspraken geoordeeld dat het ook een uitdrukkelijke keuze van de wetgever is om ouders en kinderen dezelfde mogelijkheden van schadevergoeding te geven, maar de aanvraag via de ouders te laten lopen. De verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen omdat niet is gebleken van onrechtmatig genomen besluiten in die procedures en de persoonlijke dossiers van de ouders hoeven niet te worden overgelegd door Dienst Toeslagen.
5. De gronden van eisers zijn gelijkluidend aan de aangevoerde gronden in voorgenoemde zaken. De gemachtigde van eisers is ook de gemachtigde in de andere zaken. Er is geen toelichting gegeven en er zijn geen argumenten aangevoerd waarom er in deze zaken anders geoordeeld zou moeten worden. Ook ziet de rechtbank dat de ‘persoonlijke situatie’ van eisers – ondanks dat ervaringen van de kinderen overeen kunnen komen – geen persoonlijke verhalen zijn van eisers, maar een opsomming van algemeen geformuleerde omstandigheden die in veel dossiers van deze gemachtigde voorkomt. Ook hieruit kan de rechtbank niet opmaken dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat er toch andere conclusies getrokken moeten worden. De rechtbank ziet in deze zaken al met al geen aanleiding om over de aangevoerde beroepsgronden anders te oordelen.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Dienst Toeslagen terecht aan eisers tegemoetkomingen van € 6.000,- en € 8.000,- heeft toegekend. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug en er is ook reden voor vergoeding van proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2025 door mr. P.J.M Mol rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.